Johannes Henricus Dorrië en zijn ’Salige gemeenschap met God’
Minder bekende oude schrijvers
Zijn levensloop
Er is van Johannes Henricus Dorrië niet veel bekend. Biografische Woordenboeken vermelden dat hij van afkomst een Duitser was, dat hij in 1691 predikant werd te Sebaldeburen, een gemeente die hij in 1700 verwisselde met die te Noorddijk, waarna hij in 1706 beroepen werd te Groningen als academie-predikant. Uit het laatste zullen wij wel mogen afleiden dat hij een begaafd predikant is geweest. In 1729 kwam voor hem de dood.
Dat hij een Duitser was, is ook in het boekje waar het hier om gaat wel te merken, er staat namelijk voorin een Lofdicht van een Duitse pastor, Hermannus Bernhardus Dorrië, die stelhg voor een familielid mag worden gehouden. Dit loflied werd opgenomen in Duitse tekst.
Het ontstaan van het boek
Ongeveer ten tijde van zijn vertrek van Sebaldeburen naar Noorddij k moet Dorrië dit boekje hebben geschreven, voorzover mij bekend het enige dat hij heeft nagelaten. Hij schrijft tenminste in de Opdracht aan de heren Clant: 'Myn gedachten waren, by myn vertrek (na den wille Gods) van Sibaldebuiren ... dese myne geringe letteren by U H. Ed. na te laten als openbare bewysen en gedenktekenen van myn dankbaar gemoet voor alle uwer Hoog-Edelheden vrywillige gunstbewysen en genoten weldaden'. Dat was op 14 december 1700. Het jaar daarop verscheen het boek in druk bij Melchisedek Olingius te Heeren-feen. De volledige titel ervan luidt: 'Het leven en de wandel in de salige gemeenschap met God, Ter rechtveerdinge van de dierbare plichten der Sielen-Wagters’.
Naar de gewoonte van die tijd put de schrijver zich, vooral in zijn Voorrede 'tot den Leeser', uit in het betonen van de grootste nederigheid. Steeds had hij geaarzeld of hij het boekje wel zou uitgeven. Zelfs nadat hij de kopij in handen van de drukker had gesteld, dacht hij er over ze weer terug te vragen, bedenkend 'dat het in dese tegenwoordige geleerde en seer delicate eeuwe duisenderley gedachten en oordelen soude onderworpen zyn'. Toch had hij het er tenslotte maar op gewaagd, in de hoop dat men het zou willen lezen. Overigens, Dorrië schijnt toch ook wel écht een bescheiden man te zijn geweest. Hij verhaalt in dezelfde Voorrede hoe hij steeds gebukt is gegaan onder het gewicht van zijn werk. Jezus Christus, de grote Herder der schapen, heeft het behaagd, schrijft hij, 'ook my, die mede een sondig stof en assche ben, onder anderen te stellen tot een Sielen-Wagter. Denkende om de swaarwichtigheit des werks en de dierbaarheit van myn verpligtinge en de verscheydenheit van de staat en gestalte der Sielen en hoe die al te behandelen? ben ik meenigmaal met soo veel suchtingen van den Predikstoel af als daar op-geklommen en tot myn eensaamheit weder-gekeert'. Steeds weer, schrijft hij vervolgens, heeft hij in zijn studeerkamer zich bezonnen op het bedenken van nieuwe beweegredenen die hij in zijn prediking zou kunnen gebruiken om de mensen te brengen tot een ernstig gebruiken van de middelen der genade, om de trage handen en de slappe knieën op te richten en zo geloof, liefde, ware deugd en heiligheid te bevorderen. Het moet gezegd worden dat hij ook in zijn boekje daarvoor zijn best heeft gedaan, en — naar wij hopen — niet zonder zegen.
De gemeenschap met God
Het boekje bestaat uit tien preken waarin telkens de gedachte aan de gemeenschap met God terugkeert. Een diepgaande analyse of sprankelende gedachten moeten wij er niet in zoeken, maar wel treft het bijbels-getrouwe, het gezondstichtelijke. Het boekje is tegelijk bijbels en vroom. Het dringt aan op de praktijk der godzaligheid, maar vervalt niet in wetticisme. Vooral in de eerste preek, die gaat over 1 Johannes 1 : 3—4, worden door Dorrië enkele fraaie dingen gezegd over de gemeenschap met God. Zij is een gevolg van onze vereniging met Christus door het geloof. Wanneer het komt tot een 'geheele overgifte aan Jesus' krijgen wij met Hem gemeenschap en via Hem ook met de Vader. Tegelijk krijgen wij daar • door recht op al wat Christus voor ons verdiend heeft. God wordt onze Vader en wij worden zijn kinderen. Er is dan niets meer waar wij geen recht op zouden hebben. Hoe dwaas de mensen die inplaats van God aan te hangen aan de wereld vasthouden, deze ijdele wereld, waarvan alles vergankelijk is. Zij verspelen daarmee hun arme ziel. De gemeenschap met God is het hoogste goed! Telkens opnieuw moeten wij gaan de weg van de wereld naar God.
De gemeenschap met God heeft namelijk ook een keerzijde. In elke gemeenschap immers zijn er wederzijdse rechten en plichten. Tegenover ons recht op alle geestelijke en lichamelijke goederen staat de dure plicht nu ook te leven tot Gods eer. Alles in het leven van de christen, zegt Paulus, 1 Corinthiërs 10:31, moet zijn ter ere Gods. De heerlijkheid (doxa) van God wil worden erkend, geroemd en geprezen. Of men dan altijd aan God moet denken? Ook Dorrië had de klacht gehoord: men kan soo nauw niet leven! wy zyn ook niet volmaakt'. Wat dit laatste betreft, Dorrië beaamt het volkomen, alleen, het is geen verontschuldiging. Hij geeft toe dat het ons niet lukt om alle ogenblikken van de dag 'aandachtig en bestendig met alle gedachten en genegentheden in alles' bij God te zijn. Iemand kan 'met soo veel aardsche bezigheeden aan alle kanten omset zyn' dat hij niet weet waar hij beginnen moet. Maar als hij een christen is zal hij in ieder geval de dag met God beginnen en met God eindigen. Het is elke morgen zijn voornemen te leven alleen ter ere Gods. Trouwens, ook onder het werk is het wel degelijk mogelijk zo nu en dan stil te staan bij God en bij wat Hij doet en wil. Niemand heeft ooit al zijn gedachten alleen maar bij zijn werk. Nu eens is het dit en dan weer wat anders wat hem te binnen schiet en waar hij soms lang over nadenkt. En waarom zouden wij dan nooit eens denken aan God, aan zijn liefde, zijn eer en zijn heerlijkheid?
Ook in zoiets als trouwen en het verwekken van kinderen moet men de eer van God op het oog hebben, zegt Dorrië. Het huwelijksleven geeft u een schone gelegenheid om de genade van God in het werk te stellen. Immers, 'hoe meer menschen datter gebooren worden hoe meer sondaars; hoemeer sondaars hoe meer voorwerpen aan welke God door oeffeninge van syn vrije genade sich verheerlyken kan'. Dat dit, onder andere redenen, ook een wettige reden is om te trouwen vindt Dorrië bevestigd in Maleachi 2:15.
De taak van de wachters
Om de mensen, te brengen tot het hoogste goed, te weten de gemeenschap met God, heeft Hij de ambten ingesteld. Gods dienaren zijn wachters, moeten waarschuwen, gelijk Ezechiël moest doen (Ezechiël3:16—17).
Hoorden wij aan het begin van dit artikel dat Dorrië soms zuchtend en klagend de preekstoel op en afging, hier laat hij andere geluiden horen. Hij roept uit: 'O heerlyke en zwaarwichtige bedieninge!' Hoog zingt hij de lof van een dienaar van Christus te mogen zijn, een uitdeler van de verborgenheden Gods, een opziener der kudde, een ster in Christus' rechterhand, een visser der mensen, een wachter der zielen. Men kan er nooit, zegt hij, te grote gedachten en achting voor hebben. De studenten roept hij op 'met heylige handen, mond en herte, met vreze ende beven' zich op dit werk voor te bereiden en veel te zitten aan 's Heeren voeten om van Hem geleerd te worden. Zichzelf en zijn collega's wekt hij op om met lust en liefde Gods Woord te bedienen.
De blijdschap
Merkwaardig is dat de man die zelf zegt, zuchtend zijn werk te hebben gedaan, toch in zijn boek naeer dan eens spreekt over blijdschap. De gemeenschap met God noemt hij 'al-verblijdend'. Wie ondervonden heeft wat en wie God is kent in Hem vreugde. Het is niet een vreugde van deze wereld, tóch wel vreugde en zelfs een grote vreugde.
De 'Leere des Christendoms', zo benadrukt hij, is geen 'leere van melancholije'. De gelovigen vermaant hij om van het christendom toch niet droefgeestigheid te maken, om het niet onaangenaam te maken, zoals hij zegt, 'een stuirse' ( = stuurse) maniere van leven en gedrag; bijvoorbeeld door de dagen te slijten in 'bitterheit des geests en droefheit des aangesichts'. Zijn aanbeveling is, de blijdschap te bewaren, waartoe nodig zijn een 'tedere sorgvuldigheit des herten' en een 'nauwe omsichtigheit des wandels', met andere woorden: een heilig leven.
Aan het slot van het boek staat in de vorm van een gedicht een 'Klagte over 't droevig verval van het (zo-) Genaamde Christendom'. Hoe vreemd het ook klinkt, ook deze klacht is geuit tot herstel en tot behoud van de ware christelijke blijdschap!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's