Jeremias Hollebekius en zijn ’Trage Kerkganger’ II (slot)
Minder bekende oude schrijvers
In ’s hemels lusthuis
Op kerkgaan komt het niet aan, men kan daar de hemel niet mee verdienen! hoorden wij Hollebeeks trage en gemakzuchtige gemeenteleden zeggen. De oud-pastor had zijn woordje klaar. Alsof met niet naar de kerk te gaan de hemel dan soms wel te verdienen is, merkt hij snedig op. Gaat eens kijken naar de akker van een luiaard, adviseert hij. Wat zult ge er anders vinden dan onkruid? En zou het met een mensenhart waarop niet het zaad van het evangelie valt en waarop geen werk gedaan wordt dan anders zijn?
Van minstens drie dingen is een trage kerkganger te beschuldigen zegt Hollebeek. Hij doet God tekort, hij doet zijn medemensen tekort en hij doet zichzelf tekort. God onthoudt hij de eer die ieder mens en dus ook deze trage kerkganger Hem schuldig is. Het is waarlijk geen kleine zaak de zondag voor iets anders te gebruiken dan waar God deze dag voor gegeven heeft. In Israël was de sabbat de koningin der dagen, hoeveel te meer is dan het Israël van nu verplicht de zondag in ere te houden, nu zij immers bovendien de dag van 's Heeren opstanding is. Maar ook zijn naasten doet de trage kerkganger tekort; hij geeft hem namelijk inplaats van een goed een verkeerd voorbeeld. Inplaats van de traagheid van anderen te beschamen sterkt hij ze door eigen levenswijs. Wie zijn naaste liefheeft is ook bezorgd voor het heil van zijn ziel, en daarmee klopt niet zélf zo schandelijk te leven. Tot slot, ook zichzelf doet de trage kerkganger tekort. Straks ligt hij op zijn sterfbed maar wat troost zal hij dan hebben? Hollebeek ziet hem al liggen in zorgeloosheid en ongevoeligheid, stervend in zijn zonden. Ook wordt ter overweging gegeven hoe zo'n kerkganger het maken zal op de Dag waarop hij verschijnen moet voor Hem die komen zal om doden en levenden te oordelen.
Het is waar, Hollebeek wil het beslist toegeven, verdienen doen wij met onze kerkgang niets. Maar het is slechts één kant van de zaak, een andere kant ervan is, dat kerkgangers in ieder geval onder de middelen komen. Woord en Geest moeten de zondaar brengen tot geloof en bekering, maar de gewone weg van God is dat te doen in de kerk. Er is naar Gods eigen wil een nauw verband tussen middel en doel; is de zaligheid het doel dan zal men gebruiken moeten het middel; de mens scheide niet wat God verenigd heeft. Hollebeeks raad aan alle christenen is ernstig en aanhoudend de middelen te gebruiken en de Heere vurig te bidden om zijn zegen.
Bij deze vermaningen alleen laat Hollebeek het intussen niet, hij prijst 's Heeren dienst ook aan. De kerk noemt hij 's hemels lusthuis'. Niet alleen wordt er gebeden en wordt er gepreekt, maar ook troont de Heere daar op de Lofzangen Israels. Niemand kon vroeger ooit in het heilige der heiligen komen of hij moest gaan via het heilige, en niemand kon ooit komen in het heilige of hij moest gaan over het voorhof, als nu het voorhof de zichtbare kerk is, en het heilige de onzichtbare kerk en het heilige der heiligen de hemel dan ligt de toepassing voor de hand: niemand komt in de hemel dan wanneer hij ook kwam in de kerk!
Het gaan naar de kerk
De zondag mag niet te laat beginnen, zegt Hollebeek, er moet ruim tijd zijn ter voorbereiding van hetgeen men horen gaat in de kerk. Wie niet een trage maar godvruchtige kerkganger is zal niet nalaten al thuis wat te lezen in de Heilige Schrift en dat laten vergezeld te laten gaan van een gebed om het licht en de leiding van de Heilige Geest. Het aardse bant hij zoveel als maar enigszins mogelijk is ver uit hart en gedachten en hij overpeinst hoe goed het is straks te zitten onder het eeuwige Woord. Onderweg babbelt hij niet over dit of over dat maar richt zijn hart zich op wat hij straks horen mag. Met eerbied en ontzag betreedt hij het huis des Heeren, want God is een God vol majesteit en heerlijkheid. Met aandacht zet hij zich neer, grijpt zijn bijbel en leest wat. Doet hij een gebed, misschien achter hoed of boek, zijn ogen gluren niet, gelijk sommigen zich hebben aangeleerd, naar alle hoeken van de kerk, want zo'n bidden is geen bidden.
Onder de preek zelf geeft hij acht zowel op het Woord dat gepreekt wordt als op zichzelf, dat laatste met de bedoeling dat de toepassing niet verloren gaat. Tot zijn verdriet heeft Hollebeek opgemerkt dat er onder de hoorders zijn die steevast zitten te slapen, en dat ook zij wier mond geen ogenblik stil staat, zij hebben altijd wat te kletsen. Evenmin goedkeuren kan hij het gedrag van anderen die de tijd doden met niet anders te doen dan lezen. Is de dienst ten einde dan niet weghollen, wat ook voorkomt, en ook niet nieuwsgierig rondkijken, naar die of naar die of naar wat die of die aan heeft, maar liever overdenken hetgeen zo juist gehoord is, opdat de winst niet op één slag weer verloren gaat. Thuis gekomen dient men gelegenheid te zoeken om God te danken voor de weldaden die genoten werden.
De waarde van Gods Woord
Uit het bovenstaande is duidelijk geworden hoe hoog de prediking en vooral het Woord Gods zelf bij Hollebeek aangeschreven heeft gestaan.
In een apart traktaatje dat achterin zijn boek is opgenomen schenkt hij daar bijzondere aandacht aan. De volledige titel ervan luidt: 'Godts Woord in des zelfs Dierbaarheid een heilbegeerig Christen Tot een Naarstig, en Godvrugtig onderzoek en Betragtinge voorgestelt, en aangeprezen’.
Hollebeeks eeuw was de eeuw van de beginnende Schriftcritiek; een weerklank daarvan beluisteren wij daar waar hij zich keert tegen de vrij geesten die ook Gods Woord niet onaangetast laten. Al de schriften, schrijft hij, zowel van het Oude als het Nieuwe Testament zijn van God ingegeven en kunnen met het volste recht Gods Woord genoemd worden; en hij vervolgt dan: dit 'is een waarheid, die niet kan tegengesproken worden zelfs niet van den stoutsten vrygeest, en snoodsten ketter, als tot zyne eeuwige schande en verderf'. Wie hier meer van wil weten, zo voegt hij er aan toe, die leze het boek over de 'Waaragtige Wegen Gods' van 'die Groten Godgeleerden en Hoogleeraar T. H. van den Honert' en het boekje over de 'Ongeveinsde Christen' van 'dien bondige Uitlegger der Goddelyke Schriften, den Wel-Eerw. Heer N. Hartman'. Men ziet, de zaak was — om het modern te zeggen — al in discussie.
Op zijn eigen wijze heeft Hollebeek een steentje bijgedragen in deze verdediging van de inspiratie en het gezag van de Schrift tegenover de vrijgeesterij van zijn tijd door nog eens extra aan te tonen hoe vast de profetieën en beloften van het Oude Testament zijn, getuige het feit dat zij in Christus hun vervulling hebben gevonden.
Geen boek dat in het leven van de christen zo hoog mag staan als de Heilige Schrift. 'Duizende Martelaren, hoe bedreigt met de allervinnigste pynen, hoe aangezogt door de grootste beloften waren van Gods Woord niet af te brengen: het leven, hoe dierbaar liever willende verliesen dan Gods Woord verloochenen'; met andere woorden: men neme aan hen een voorbeeld!
Andere geschriften, welke het ook zijn, halen het niet bij de Heilige Schrift, leg ze in de 'weegschaal van een verligt verstand en geheiligd oordeel' en men zal zelfs van de 'beste Zedeschriften der Heidenen' moeten zeggen: 'gy zyt gewogen,
gy zyt gewogen, maar te ligt bevinden, en zy zyn als een laffe spyze in welke nog zout, nog honing is'.
De ’praktykboeken’
Speciale aandacht schenkt Hollebeek in dit verband aan de stichtelijke lectuur, de 'praktykboeken' van zijn dagen. Zijn ervaring is namelijk dat vele eenvoudige gemeenteleden geneigd zijn deze bijkans nog hoger dan de Schrift te waarderen. Zij speuren in deze boeken na de kenmerken van het ware geloof en van de ware bekering, evenwel zonder ooit tot zekerheid te komen. HoUebeeks bedoeling is allerminst al deze boekjes af te keuren, zelf beveelt hij aan het werkje van Witsius over de wedergeborene op zijn slechtst en de onwedergeborene op zijn best. En wat meer is, hijzelf geeft ook een hele reeks kenmerken waaraan een gelovig mens zich toetsen kan. Alleen, de bedoeling is niet de zielen der mensen daarmee onnodig in de duisternis te laten, integendeel ze brengen tot meer licht en zekerheid. De kenmerken die gesteld worden kunnen, naar zijn oordeel, te veel en te verwarrend zijn. Men kan ook eigen bevinding als een wet opleggen aan anderen. En dat vooral ziet hij als een groot gevaar voor het leven des geloofs. Maar laten wij hem zelf het woord geven. Onder Gods volk zijn er vele 'dewelke Gods Woord hoog schatten, en voor hun dierbaarste pant houden; 't zelve met lust en liefde hooren, leezen en bewarerh in een goet herte; dog die veel op hebben en werk maaken van praktykschryvers, die breedvoerig handelen van merktekenen, gestaltens en bevindingen, waaraan dan ieder zyn genadestaat moet toetzen en opmaken; ja van anderen na de zelve dan geoordeelt werden, en dus het verborgen harte (dat dog de Heere alleen bekent is; en niemant weet wat daar in 't geheim geschiet en omgaat, als een heilbegeerige zelfs) aan zyn naasten wert opengelegt; die dan van des zelfs werkinge na de belydenisse de, s monds behandelen, en bestieren, waar door een zwakke niet zelden geslingert; en van zyn genadestaat zwaar en twyffelmoedig komt te oordeelen, waardoor dan van zelfs tusschen Christenen, die zo, en tusschen Christenen, die van merktekenen, gestaltens en bevindingen anders (egter beide waarlyk den Heere vreezende) oordeelen; verwyderingen, verdenkingen en veroordeelingen van malkanders genadestaat gebooren worden, 't welk dan tot spot en veragting van weereldlingen en tot verdeeltheden, ja (zo God het niet verhoede) scheuringe zeer ligt en haastelyk koomen zal'. Om misverstand te voorkomen voegt Hollebeek wat verderop er aan toe: 'ik bidde, myn leezer. dat hy dog tegen my, nog tegen dit boekje geen de minste argwaan; of vooroordeel opvatten wil: als of ik het werk van Godvrugtige praktykschrjrvers wilde berispen, en zogt te bedillen; of dat ik een tegenzin en afkeer van het Israël Gods hadde, dat ryn van harte en heilig van wandel is, of dat ik de nauwgezette Godzaligheit niet was toegedaan'. Mijn enig doel is schrijft Hollebeek 'het misbruik van praktikaale boeken of boekjes die men zoveel leest als de Bybel, weg te nemen en dan de verdeeltheden onder Gods volk in 't stuk van de praktyk, was 't mogelyk; te verminderen, de eendragt en de eensgezintheit onder dezelve te vermeerderen’.
De onenigheden onder Gods volk in die dagen heeft Hollebeek hoog gezeten en zoals wij al hoorden, hij kon in dezen het gebruik van de praktykboeken niet geheel van schuld vrijpleiten. Wij geven hem daarover nogmaals het woord. ' 't Is dog zonder tegenspreeken waar, dat ieder praktykschryver zyn byzondere en van andere schryvers onderscheiden en verschillende gedagten en gevoelens heeft, niet alleen (want waarom zou hy dog 't zelfde schryven, 't geen anderen al voor hem geschreven hadden) maar ook ieder schryver heeft zyn byzondere liefhebbers, die hem en zyn schriften aanhangen, navolgen en verdedigen' en zo komt dan de verdeeldheid onder de christenen.
De oplossing die Hollebeek voor dit ernstige probleem gegeven heeft lijkt ons nog zo gek niet. Hij schrijft: 'Wy willen, by deze gelegentheit alle praktyk-schryvers in ernstige overweeginge geeven, of het in deezen tegenwoordigen tyd, die dog opgepropt is van praktikaale stoffe, niet hoognodig en zeer heilzaam zyn zoude, dat men alle Gereformeerde Christenen aanhoudent met allen yver opwekten tot het naarstig hooren, leezen en onderzoeken van Gods woordt? ' Men zal dan de leden van onze kerk, alle heilbegerige christenen langs een korter, beter, veiliger en heilzamer weg brengen tot de ware 'oeffeninge der Godzaligheit' en daar gaat het toch om! Met andere woorden: Terug tot de eenvoud van de Schrift!
Merkwaardig, niet alleen de 'vrijgeesten' van zijn tijd, zich onttrekkend aan het gezag van de Schrift, maar ook zijn eigen mensen heeft Hollebeek gelijkelijk dit moeten voorhouden. Hij was een eerlijk man die het mes naar twee kanten liet snijden. Tot behoud van de gemeente, ook van de ware praktijk der godzaligheid. Daarin mag maar één boek het allesbeheersende zijn, de Heilige Schrift, het levende Woord van God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1972
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1972
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's