De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Naar aanleiding van een synodale benoeming

In verschillende sectoren in onze kerk is men beslist niet ingenomen met de benoeming van dr. A. H. v. d. Heuvel tot secretaris-generaal als opvolger van ds. F. H. Landsman. In het Hervormd weekblad van 29 juni spreekt prof. dr. G. P. van Itterzon, in een artikel getiteld 'Synodaal haastwerk' zijn misnoegen uit over de gang van zaken. Hij vindt het bevreemdend dat de commissie slechts één naam noemde ter aanbeveling. Waarom geen groslijst, of drietal? De argumentatie dat de aanbevolene met kop en schouders boven alle andere Hervormde predikanten uitsteekt, ontlokt aan Van Itterzon de vraag: Is het peil van onze predikantenstand werkelijk van dien aard dat niemand waardig bevonden kan worden om voor deze post in aanmerking te komen? Waarom moest dit op één avond er doorgedrukt worden? Vanwaar die haast? In dit verband lezen we:

Als ik goed ben ingelicht (we moeten elkaar vooral niet misverstaan), worden bepaalde functionarissen in de Wereldraad slechts voor drie jaar benoemd. Na verloop van die tijd kan men de betrokkene weer 'inhuren' (of hoe de term ook moge luiden). Men kan hem ook rustig laten gaan. Nu wilde het geval, dat de thans benoemde dit jaar in Geneve aan het einde van zijn drie jaren was gekomen en dat de vraag dus was, of hij weer voor drie jaar zou worden ingehuurd. In dat geval zou hij, als de benoeming op de befaamde maandagavond niet was gedaan, dus, als hij weer voor drie jaar had bijgetekend, moeilijk in het komende jaar verkiesbaar zijn geweest tot topfiguur in onze kerk. Accoord. Maar de vraag rijst dan toch weer, of onze synode zo overhaast heeft moeten beslissen, omdat de bepalingen van de Wereldraad haar daartoe noopten. De vraag dus, of de regels van de Wereldraad via de bekende tussenpersonen hier van zo overwegende invloed zijn geweest, dat zelfs onze synode en kerk door de verordeningen van de Wereldraad min of meer gedwongen tot een besluit zijn geprest, dat anders in alle rust en bezonnenheid nog bijna een jaar had kunnen wachten. Natuurlijk begrijp ik goed, dat de thans benoemde secretaris-generaal een benoeming in Nederland voor 25 jaar aantrekkelijker en veiliger vindt dan een eventuele herbenoeming in Geneve voor slechts 3 jaren, met alle risico's die in zulk een tijdelijke benoeming zijn ingebouwd. Maar dan mag toch ook hier de zaak met enkele ernstige vragen worden omringd. Is het Nederlandse systeem, waarbij iemand voor onbepaalde tijd (in dit geval voor 25 jaren) wordt benoemd in een functie, waarin hij nog nooit heeft gewerkt, niet zeer aanvechtbaar? Zouden we hier van Geneve niet iets kunnen leren? Of zouden we, om dichter bij huis, , te blijven, hier niet iets van de Gereformeerde Kerken kunnen leren, die ook van zulk een voor jaren vastgespijkerde figuur niets willen weten? Heeft het Gereformeerde kerkrecht van ouds ooit zulk een figuur gekend? En nu toch de naam van de Gereformeerde Kerken gevallen is, nog de vraag: Is het sportief tegenover deze kerken, dat we, terwijl we 'samen op weg' zijn en over een soort éénwording aan het spreken zijn, hoe die er eventueel ook zou mogen uitzien, thans, zonder met hen enig contact hierover te hebben, een benoeming voor 25 jaren doen? Is het sportief, dat onze synode, zonder hen te raadplegen, op een maandagavond iemand benoemt, waaraan ook de Gereformeerde Kerken, bij een eventueel toekomstig samengaan tientallen jaren onvermijdelijk gebonden zijn? Is het helemaal correct, dat hun ambtsdragers in de toekomst gemakkelijk aan kant kunnen worden geschoven, en dat dit zelfs voor him kerkrecht een vanzelfsprekendheid is, maar dat onzerzijds we nu overhaast voor een functionaris zorgen, met wiens bevroren positie en verkregen rechten ook zij straks te maken zullen krijgen? Als een soort erfenis, waar ze niet onderuit kunnen en waarvoor we nu, zonder hen, in allerijl op een avond hebben gezorgd?

Prof. Van Itterzon wil direkt aannemen dat dr. v. d. Heuvel in Geneve voortreffelijk werk gedaan heeft en voor zijn taak in de oecumene tenvolle berekend is. Maar zal hij onze kerk met al zijn spanningen op de post van secretaris-generaal kunnen dienen? Ook hier heeft de schrijver zijn vragen en bedenkingen, uiteraard niet tegen de persoon van de benoemde.

Want wie het interview met aandacht heeft gelezen, dat dr. Puchinger hem heeft afgenomen en dat zwart op wit te lezen staat, zal zijn vraagtekens zetten. Staat ds. Van den Heuvel niet op een standpunt, dat nu al verouderd is? Heeft hij niet een visie, die we voor afgedaan hielden, de visie van het kleine kerkje der huisgemeente? En grenst deze visie niet heel dicht aan dat van de secte? Is het al niet eerder voorgekomen, dat iemand, die in het oecumenische werk een grote naam en faam had, hier in Nederland de Herv. Kerk praktisch afschreef en zich in het kleine clubje terug trok? Het is te hopen, dat het interview van dr. Puchinger al weer sterk verouderd is, omdat we anders vrezen, dat we een secretaris-generaal krijgen, die vanuit zijn oecumenische hoogte op de toestanden in ons land slechts kan neerzien als op die van een pro­ vincialistische aard. Mocht het straks zijn bedoeling zijn om in de lijn van zijn gesprek met dr. Puchinger verder te gaan, dan kan er heel wat porcelein onder zijn voeten terecht komen. Want vanuit de oecumene laat ook onze kerk zich in al haar zorgelijke problemen niet de les lezen. De synode telde al 20 leden, die hun bezorgdheid uitspraken door tegen te stemmen. Bijna 42 procent tegen. Een minderheid, waarnaar men niet heeft willen luisteren, toen uit die kring het voorstel kwam de stemming althans nog enkele dagen uit te stellen voor nader beraad en bezinning. In de afgelopen maanden heeft men de 'boodschap' wijselijk al maar uitgesteld. Van november, toen de boodschap komen zou, tot februari. Van februari tot juni. En nu weer van juni tot november. Als het om geestelijke zaken gaat, weet de synode dus wel wat uitstel betekent. Dan gaat men niet over één nacht ijs. Maar als het over de topfunctionaris gaat, die voor 25 jaar moet worden benoemd, is er zelfs die éne nacht ijs niet bij. Dan moet op maandagavond, voordat de nacht komt, de hele zaak beklonken zijn, omdat dit in Geneve beter uitkomt. Zouden we hier toch van manipulatie mogen spreken? En zou het nu duidelijk zijn van welke kant men polariseert? Zouden dat nu de 28 hebben kunnen doen? Of, correcter, zouden we hen voor de polarisatie verantwoordelijk mogen stellen, die al dan niet rechtstreeks, achter de schermen of in de synode (daar hebben we geen oordeel over) dit haastwerk hebben georganiseerd?

Evenals ir. Van der Graaf, wiens artikel in dit blad over deze zaak enkele malen door Van Itterzon instemmend wordt aangehaald, betreurt prof. Van Itterzon deze benoeming ten zeerste. Het is m.i. een bijzonder moeilijke zaak. Niet alleen de stemmenverhouding, maar ook het onbehagen in de kerk over deze benoeming doen voor de toekomst weinig goeds verwachten? Het ziet er niet naar uit, dat door deze benoeming spanningen weggenomen of verminderd worden. Eerder lijkt het er op, alsof de zo gevreesde polarisatie in hevigheid zal toenemen. Inderdaad: een vreemd benoemingsbeleid.

Welke kerk hebben we op het oog?

Dat is de vraag die ds. O. Mooiweer uit Enschede stelt in het blad Opbouw in een artikel 'De les der discussie', naar aanleiding van een t.v. gesprek tussen drie r.k. geestelijken en een Oud-Katholiek in het programma Zienswijze. Ds. Mooiweer heeft zich afgevraagd hoe zulke divergerende meningen in een kerk getoloreerd worden. De kritiek van pastor Verbeek op het pausschap en de mis had immers met het werkelijke Rooms-Katholicisme niets te maken. Een reformatorisch christen zal met deze kritiek geen moeite hebben, maar moet helaas konstateren dat genoemde kritiek beslist niet voortvloeide uit een verlangen naar een Schriftuurlijke reformatie.

Helaas was dat niet het geval! Want er bleef bij priester Verbeek van het werkelijk Schriftuurlijk godsgeloof weinig of niets over! De pure twijfel zelfs aan het bestaan van God werd duidelijk op het schild geheven! Wat het Godsvertrouwen betreft stond deze geestelijke aan het eind van het programma eigenlijk met lege handen. Dat krijg je als je de realiteit van vele verhalen uit de Bijbel, zoals bijv, van de op de golven wandelende en voorts zinkende Petrus, omsmeedt tot poëtische beelden. We hebben ons afgevraagd of het objektief gezien eerlijk is dergelijke figuren binnen de R.K. kerkgemeenschap te handhaven. Is men van de zijde van de bisschop klaar met de verklaring, dat men geen enkele verantwoordelijkheid voor het optreden van deze kritische klerikale personages draagt, terwijl men overigens de band aan hen bewaart en hen rustig hun gang laat gaan? Hier redt men het niet met het adagium: In het wezenlijke eenheid, in het bijkomstige vrijheid, in alles de liefde! Want het verschil in standpunt is zo diepingrijpend geworden, dat het zonder meer hypokriet is het te lokaliseren tot de sektor van het bijkomstige. Dat men een schisma wil voorkomen valt te loven, maar moet men zelf niet oprecht konkluderen, dat er reeds sprake is van een fundamentele breuk? Vormt dit niet mee de achtergrond van het hooglopend konflikt rondom bisschop Gijsen? Afgezien van het ontaktisch en soms provocerend optreden van de Monseigneur van Roermond worden er toch vele dingen in de huidige nederlandse R.K. kerkprovincie gevonden, die niets meer hebben te maken met de pluriformiteit, die de inzet vormde van het Tweede Vatikaans Concilie. Men zal daarvoor de ogen niet mogen sluiten.

Heel wat sympathieker stemde ons het optreden van een andere gesprekspartner, Rektor Vreeburg, die weliswaar het oude R.K. standpunt met kracht verdedigde, maar zich positief keerde tegen elk zaaien van twijfel aan de vaststaande heilswaarheden.

Het volk onder de kansel verwacht 's zondags niet dat we allerlei vraagtekens plaatsen achter het evangelie, maar dat we het ene uitroepteken van Gods genade in Christus prediken.

Genoemde geestelijke is van oordeel, dat de kerk kleiner zal worden dan ze nu is. Dat is trouwens, aldus rektor Vreeburg, een onontkoombare zaak, wanneer men streeft naar een elitekerk. Hij bedoelde daarmee niet een gemeenschap van mensen van een bepaalde rang of stand. Nee, hij had daarbij het oog op 18 karaats christenen, mensen, die voor honderd procent Jezus willen volgen, vertikaal en horizontaal. Deze woorden werden geplaatst in een zuivere Roomse kontekst. Maar als we die opmerkingen daaruit weghalen, reiken ze ons een niet te versmaden meditatiestof aan. Want wat voor kerk bouwen wij? Als het erop aankomt, is het zo helemaal niet goed geformuleerd. Immers: niet wij bouwen de Kerk. Dat doet de Heer Jezus Christus! Wij mogen — en het is een bijzonder voorrecht — aan die Kerk mee bouwen. Maar de vraag blijft klemmen: Welke kerk hebben wij in onze kerkelijke arbeid op het oog? Een volkskerk met papieren leden? Of een kerk, waarin men zoveel mogelijk via geforceerde menselijke zuiveringsakties selekteert? Een kerk, waarin men volle opening verleent aan een ongebreidelde heerszucht? Een kerkgemeenschap, waarin allerlei dwalingen naast de waarheid van de Schrift en gelijkberechtigde plaats krijgen toegekend? Nee, het zal een kerk dienen te zijn, waarin de mensen steeds weer voor de keus worden geplaatst van het al of niet dienen van de HERE met zijn ganse hart. Daartoe zal de prediking schiftend moeten werken. Men komt niet in de kerk om te horen hoe best men het versierd heeft of hoe ellendig het toegaat in de maatschappij. Zeker, als de gemeente een bepaalde aktie tot een goed einde heeft gebracht en er veel liefde tot God en Zijn gemeente opbloeide, mag dat heus wel gezegd worden. De gemeente heeft ook regelmatig een bemoedigend woord nodig. Het vermaan in de prediking dient immers ook niet om de gemeente te bevitten.

Het gaat er om de broeders en zusters te ontdekken aan hun zonden. Ze moeten worden weggestuwd uit hun lauwheid en laksheid. Ze moeten overweldigd worden door de liefde Gods! Als ze zich zo volledig openstellen voor de indringende werking van Gods Heilige Geest, gaat er iets heerlijks groeien in de gemeente. En dan zal het blijken, dat zij, die zich perse niet wensen te bekeren, het in die sfeer van de Pinksterkerk, waarin allen erbij betrokken worden, op de duur niet langer kunnen uithouden. Naarmate de eindtijd gaat dringen, zullen er steeds meer mensen van het ware geloof afvallen. Dat is een ernstige aanwijzing, die de Schrift ons biedt.

Het wordt door Jezus in Mattheüs 24 bijzonder scherp geformuleerd: 'En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen' (vs. 12). Desondanks zal het evangelie van het Koninkrijk in de gehele wereld worden gepredikt en dan pas zal het einde gekomen zijn (vs. 14). Daar staat een geweldig woord tussen beide genoemde verzen in, nl.: Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden'. Wie er onder blijft, wie zijn schouders blijft zetten onder de arbeid van het christelijk getuigen in deze wereld, wie als evangelische sprinter met lange adem de eindstreep haalt, die krijgt de krans! Zo viel er uit de diskussie op Pinksteravond veel te leren!

Hoewel ik niet zo gelukkig ben met de uitdrukking elitekerk, en ik meen dat er over de volkskerk nog wel iets meer te zeggen is, dan ds. Mooiweer doet, heeft dit artikel me toch op menig punt getroffen. Met name de opmerkingen over de prediking, de radicale positiekeuze, de verwijzing naar de eindtijd (Mt. 24) zijn bijzonder behartigenswaard.

Wij zouden ook kunnen zeggen: waarachtig kerkherstel en ware gemeenteopbouw vinden daar plaats waar het Woord Gods de kerk sticht, regeert en bouwt. Dat is het eerste kenmerk van de levende gemeente: de volharding in de leer der apostelen (Hand. 2 : 42).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1972

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1972

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's