De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

16 minuten leestijd

Vragen aan Berkouwer

In het blad 'Waarheid en eenheid' van 30 mei en 13 juni bespreekt dr. E. Masselink het tweede deel van Berkouwer over de Kerk. Bij alle waardering voor de brede informatie die we krijgen en de vele Schriftgegevens die behandeld worden heeft dr. Masselink nogal wat bezwaren. Zo lezen we in het nummer van 30 mei onder meer:

We zijn natuurlijk bereid om vroegere belijdenissen aan Gods Woord te toetsen; dat willen die belijdenissen zelf ook (art. 7 en 32 N.G.B.). Onze laatste synodes willen ook een weg zoeken, dat de werkelijke kracht en rijkdom van onze belijdenis behouden blijft en met nieuwe glans gaat stralen. Maar de grote zorg van onze synodes t.w. dat de moderne mens zich van God en Zijn Woord wil losmaken om zichzelf tot wet en maatstaf te zijn —, die grote zorg gevoel ik helaas niet bij Berkouwer. Nogmaals, hij en allen die het Evangelie van Jezus Christus voor zondaren en een verloren wereld willen 'vertalen', aansprekend willen maken voor de mens van heden, mogen weten dat zulks ons aller taak is. Wilde ook Paulus niet een jood voor de joden en een Griek voor de Grieken zijn? En kwam hij niet met melk of vaste kost, naardat men het verwerken kon?

Maar me dunkt dat wij ziende blind zouden zijn als we niet met grote schrik zouden ontwaren hoe er tegenwoordig een menselijke geest van overmoed zich afwerend opstelt tegen God en Zijn Woord en Zijn genade in Jezus Christus. De mens moet vrij zijn (Bultmann), de mens moet zelf zijn bestaan opbouwen en uitleven (het existentialisme), de menselijke inzichten, waarden en gevoelens zijn het souvereine kriterium voor alle dingen...; deze in de grond van God afkerige geest bedreigt vandaag de kerk en heel de beschaving.

We willen Berkouwer, Kuitert, Wiersinga, Augustijn en wie ook meer, graag toegeven dat wij niet kunnen volstaan met alleen het vroegere te herhalen; elke generatie zal naar haar situatie rekenschap geven van de hoop die in haar is. Maar het eenzijdige van Berkouwers boek lijkt mij dat hij wel uitvoerig en doorlopend waarschuwt tegen de verkeerde behoudzucht, maar dat hij de strijd naar de andere kant — tegen de saecularisering en humanisering — niet met een soortgelijke bewogenheid voert. Hoe is het mogelijk dat nu heel de theologie, heel Gods volk en zoveel kerkelijke instanties van alle denominaties in grote zorg leven om de geesten te beproeven of zij uit God zijn, dat Berkouwer in zijn beschouwing over het apostolisch belijden bijna stelselmatig alleen op de aanpassing uit is. Dit woord wil niet uitdagend gebruikt zijn —, maar ook de aanpassing aan het levensgevoel van de moderne mens eist een waakzaamheid naar beide zijden, dus ook naar de zijde van: bewaar wat u is toevertrouwd!

Over uitdaging gesproken —, op p. 127 komt Berkouwer nog eens erop dat het belijden altijd on­der de goddelijke greep moet staan van het 'nu gij echter God hebt Ieren kennen, ja, meer nog, door God gekend zijt'. En dan waarschuwt hij aldus voor de verbale conformiteit (het al te vlug voor waar houden, het gevaar van dode orthodoxie): 'Het belijden wordt van zijn wortel losgescheurd, wanneer deze oondacht — in het belijden — zou wijken in een saecularisering, die de 'belijdende' kerk haar kracht doet verliezen ondanks het feit, dat zij wellicht 'de waarheid' belijdt' p. 127.

Kan hij zo felle waarschuwing ('saecularisering') naar de ene kant doen en de andere kant (van de anthropologische theologie) praktisch vrij baan geven? Is dat naar de waarheid zoals het Evangelie van Johannes bedoelt?

Slecht te spreken is dr. Masselink ook over de wijze waarop prof. Berkouwer de uitspraken van Sneek waardeert. In plaats van zijn zorg uit te spreken over Kuitert steekt Berkouwer z.i. de loftrompet over de centralisering van het belijden, en is hij blij met de in Sneek uitgesproken eenheidsgedachte.

Eenzelfde bezwaar heeft Masselink inzake de wijze waarop Berkouwer het ingrijpende vraagstuk van de leertucht behandelt. Zeker, de waardering voor vele fraaie bladzijden ontbreekt niet. Masselink noemt o.a. de wijze waarop Berkouwer spreekt over de dwaling van de kerk. Maar zijn grief is dat de huidige tegenstellingen te zeer toegedekt worden. We citeren uit het artikel van 13 juni:

We zijn dus bij het stuk van de leertucht aangeland; en hier gaan alle wenkbrauwen omhoog. Met Berkouwer zijn we het eens, dat de (goede) tucht een blijk van liefde is. Iemand laten dwalen en de kerk op dwaalwegen laten brengen, is ronduit liefdeloos. Ook verstaan wij het, als hij allerlei faktoren opnoemt waardoor de leertucht moeilijk is uit te voeren. Bij foutieve uitoefening, van de belijdenishandhaving wordt er onnoemelijk veel onheil aangericht. In tijden van grote veranderingen (als tegenwoordig) is de spanning extra groot tussen de libertas prophetandi (vrijheid in de prediking) en , wat in de kerkbelijdenis is uitgesproken. De moeilijke problemen in de huidige samenleving en de nieuwe perspectieven in het verstaan der heilige schrift en het interkerkelijk contact van heden maken het moeilijk om de ketterij (dwaling in de grondwaarheden) snel te onderscheiden, enz. Met Berkouwer willen wij vanzelfsprekend de zeer belangrijke vraag op de voorgrond zetten: hoe moet vandaag de vertolking van het Evangelie zijn?

Dit zijn de vragen.
Dit zijn de bemoeilijkende omstandigheden.
En nu het antwoord!

Op p. 218 schrijft hij: 'Wat vragen over de concentratie op het centrale apostolisch getuigenis ter sprake kwam keert als vanzelf in de overwegingen rondom de afweer (leertucht, M) der kerk terug'. Over het centraliseringsaspect verwijzen we hier dan ook naar ons vorige artikel: dat Berkouwer in blijdschap daarover spreekt in verband met de Sneker synode. Die Synode was dood verlegen hoever de belijdenis nog losgelaten of tegengesproken mag worden; zij zei, thans nog geen nadere beslissingen te nemen en dat zij blij was dat er nog een zekere eenheid was. Een zekere eenheid, over welke dingen? Berkouwer werkt veel met het woord 'centraliteit', dat de centrale waarheid (de gemeenschap met Christus) ons verbindt. Maar een enigszins nadere aanduiding van die centrale waarheid geeft hij niet. Wel betoogt hij dat de eschatologische verwachting, de grote toekomstverwachting, 'een van de meest opvallende aspecten' is bij de vraag naar de centrale waarheid. En dan wel zo: vroeger stond meer de persoonlijke toekomstverwachting op de voorgrond en vandaag de toekomst van onze wereld. Hij tekent ook de spanning (polarisatie heet dat vandaag) tussen de persoonlijke heilsverwachting en de komst van het koninkrijk op aarde! Maar een antwoord, een oplossing, een duidelijke richtingaanwijzing heb ik helaas bij hem niet gevonden. De kerk mag niet eenzijdig — persoonlijk heil op de toekomst der wereld — oordelen, maar heeft te zorgen 'dat haar belijden in eschatologische verwachting (ook van het eeuwige leven en de opstanding des vleses) haar niet blind, maar veeleer ziende maakt door de onthulling van de zin van dit 'leven' in de handen Gods' p. 220. Dat is zijn slotsom.

Hoe kort! Hoe omsluierd!

Wordt de centraliteit (het letten op het centrum) zo niet tot centralisme, dat je alleen nog een middelpunt overhoudt maar niets daar omheen?

Berkouwer wil de polarisatie bestrijden, maar deze vaagheid kan niemand voldoen. 'In de handen Gods', deze formule zal Kuitert e.a. niet meer houden om een radikaal aards koninkrijk als het heil van Christus te presenteren!

Wanneer Berkouwer het veelvuldige Bijbelgebruik waarmee hij elk hoofdstuk begint, ook eens volgehouden had bij het eind van dit hoofdstuk, dan had hij talloze ontwijfelbare uitspraken naar twee kanten naast elkaar kunnen zetten. Enerzijds dat Gods Koninkrijk in daden bestaat, dat de mens Gods tot alle goed werk wordt toegerust, dat onze arbeid niet vergeefs is in de Heer, dat het Rijk als een zuurdeeg alle dingen doortrekt, dat God zijn heil voor alle volken bestemd heeft enz. En anderzijds dat het Koninkrijk niet van deze wereld is, dat de geestelijke mens een hemelfiguur is, dat geen oog kan zien wat God ons wil openbaren, dat de wereld wel door het geloof moet overwonnen worden maar Gode vijandig blijft zolang de geschiedenis duurt, dat deze wereldgeschiedenis alleen door Christus' wederkomst een toekomst heeft enz. En het zijn deze twee lijnen, resp. het halleluja en het strijd om in te gaan, het alles is nieuw geworden en de duivel gaat rond als een brullende leeuw, de vrijheid van Gods kinderen en het zuchten der schepping, die wij niet tot één kunnen verbinden en waarbij de ene lijn niets mag afdoen aan de andere. Geen wereldaanvaarding zonder werelmiijding; en omgekeerd; en het een niet in mindering op het andere.

Aan het slot stelt Masselink de auteur van 'De Kerk' een serie vragen en plaatst hij enkele slotopmerkingen. Een persoverzicht is doorgaans niet de plaats om recensies over te nemen. Maar we willen toch voor deze beide uitstekende artikelen een uitzondering maken. Berkouwer neemt immers in de Geref. Kerken nog altijd een invloedrijke positie in. Zijn boeken worden in brede kringen gelezen en bestudeerd. Maar de vraag is: Hoe staat Berkouwer in de huidige crisis, waarin de Gereformeerde kerken zich bevinden? Een crisis die maar niet om bijzaken opgeroepen is, maar ten diepste samenhangt met de vraag naar het gereformeerd karakter van deze Kerken. Zullen de Gereformeerde Kerken hun reformatorisch karakter handhaven, of zullen ze in meerderheid bezwijken voor een zwevende middenorthodoxie? Helaas moet gezegd worden dat Berkouwer de ontwikkeling in de richting van het laatstgenoemde niet afremt. In het zo juist verschenen juli-nummer van Theologia Reformata spreekt ook Graafland van een 'aanzet tot de huidige ontwikkeling (in de richting van Kuitert c.s.) bij Berkouwer'. Dat is m.i. een verdrietige zaak, verdrietig voor ieder die het reformatorische karakter van de kerk ter harte gaat. Daarom zijn de vragen van Masselink belangrijke vragen. Mogen ze èn door de auteur van 'De Kerk' èn door de Gereformeerde kerken gehoord en gehonoreerd worden. We citeren dus nogmaals Masselink:

Samenvattend willen we enkele slotopmerkingen maken die geheel dit deel of beide delen van de Dogmatische Studiën betreffen.

1. Waarom is Berkouwer er op zo eenzijdige weinig profetisch-kritische wijze op uit de z.g. nieuwe theologie naar voren te brengen en besteedt hij veel minder zorg aan hen die in diepe bewogenheid de centrale vragen van zonde en genade, geloof en getuigenis, persoonlijk in het hart en collectief in het leven op de centrale plaats willen houden? Voor de nieuwe benadering alle aandacht, voor de verontrusten weinig begrip.

2. Waarom waarschuwt hij niet op indrukwekkende wijze tegen het radikaal-aardse-koninkrijkevangelie, tegen het anonieme evangelie, tegen een verzoeningsleer die alleen de effecten belangrijk acht, tegen de uitdagende ironisering van de kerk en van de belijdenis?

3. Mag hij volstaan met alleen naar het centrum (de gemeenschap met Christus) te verwijzen of moeten we elkaar bezweren naar Gods Woord te luisteren. Hoe ontelbare malen maant de Schrift zelf ons daartoe aan en spreekt ze voorts van de leer der apostelen, de goede leer, de gezonde leer, de onvervalste leer enz.?

4. Mag de grote vrees die Berkouwer betoont te hebben tegen de leertucht de heilige passie beknotten om Gods huis heilig te houden, waarbij de waarheid in liefde bewaard moet worden, zeg maar naar Groen van Prinsterers bewoording onbekrompen en ondubbelzinnig?

5. Met alle afkeer van dode orthodoxie en verstorven traditionalisme, en met alle bereidheid om het Evangelie te brengen naar de urgentie en nood van vandaag moet het ons als een 'doodzonde' voorkomen het Evangelie des kruises ooit van zijn ergernis te willen ontdoen. We zouden dan wijzer willen zijn dan Christus en Zijn Geest en Zijn Woord! Heeft Berkouwer deze brandende Godswaarheid voldoende zijn boek doen doorwaaien, ook naar de kant van Kuitert, Wiersinga, Moltmann, enz.?

6. God kan met een kromme stok recht slaan; en met alles wat krom is in de Wereldraad (zijn activisme, zijn wetticisme, zijn relativisme, zijn moralisme gecombineerd met de aanvaarding van revolutiegeweld, zijn bijbelse vrijblijvendheid gecombineerd met een christelijk monopolie-air enz.) kan God iets tot stand brengen. Maar moeten wij niet om iets anders en meer bidden, ook in ons theologiseren?

7. Hoe verfoeilijk de strijd om de strijd en de ergernis om de ergernis is, hoort het niet tot Gods hoogheilig zondaars evangelie om ons door de strijd en de ergernis heen het reddend wonder van Zijn liefde te laten beleven? En mag enige vorm van wetenschap, van sociologie, van goede wil of taktiek aan die liefde Gods te kort doen? Omdat het ware Halleluja heel zwaar is gefundeerd kan het op speelse wijze de kaders van strijd, dienst, getuigenis en zelfs de martelaarskroon omvatten. Per slot is God ons lied en psalmzang!

Daarom willen onze artikelen over Berkouwers Kerk allerminst negatief zijn; ze willen waarschuwen tegen kerkmuren die uit het lood geraken (Am. 7:7v.) en oproepen om samen met al de heiligen te bouwen op de fundamenten van de twaalf apostelen van het Lam (Op. 21 : 14).

Belijdenis en belijden

Tenslotte willen we u niet onthouden een gedeelte van een bespreking van het boekje Gewoon Hervormd in Hervormd Nederland van 24 juni door ds. A. A. Spijkerboer, in een artikel getiteld 'De Middenorthodoxie failliet? '. Ds. Spijkerboer vindt het beeld wat de Gereformeerde Bond tekent van de midden-orthodoxie nogal eenzijdig, maar erkent het recht om eenzijdig te zijn gezien de bedoeling van de Bond om op te komen voor de religie der belijdenis. Hij vindt het moeilijk om achter de bedoeling van de schrijvers te komen en heeft vooral kritiek op de wijze waarop z.i. Schrift en belijdenis op een lijn gezet worden. Spijkerboer schrijft in dit verband:

De lezer moet wel wat hout wegkappen en over zure opmerkingen heen lezen voor hij er achter komt wat de schrijvers bedoelen. Het is overal wel te vinden, maar dan moet je erg goed kijken. Het sterkst springt het naar voren uit het artikel van Abma "Waarom Hervormd'. Hij schrijft indrukwekkend over Gods trouw aan de hervormde kerk: 'Mijn moeder wierp me in deze kerk op God. In de roep vanuit andere kerken doet men te zeer een beroep op de gemeenschappelijke gezindheid, terwijl men het Verbond hetzij veronachtzaamt, hetzij verkeerd duidt... Verbond is als een zaad, dat eeuwen sluimerde in pyramidale dodenzalen en na alles toch kiemkrachtig bleek.

Wanneer we lezen, dat God Zijn Verbond gedenkt, verstaan we dat God wegen gaat die een hemel hoger gaan dan de onze'.

Bij de aanval op de midden-orthodoxie worden in dit boekje ook heel wat synodale schrijvens genoemd, waarop de midden-orthodoxie haar stempel zou hebben gezet. Eén heb ik er gemist en dat is 'Israël; volk, land, staat'. Wat er ook van dit schrijven te zeggen moge zijn, het is geschreven in het geloof in Gods trouw aan zijn volk. De taal ervan is niet traditioneel, maar het gehalte klassiekgereformeerd omdat Gods trouw aan zijn volk de as is waar het hele stuk om draait. Waarom noemen de schrijvers dit stuk dan niet? Past het misschien niet in hun beeld van de midden-orthodoxie? Met de nieuwe kerkorde van 1952 heeft de hervormde kerk uit de impasse van de richtingenstrijd willen komen door te spreken over het belijden van Jezus Christus in het heden, in gemeenschap met de belijdenis uit het verleden. Zelfs als men met de schrijvers van mening is, dat de kerk opnieuw in een impasse is geraakt, en zelfs als men met de schrijvers van mening is, dat een geestelijk verbonden zijn met de belijdenis noodzakelijk is, dan kan men toch nog niet zo over de belijdenis spreken als zij doen.

Het hele boekje door worden de belijdenisgeschriften op gelijke voet met de bijbel aangehaald. Is dat vol te houden?

Ik zou daarover twee vragen willen stellen: is het bijbels dat de Heidelbergse Catechismus in Zondag 4 Gods barmhartigheid en Gods rechtvaardigheid als het ware tegenover elkaar stelt? In de brieven van Paulus is God toch juist barmhartig in zijn rechtvaardigheid?

Is verder de inzet van de Nederlandse Geloofsbelijdenis met de dubbele Godskennis — 'door de schepping, onderhouding en regering van de gehele wereld', en 'nog duidelijker(!) en volkomener (!) door Zijn heilig en goddelijk Woord' — houdbaar? We kunnen ons wel terugtrekken van een minder gelukkige formulering van de catechismus en een ontsporing in de Nederlandse Geloofsbelijdenis op de 'religie van de belijdenis', maar dan zou ik zeggen, dat dat nu juist de bedoeling van de Nieuwe kerkorde was. Want wat wil het belijden in het heden anders doen dan de religie van de belijdenis nieuw onder woorden brengen?

Zo gemakkelijk is het allemaal nog niet. Belijden is iets anders dan het opzeggen van de belijdenis. Dat beweren de schrijvers dan ook niet, maar ze maken nergens inhoudelijk duidelijk, dat de Schrift boven de belijdenis staat.

Rest mij de hoop uit te spreken, dat dit boekje hard aankomt voor de midden-orthodoxie. Er mag dan ook best een fors antwoord op komen. Een grote kracht van de schrijvers van 'Gewoon Hervormd' is, dat de schrijvers zich bloot geven en niet vrijblijvend in de lucht hangen. Wil de midden-orthodoxie tot een antwoord komen, dan zal zij zich nog meer dan 'Gewoon Hervormd' aan de Schrift en de belijdenis verplicht moeten tonen. Met mindpr kan ze niet toe.

Het treft me telkens weer hoe allerlei vragen uit de eerste jaren na de oorlog en rondom de invoering van de Nieuwe Kerkorde terugkeren. Zo ook de kwestie van belijden en belijdenis. In de vijftiger jaren sprak men van dynamisch belijden tegenover een statische belijdenis. We krijgen de indruk dat Spijkerboer zich toch wat concentreren wil op de centrale momenten van de belijdenis in een actueel belijden van Jezus Christus en daarom gemakkelijk allerlei formuleringen aan kritiek kan onderwerpen. Maar leidt een dergelijke concentratie tot een actueel belijden toch niet tot een versmalling? Het is beslist niet de bedoeling Schrift en belijdenis te vereenzelvigen. De Schrift staat boven de belijdenis. Dat wordt in de belijdenis zelf gezegd (zie art. 3-7 NGB). Maar wij hebben wel het kerkelijk gezag van de belijdenis als spreekregel der kerk te honoreren. Dat betekent geen formalisering in die zin dat met opzeggen of ondertekenen van bepaalde geschriften de zaak gezond is. Het betekent wel dat de kerk in haar spreken, in haar prediking en orde ernst maakt met de overeenstemming en gemeenschap met de belijdenis van de kerk der eeuwen.

Schriftuurlijk gefundeerde kritiek op formuleringen uit de belijdenis zullen we ernstig moeten nemen. Maar de impasse in het kerkelijk gesprek is, dat juist op het punt van het Schriftgezag vele middenorthodoxen op gespannen voet leven met de belijdenis van de kerk. Overigens is inderdaad te hopen dat Gewoon Hervormd aanleiding zal zijn dat in het geheel van de kerkelijke vergaderingen de belijdenis en het functioneren ervan weer ter sprake zal komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1972

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1972

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's