De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Christus en de Geest II

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Christus en de Geest II

9 minuten leestijd

Gave van de eindtijd

Wie de geschiedenis van het onderzoek der Paulinische brieven nagaat, komt tot de ontdekking, dat men langs geheel verschillende wegen zich een toegang heeft pogen te verschaffen tot het indrukwekkend gebouw van zijn prediking. Nu eens heeft men gemeend dat aan Paulus' prediking een filosofische idee ten grondslag lag, dan weer nam men zijn uitgangspunt in de religieuze ervaring. De laatste jaren zien we toch een groeiende overeenstemming, in die zin, dat men het erover eens is, dat de grondslag van Paulus' prediking gevormd wordt door het eschatologisch verstane handelen Gods in Jezus Christus' 1). Eschatologisch betekent dan in dit verband een kwalificatie van gebeurtenissen en personen die betrekking hebben op de eindtijd. In Jezus Christus is Gods Koninkrijk nabijgekomen en wordt de heilsbelofte Gods vervuld. De Persoon van Christus zelf vormt het geheim en de inhoud van die vervulling.

In navolging van H. N. Ridderbos en anderen kiest Versteeg hier zijn uitgangspunt. Zijn hoofdstelling is, dat het spreken van Paulus over de Heilige Geest eschatologisch bepaald is. De Heilige Geest is aan de gemeente geschonken als gave van de eindtijd.

In dit opzicht staat de apostel op de bodem van het Oude Testament. In het Oude Testament zien we immers hoe Gods Geest in bijzondere mate werkzaam is in de geschiedenis, als God mensen roept om Zijn volk te verlossen, om Zijn Woord te verkondigen of om het werk dat Hij opdroeg te volvoeren. De openbaring van het Rijk van God staat niet los van het werk van de Geest².

Versteeg noemt in navolging van anderen vier aspecten van de 'verbinding tussen de Geest en Gods heilshandelen in het Oude Testament:

1. De Geest kondigt de komst van de nieuwe wereld aan (Joel 2 : 28).

2. De Geest is de bron van het toekomstig nieuwe leven in Israël (Jes. 32 : 15v; 44 : 3; 59 : 21; Ezech. 36 : 27; 37 : 14).

3. De Geest rust de Messias toe tot diens werk. Zie Jes. 11 : 1, 2; 42 : 1; 61 : 1.

4. De Geest rust de profeten, verkondigers van Gods heilswerk en Zijn oordeel, toe.

Ook in de geschriften van de rabbijnen treedt de verbinding tussen de Geest en de eindtijd op de voorgrond. De verwoesting van de eerste tempel en de dood van de laatste profeten worden gezien als symptomen dat de Geest van Gods volk geweken is. Men ziet uit naar de messiaanse tijd, als de tijd waarin de Geest weer opnieuw aanwezig is.

Van hieruit komt Versteeg tot de conclusie (blz. 95), dat Paulus zich in de lijn van het Jodendom, en vooral het O.T. beweegt, als hij in 1 Corinthe 15 : 45 schrijft: Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens Adam werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende Geest. In deze tekst verbindt Paulus dus de gave van de Geest aan de opgestane Christus als de laatste Adam.

De tegenstanders in 1 Cor. 15

Nu richt Paulus zich in dit hoofdstuk tegen dwaalleraars. Er zijn 'sommigen' (vs 12) die de opstanding der doden loochenden. Welke mensen heeft de apostel hier op het oog? Op dat punt zijn de meningen nogal verdeeld. Er zijn geleerden die van mening zijn dat het gaat om mensen die onder invloed van de Griekse (platonische) filosofie een soort onsterfelijkheidsleer verdedigden, de ziel gebonden zagen in de kerker van het lichaam, en de verlossing beschouwden als een teniet doen van het lichaam en de stof. Toch worden allerlei woorden in 1 Cor. 15 onduidelijk als Paulus zich inderdaad tegen deze mensen zou richten. Je zou dan verwachten dat Paulus zou schrijven: Onsterfelijkheid is niet voldoende; er moet opstanding zijn; Maar die redenering ontbreekt.

Ook de mening dat het conflict in Corinthe opgeroepen is door misverstanden over Paulus' prediking, waar de apostel zelf verantwoordelijk voor zou zijn, omdat hij aanvankelijk niet over de opstanding der doden gesproken zou hebben, acht Versteeg met vele andere geleerden onhoudbaar.

Een derde groep geleerden verklaart de door Paulus bestreden dwaalleer vanuit het Jodenchristendom. De mensen tegen wie Paulus zich richt in vs 12 vv, zouden voor een opstanding van gestorvenen geen plaats hebben, omdat slechts zij iets te hopen hadden, die bij de wederkomst van Jezus nog in leven zouden zijn. Nog onlangs is deze mening door een R.K. nieuwtestamenticus uit Duitsland verdedigd.

De vraag is evenwel: Was het Joden-christelijke front in deze Corinthische gemeente waar Paulus immers typisch heidense zonden bestrijdt wel aanwezig? Versteeg meent dit te moeten ontkennen.

Gnostische tegenstanders

Volgens hem hebben we in de tegenstanders van Paulus' prediking te maken met Gnostici. Nu is het niet zo eenvoudig in enkele zinnen weer te geven wat de Gnosis wilde. De meningen over de oorsprongen en achtergronden van deze voor het eerste christendom levensgevaarlijke ketterij lopen nogal uiteen. Bovendien is er nogal discussie over de datering van de bronnen. Vele geschriften van gnostici zijn immers afkomstig uit een aanzienlijk latere tijd dan Paulus' brieven. Dat maakt het concreet moeilijk om precies aan te geven welke gedachten in Paulus' dagen opgeld deden.

Volle zekerheid dat we in Paulus' tegenstanders inderdaad met Gnostici te maken hebben bezitten we niet. Het is en blijft een veronderstelling, en men kan misschien als bezwaar tegen Versteeg inbrengen dat hij op dit punt al te stellig spreekt. Al moet anderzijds erkend worden dat de verklaring vanuit de Gnostiek inderdaad veel opheldert en veel voor heeft.

Wat wilden de gnostici nu? En waarom waren hun meningen voor het jonge christendom zo levensgevaarlijk? In een woord: Omdat het niet om bijzaken ging, maar omdat niets minder dan het hele heilswerk in het geding was. Het woord 'gnosis' betekent letterlijk 'kennis'. Volgens de gnosticus is de mens wezensverwant met God. Maar zijn tragiek is, dat hij geworpen is in de boze wereld. Door de openbaring uit een andere wereld wordt hij zich bewust van zijn oorsprong en bestemming en keert terug tot zijn goddelijke oorsprong. U merkt wel: Het verlossingswerk van Christus heeft er nauwelijks een plaats. Christus wordt door de gnostici gezien als de brenger van de openbaring aangaande de hoogste God. De daadwerkelijkheid en de noodzakelijkheid van zijn verzoenend lijden werd ontkend. Verlossing is terugkeer tot de goddelijke oorsprong, via de kennis. In wezen dus zelfverlossing. Ook de lichamelijke opstanding en de wederkomst van Christus werden prijsgegeven. Het lichaam, en de zichtbare wereld werden geminacht als producten van een lagere God ³.

Een toekomstige opstanding der doden kon men niet plaatsen. Immers de gnostici meenden door het bezit van de kennis, en dus door het bezit van de goddelijk-geestelijke natuur, reeds zoveel in het heden te bezitten, dat er voor een toekomstige opstanding der doden geen plaats overbleef. We komen deze gedachtengang ook tegen in 2 Tim. 2 : 18. Daar waarschuwt Paulus Timothèus voor mensen die beweerden dat de opstanding reeds geschied was. De gnosticus was de ware geestelijke opstanding al deelachtig en op grond van zijn goddelijke wijsheid doorzag hij de onbetekenendheid van al het aardse en lichamelijke.

U ziet: Er stond voor de Corinthische gemeente niets minder op het spel dan de rechte kennis van de verlossing. De gnostici gebruikten wel de naam Jezus, maar zij loochenden zijn verlossingswerk in kruis en opstanding. De opstanding was voor hen niet de opstanding van de gekruisigde Christus, maar een vergeestelijkt gebeuren, waarbij Verlosser en verlosten vereenzelvigd werden. Daartegenover legt Paulus in vs 3 en 4 alle nadruk op het gebeuren van kruis en opstanding in zijn blijvende betekenis. De gekruiste Christus is opgestaan als de Eersteling van hen die ontslapen zijn. Degenen die van Christus zijn zullen opstaan op de dag van Christus' komst. Christus' opstanding is de garantie van hun zalige opstanding.

Tegen de achtergrond van de gnostische dwaalleer waarbij kruis en opstanding totaal in de nevels van een vergeestelijkt gebeuren verdwenen, ontvouwt Paulus nu de betekenis van Christus' opstanding.

De opstanding

Om het rechte zicht te verkrijgen op het verband tussen de verhoogde Here en de gave van Zijn Geest is van belang wat Paulus verstaat onder de opstanding. Vandaar dat Versteeg uitvoerig schrijft over de opstanding. Hij doet dit in confrontatie met de moderne theologie (Bultmann, Fuchs, Marxen, Pannenberg e.a.). Persoonlijk vind ik dit een van de mooiste gedeelten uit dit boek, waarin op duidelijke wijze positie gekozen wordt tegen de vrijzinnige interpretatie van Pasen, tegen elke vervluchtiging van het Paasfeit tot het Paasgeloof.

Versteeg gaat nl. uitvoerig in op de vraag: Wat betekent het woordje 'verschenen' in de eerste verzen? Het gaat bij deze uitdrukking niet allereerst om wat de discipelen ervan zagen, nog minder om een soort visioen of geestelijke ervaring. Nee, het griekse woord dat Paulus hier gebruikt: 'oophthè' doelt op een openbaringsgebeuren. Christus openbaart zich aan de Zijnen. Voorts wordt door dit woord aangegeven dat het gaat om een openbaring uit een andere wereld. Het woord 'verschenen' heeft nooit aardse, sterfelijke mensen tot onderwerp. In de Bijbel is het zo, dat God verschijnt. Verder wordt het gebruikt van engelen, en van Mozes en Elia op de berg der verheerlijking. Christus' opstanding uit de doden betekent dus geen terugkeer tot het voorafgaande aardse leven, zoals dat gold voor het dochtertje van Jaïrus of Lazarus.

Het leven dat Hij als de Opgestane bezit, is niet meer een leven dat uit de aarde aards is. De verschijningen bekrachtigen Christus' opstanding en typeren haar.

Dat Christus verschijnt moet dus duidelijk afgegrensd worden van allerlei visionaire verschijningen. U weet wellicht dat door hen, die de feitelijkheid van Pasen bestrijden, het graag zo gesteld wordt: De discipelen kregen bepaalde visioenen of ervaringen. Van uit dit 'Paasgeloof' zou men dan de opstanding geprojecteerd hebben. Op grond van 'het zien' concludeerde men tot de opstanding. Zo is volgens W. Marxen de opstanding een interpretament. Een interpretatie in begrippen van die tijd, van een bepaalde ervaring, waar wij moderne mensen, niet meer aan gebonden zijn.

Terecht laat Versteeg in navolging van geleerden als Mussner en Blank, zien dat een dergelijke visie de Schriftgegevens geen recht doet. Het feit van de opstanding kan nooit vervluchtigd worden tot een bepaalde ervaring. Een dergelijke vervluchtiging betekent dat de kerk geen heilsboodschap meer heeft. Want ons heil zit vast aan de lichamelijke opstanding van Christus.

En het werk van de Geest is er nauw mee verbonden. Want de laatste Adam werd tot een levendmakende Geest. Wat Paulus daarmee bedoelt, willen we in een volgend artikel zien.


1 H. N. Ridderbos, Paulus, ontwerp van zijn theologie. Kampen 1966, blz. 34.

2 Th. C. Vriezen, De Heilige Geest in het Oude Testament, in De Spiritu Sancto, Utrecht, 1964, blz. 34w.

5 Voor de Gnosis, zie het artikel van G. Quispel in de Chr. Encyclopedie, deel 3, blz. 243v. en H. J Schultz e.a.. De tijd van Jezus, Baarn z.j. blz. 141 vv.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Christus en de Geest II

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's