De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

17 minuten leestijd

Zij die niet naar de kerk kunnen gaan

In het mei-nummer van de Kerkvoogdij, troffen we onder deze titel een artikel aan van de hand van prof. dr. H. G. van Beusekom. Deze wijst op de hoge betekenis van de kerkdienst voor het geloofsleven en knoopt daarbij aan bij de bekende en veelgeprezen publicatie van prof. dr. A. A. van Ruler, Waarom zou ik naar de kerk gaan?

Echter, de schrijver wijst erop, dat er een hele groep mensen is, die niet ter kerke kunnen gaan, namelijk degenen die óf door ziekte óf door een lichamelijke handicap of om andere redenen verhinderd zijn de diensten bij te wonen. Men heeft op allerlei wijzen gezocht naar middelen om het gemis van de kerkgang voor deze groep te compenseren. Van Beusekom noemt o.m. prekenbundels, radiokerkdiensten, thans ook de TV-diensten, bandrecorder, kerktelefoon, en gaat voorts in op eventuele mogelijkheden die er technisch en juridisch zijn op het gebied van de TV (een eventueel televisiekabel-net in een plaatselijke gemeente). Hier liggen overigens nog wel de nodige moeilijkheden en bezwaren.

Waar het me in het verband van deze Persschouw om gaat, is een bepaalde passage uit dit artikel, waarin de schrijver de radiouitzendingen ter sprake brengt.

In de begintijd werden de uit te zenden kerkdiensten keurig over de verschillende kerken en modaliteiten verdeeld, zodat ieder op zijn beurt aan zijn trek kwam. Ik kan mij niet herinneren, dat dit tot ernstige klachten aanleiding heeft gegeven.

Na de oorlog zijn de kerkdiensten aan de omroepverenigingen ontnomen. Het uitzenden van kerkdiensten werd taak van de kerken. Hiertoe werd het Ikor opgericht, waarin naast de Hervormde kerk alleen enkele kleinere kerken een plaats vonden. De Gereformeerde kerken verenigden zich met Vrij Evangelischen, Baptisten en het Leger des Heils in het Convent van kerken.

Deze verdeeldheid zouden wij nog wel te boven komen, omdat immers beide organisaties veelvuldig gezamenlijke uitzendingen verzorgden, vaak ook met de R.K. kerk als derde partner. Erger is, dat het Ikor, waarop de Hervormden in de eerste plaats zijn aangewezen en dat elke zondag over de zendtijd van 10 tot 11.30 uur beschikt, zijn taak vervult op een wijze, die bij grote groepen kerkleden weerstand opwekt. Ik spreek nu uitsluitend over de kerkdiensten op zondag, omdat die met name van belang zijn voor hen, die niet in staat zijn om naar de kerk te gaan. Deze mensen verlangen een kerkdienst te horen, die hen zoveel mogelijk in de sfeer brengt van de diensten, die zij in hun goede jaren in hun eigen kerk meemaakten.

Zij verlangden kerkdiensten, waar hun het evangelie wordt gepredikt en het heil wordt verkondigd. Zij verlangen geen experimenten. Zij willen geen 'geestelijke geweldpleging', die meningen wil opdringen, die hun geestelijk vreemd zijn. Zij willen geen prediking, die aan de verkondiging van het heil niet toekomt, omdat de spreker al zijn tijd nodig heeft om zijn bezwaren tegen de bestaande orde uiteen te zetten. En zij hebben ernstig bezwaar, wanneer de schaarse tijd, die wekelijks voor de uitzending van kerkdiensten beschikbaar is, voor andere zaken wordt gebezigd. Zaken, die op zichzelf wel belangrijk zijn, maar niet voldoen aan de behoeften van hen, die naar de kerk zouden willen gaan maar niet kunnen en die nu voor een kerkdienst op het Ikor zijn aangewezen.

Wil men een voorbeeld. Terwijl ik bezig ben, de drukproef van dit artikel nog wat aan te vullen, kijk ik even in het radioprogramma voor a.s. zondag. Ik lees daar:

Ikor:10.00 Korte kerkdienst met kinderen;
10.30 Stuit en steek

Een themaprogramma over menselijkheid in ziekenhuizen. Hoe kunnen onze ziekenhuizen echte therapeutische gemeenschappen worden, waarin aandacht is voor de individuele mens, begeleiding even belangrijk is als behandeling en de verpleegkunde nét zo gewaardeerd wordt als de medische wetenschap. Hoe kunnen onze ziekenhuizen 'beter' worden zodat ze functioneren binnen het geheel van de samenleving en ook preventief aandacht hebben voor de ziekmakende factoren daarin.

Luisteraars kunnen weer telefonisch reageren onder nummer 02150—41351.

Natuurlijk is het een zaak van groot belang, dat onze ziekenhuizen zo goed mogelijk hun dienende functie vervullen.

Evenzeer kan het van belang zijn, dat het onderwerp 'menselijkheid in ziekenhuizen' in ruime kring ter discussie wordt gesteld. En ik kan mij zelfs voorstellen, dat het Ikor zichzelf als het lichaam bij uitstek beschouwt om het initiatief tot deze discussie te nemen.

Maar laat men daarvoor dan niet het uur van de kerkdienst gebruiken, wanneer duizenden luisteraars in den lande, die wegens lichamelijke gebondenheid niet ter kerke kunnen gaan, met hun kerkboekje bij de radio gereed zitten om de node gemiste kerkdienst te horen.

Natuurlijk weet het Ikor dit allemaal wel, maar het gaat bewust tegen de behoeften van de meerderheid van het kerkpubliek in, omdat anders een 'ongelofelijk vervelend programma' zou ontstaan. Het Ikor is echter voornemens in de gekozen richting door te gaan en 'dat zou wel eens kunnen betekenen, dat het Ikorprogramma nog impopulairder, nog controversiëler en nog onaangepaster zal worden dan velen in ons land al vinden, ' aldus de televisiedirecteur ds. W. J. Koole.

Hieruit blijkt voldoende, dat de duizenden, die niet naar de kerk kunnen gaan, bepaald niet op een wekelijkse dienst van het Ikor kunnen rekenen, ook al meent het de objectiviteit te betrachten door op gezette tijden een Gereformeerde Bondskerkdienst uit te zenden.

We menen dat de schrijver van dit artikel terecht de vinger legt bij een kwalijke ontwikkeling. Een ontwikkeling waar al meerdere malen op gewezen is, en waarover al vaker critiek op is uitgebracht. Maar de leidende organen gaan rustig door, alsof er niets gezegd is. Het is goed, dat thans ook weer van andere zijde het onbehagen over allerlei uitzendingen van het Ikor onder woorden wordt gebracht. Met name het feit, dat het Ikor de zondagmorgen gebruikt voor experimentele programma's die niet alleen vanuit pastorale overwegingen bezwaar oproepen, maar ook een visie op het apostolaat van de kerk verraden, die zeer beslist de onze niet is.

Alleen maar de dialoog?

Ook het volgende vraagt uw aandacht voor een bepaald aspect van het apostolaat, nl. de relatie tot de Islam. De tijd is voorbij, dat dit ver van onze deur afstond. De gastarbeiders uit Mohammedaanse landen, de verzoeken in sommige plaatsen een kerkgebouw ter beschikking te stellen laten ons zien, hoezeer de vragen rondom Christendom en Islam onze aandacht wel mogen hebben. Op de predikantenvergadering van 11 april heeft prof. dr. W. A. Bijlefeld, door studie en werk ter zake kundig, een referaat gehouden over dit onderwerp. In Woord en Dienst van 17 juni geeft dr. B. J. Boland in een artikel, getiteld Met Moslims in de predikantenvergadering een nabeschouwing over deze zaak. Prof. Bijlefeld greep in zijn lezing terug op een lezing die prof. Hoekendijk in 1953 eveneens voor de predikantenvergadering hield. Hoekendijk poneerde toen, dat de christelijke kerk zich niet alleen moest bezig houden met het systeem van de Islam in discussie en debat, maar moest proberen zich in te leven in de geloofsbeleving van de Moslims en hen te ontmoeten in hun concrete situatie.

Met name dat laatste onderstreepte Bijlefeld: Het gaat om mensen in hun concrete situatie, om gesprekken, momenten van samenwerking etc.

De vraag rees ook of je niet helemaal moet afzien van een theologie van de godsdiensten d.w.z. van een theologische beoordeling van de Islam in het licht van het Evangelie? Doe je dan wel recht aan het geloof van die ander? We zullen er op bedacht dienen te zijn, dat de wereld van de Islam niet op instorten staat, maar in vele opzichten opleeft als godsdienstige en politieke realiteit. Kerk en zending moeten rekenen op een blijvend naast-elkaar-bestaan van godsdiensten, en moeten proberen de Moslims te verstaan en te begrijpen. Ook omgekeerd dient dat te geschieden.

In dit verband schrijft dr. Bolarid — en het is me niet duidelijk geworden, in hoeverre hij hier de gedachten van Bijlefeld refereert of dat hij eigen visies naar voren brengt —:

Wanneer we werkelijk luisteren, zullen we vanuit de Islam vragen horen die het hart van ons Christendom raken. In de Moslimse wereld word je bijv. gedwongen, anders en sterker dan elders, je af te vragen: wat bedoelen we met een term als 'Zoon Gods'? Wat is werkelijk de kern van 'het christelijk getuigenis', als je, levend met Moslims, ontdekt dat onze gangbare formules en cliché's onbruikbaar zijn? Ruimer, als boven aangeduid: het pure bestaan van de Islam raakt onze hele theologische bezinning. Je kunt niet langer je ogen sluiten' voor de realiteit van het bestaan van vele godsdiensten, met als één daarvan ons Christendom. Hoe verhoudt zich onze theologische bezinning (in de dogmatiek) tot onze studie op het terrein van de godsdienstwetenschap? Kan de eerste de tweede alleen maar wantrouwen? Is er niet een andere weg dan een blijvend uit elkaar gaan van die twee, via een boedelscheiding tussen 'geloof' en 'wetenschap'? Is het probleem opgelost sinds Barth's K.D., deel 1/2, § 17? Dit huiswerk kregen we mee van de predikanten-vergadering: hoe verdisconteren we dat godsdienstig pluralisme in onze theologische bezinning?

Persoonlijke contacten tussen Christenen en Moslims kunnen (evenals contacten met Communisten) 'bekeerlingen' opleveren, naar welke kant dan ook. Zo'n 'bekering' (in de gebruikelijke zin van het woord) houdt een sociale overgang in: mensen worden losgemaakt uit hun oorspronkelijk milieu en emigreren a.h.w. naar een ander milieu (met alle risico's van immigratie!). Tot voor kort werd 'zendingswerk' vaak probleemloos gelijkgesteld met 'bekerings-arbeid'. Ondergetekende werd in 1941 'afgevaardigd' naar Indonesië 'tot bekering yan Heidenen en Mohammedanen', In kringen van 'geloofs-zendingen', waarmee Bijlefeld in Afrika te maken had, zijn dergelijke opvattingen nog springlevend. Maar in Moslimse landen is 'proselytisme' of in feite verboden óf wordt ons gevraagd hiermee te stoppen. En binnen de Kerk lijkt er ook in dit opzicht 'polarisatie' te ontstaan. Want hier en daar zoeken sommigen naar mogelijkheden voor een eclite dialoog met Moslims in hun concrete situatie, d.w.z. een dialoog die het hele menselijke bestaan raakt, zowel z'n godsdienstig leven als z'n sociaal gedrag; en zij proberen — tegen het gerechtvaardigde wantrouwen van Moslims in! — geloofwaardig te maken dat die dialoog géén proselytisme bedoelt.

Een werkelijke dialoog is een zaak van persoonlijke ontmoetingen, waarbij men soms komt tot een gesprek 'van hart tot hart' (zoals een Indonesische uitdrukking zegt); soms volgt correspondentie, bijv. naar aanleiding van een bepaalde publicatie. De massa-meeting is in dit opzicht ongeschikt; daar verschuilt de mens zich achter z'n theorie, z'n dogmatiek, z'n systeem, z'n ideologie. In een werkelijke ontmoeting moet men zichzelf blootgeven, niet proberen om godsdienstig, kerkelijk of theologisch z'n stand op te houden. Alle 'zekerheden' van veilige formules, Bijbelse termen en oeroude dogma's, die we (vooral in onze eigen taal!) dadelijk bij de hand hebben, komen in de waagschaal. Je wordt gedwongen tot radicaal zelfonderzoek: wat geloof ik nu wérkelijk als ik zelf moet spreken (en niet mijn westerse dogmatiek aan 't woord kan laten); wat betekent dat geloof in m'n leven, wat betekent het voor mijn verhouding tot de medemens en voor onze gezamenlijke plaats in een bepaalde samenleving en in onze ene wereld? Je zult bereid moeten zijn om — met eigen woorden en begrijpelijk voor de ander — verantwoording af te leggen van je werkelijke geloof en de betekenis, de 'relevantie' daarvan voor je leven in de wereld van nu. En het kan gebeuren dat je partner op zijn beurt vertelt wat zijn godsdienst voor hém al of niet betekent. Dan wordt het werkelijk 'menens' in die ontmoeting: de vervreemding maakt plaats, niet voor een verdoezeling, maar voor een werkelijke dialoog! Voorwaarde is, dat je niet alleen die ander wilt beïnvloeden maar ook zelf openstaat en bereid bent beïnvloed te wórden, tot in 't diepst van je bestaan. Er is geen 'kern' van het Christelijk geloof die bij voorbaat veilig kan worden gesteld voor beïnvloeding door die ontmoeting. En niet alleen je geloofs-formuleringen, maar je geloof als zodanig gaat in de waagschaal. Die dialoog kan leiden tot 'bekering' van beide gesprekspartners, in de vorm van een verrijking en verdieping van beider eigen geloofsleven, in z'n 'verticale' èn 'horizontale' vormen.

Dat de problemen in de benadering van de wereld van de Islam vele zijn en dat de ontmoeting tussen christenen en moslims niet zonder wederzijds luisteren kan geschieden wil ik graag op gezag van deze deskundige aannemen.

Maar de niet-deskundige lezer blijft aan het eind van dit verhaal toch met de vraag zitten: wat blijft hier over van het zendingsaspect, in die zin van het winnen van mensen voor de Here Jezus Christus? Er wordt nogal denigrerend gesproken over 'bekeringsarbeid' in dit artikel. Mag men t.a.v. de Islam dan niet meer spreken van heidendom? En geldt de bijbelse eis van geloof en bekering, waarmee de apostelen tot de heidenwereld kwamen niet voor de benadering van de Islamieten? Dat het een vraag apart is, op welke wijze dit het best kan geschieden, is waar. Maar uit het relaas van dr. Boland krijg je de indruk dat bekerings-arbeid gelijk gesteld wordt met proselietenmakerij. Zelfs wordt er over gesproken dat beide gesprekspartners, zowel christenen als moslims dus, via de dialoog tot 'bekering' komen, in de vorm van verrijking en verdieping van eigen geloofsleven. Gaat het dus in de ontmoeting tussen Kerk en Islam alleen maar om wederzijdse beïnvloeding, door middel van een open en eerlijke dialoog? Welke visie op de verhouding tussen christendom en niet-christelijke godsdiensten gaat hierachter schuil? Moet ik op de achtergrond van deze beschouwingen de visie zien van het anonieme christendom? Zijn er meerdere wegen tot het heil? Geldt Handelingen 4 : 12 en Joh. 14 : 6 niet voor de ontmoeting met de Islam? In heel dit artikel mis je het woord ’getuigenis’.

Natuurlijk zal het getuigenis een klankbodem moeten hebben. De dialoog kan dienen om de situatie te verhelderen. Om contacten te leggen op zoveel mogelijk levensterreinen. Maar het maakt een hemelsbreed verschil of men de dialoog ziet als middel om het Evangelie (met de oproep tot geloof en bekering) tot de werkelijke mens te brengen, of dat men via de dialoog alleen maar wil komen tot wederzijdse beïnvloeding. Eerlijk gezegd ben ik nogal geschrokken van dit artikel van dr. Boland. Hoe deskundig en helder ook geschreven, het verraadt m.i. een visie die in strijd is met de radicaliteit van het Evangelie, dat volstrekt antithetisch staat tegenover de mens en hem oproept om uit de duisternis te komen tot het licht van Christus. De schrijver van dit artikel in Woord en Dienst zal hier misschien spreken van 'theologiseren in het schemerlicht van onze dogmatiek'. We menen echter dat de door Boland genoemde aspecten als consequentie hebben dat het christelijk geloof een weg is naast andere wegen. Woord en Dienst is een officieel orgaan van onze kerk, en de lezing van Bijlefeld vond plaats op de predikantenvergadering. In hoeverre komen hier persoonlijke visies aan het woord en in hoeverre deelt de Raad voor de zending de in het artikel van Boland voorgedragen opvattingen? Enige helderheid is m.i. wel gewenst.

Het fascisme terug van weggeweest

Ten besluite in dit persoverzicht een artikel van ds. A. A. Spijkerboer in Hervormd Nederland van 10 juni naar aanleiding van de moordpartij op de luchthaven in Tel Aviv. Een japans zelfmoordcommando dat op deze wijze strijdt tegen de joodse staat. Het roept herinneringen op aan de fascistische terreur van de tweede wereldoorlog. Spijkerboer wijst op de verbanden en maakt in dit opzicht een aantal behartigenswaardige opmerkingen over deze boze geest uit de twintigste eeuw.

We moeten niet vergeten, dat een 'van de eerste bommen uit de reeks, die nu Europa opschrikt, geplaatst is in het Tehuis van de Joodse Gemeente in West-Berlijn. Dat was al een paar jaar geleden, en zeker, het ding zat knullig in elkaar en kon zonder veel moeite onschadelijk worden gemaakt. Maar het was een bom en hij werd tegen joden gebruikt.

Voorzover er sporen zijn, leiden ze in de richting van Palestijnse en anarchistische groeperingen, die zich Volksfront, Onderdeel van het Rode Leger of marxist noemen. Maar wat doet het er toe hoe deze heren zich noemen? Het zijn fascisten en ze dienen als zodanig te worden onderkend.

Over de aard en de oorsprong van het fascisme zijn de geleerden het nog niet met elkaar eens, maar alle fascisten hebben dit met elkaar gemeen, dat ze anti-joods zijn en dat ze ook in vredestijd hun doelen proberen te bereiken met de vuilste middelen van de oorlog: intimidatie en tereur tegen onschuldige mensen. Hoe vaak hebben we niet gehoord, dat de Griekse kolonels, Franco en de regeerders van Portugal fascisten zijn. We moeten ons, ondanks een vakantie in het zonnige Spanje, geen illusies maken: ze zijn het. De macht van deze nabloeiertjes van Hitler en Mussolini berust nog steeds op niets anders dan op terreur.

Maar wat onvoldoende doorzien wordt, is dat het fascisme zich gesplitst heeft: het zit in Spanje, Portugal en Griekenland, maar nu komt achter het mombakkes van anarchisme ook de tronie van het fascisme vandaan. Niet iedere vorm van anarchisme leidt tot fascisme, maar er zijn vormen van anarchisme, die zich als fascisme ontpoppen en dat zijn de vormen, die op het ogenblik het toneel in Europa beheersen.

'Terug van weggeweest' — de heren zijn er weer! De jasjes zijn veranderd, maar de tronies, het geschreeuw en de methodes zijn dezelfde. Er zijn zo weinig tegenkrachten en de sterkste tegenkrachten tegen de nieuwe vorm van het fascisme zitten — o humor! — in de regering van de Duitse Bondsrepubliek. Brandt heeft de Griekse kolonels een gevangene weten te ontfutselen en Brandt is geloofwaardig waarmeer zijn regering de Baader-Meinhofgroep onschadelijk maakt.

Laten de theologen van de revolutie toch tot bezinning komen! Wat over het algemeen wel juist is, is niet altijd en op iedere plaats geboden. Zo is het over het algemeen niet geraden te liegen, maar in de oorlog was een leugen soms noodzakelijk om een onderduiker uit de handen van de Duitsers te houden.

Het is over het algemeen wel waar, dat een volk in de uiterste nood het recht heeft gewapenderhand in verzet te komen tegen de tyrannie. Maar op het ogenblik moet dit in Europa niet worden gezegd, want wie dit op het ogenblik zegt, helpt een klimaat te scheppen, waarin de naakte terreur vrij spel heeft.

De kerk is niet geroepen via een theologie van de revolutie hand- en spandiensten te verlenen aan het fascisme. We moeten ook ons vermogen tot oordelen zuiver houden. We moeten de aanslagen van de terroristen niet vergoelijken door te zeggen, dat hun motieven anti-kapitalistisch en dus nobel zijn. Op die manier zouden we van iemand als Baader een elite-misdadiger maken.

Een intellectueel, die in de naam van Marx een ander doodschiet, dient met dezelfde maat gemeten te worden als een arbeider, die een roofmoord pleegt. Er is een nobel ongeduld over het onrecht in de samenleving. Maar wanneer we naar geweld grijpen, roepen we geesten op, die we niet meer de baas worden en die verwoestingen aanrichten.

Het fascisme, deze boze geest van de twintigste eeuw, kan ook in zijn nieuwe vormen worden overwonnen. Door de man in de straat en dat zijn wij zelf. Het verzet moet in onze geest worden geboren. Wie er geen elite-standpuntjes op nahoudt, wie deugden als verdraagzaamheid, betrouwbaarheid en oprechtheid betracht en wie, zoals Bonhoeffer schreef, zijn christen-zijn laat bestaan 'in het gebed en in het doen van hetgeen rechtvaardig is onder de mensen' is op zijn eentje al een tegenkracht tegen het fascisme.

Het is niet gemakkelijk in het openbare leven niet voor de leugen, de terreur en de intimidatie aan de kant te gaan. Toch zal het daarop aankomen. Oude vormen van het fascisme staan in Zuid-Europa nog recht overeind. In West-Europa valt het in nieuwe vormen aan.

Of wij op onze post zullen zijn?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's