Het onkruid tussen de tarwe II
Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker. En als de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid midden in de tarwe en ging weg ... Matth. 13 : 24—30 Matth. 13 : 36—43
Het goede zaad
Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker. Goed zaad. Dat wil zeggen: uit dat zaad kan nooit onkruid voortkomen. Intussen ...twee werkelijkheden grijpen hier in elkaar.
Het goede zaad is onmiskenbaar het Woord Gods, het Evangelie des kruises.
Dat moet gezaaid worden. Nu schijnt dat zaaien maar een heel eenvoudig werk te zijn. En toch . .. wat komen we er weinig aan toe. Zo maar in onze naaste omgeving een goed woord van Christus te spreken. In hoeveel gezinnen wordt er 's zondags nog even over de preek nagepraat in opbouwende zin?
Hoeveel ouders onder ons leggen hun kinderen de weg des Heeren bescheidenlijker uit? Aan u, lezer(es) het antwoord.
Het is blijkbaar nog niet zó eenvoudig als het zich op het eerste gezicht voordoet. Zaaien, jawel. Maar wat werkt de prediking uit? Komt het ons niet dikwijls voor als een machteloze bezigheid? Maar dan moet ik ook hierop antwoorden: De mens ziet aan wat voor ogen is. Jezus zegt immers in de verklaring van deze gelijkenis: Het goede zaad zijn de kinderen des Koninkrijks (vs 38). Maar zo straks hebben we gezegd dat het goede zaad het Woord Gods is. Was dat wel juist? Hier zegt Jezus het toch wel iets anders.
Toch is er geen bezwaar om zowel aan het één als aan het ander te denken. Met het zaad is in eerste instantie het Woord Gods bedoeld, dat in de hele wereld gepredikt moet worden. De vruchten daarvan openbaren zich in de kinderen des koninkrijks. Inzoverre kunnen zij het goede zaad genoemd worden. Wat is er dan gebeurd?
De waarheid Gods is belichaamd in vlees en bloed, het zaad is in mensen omgezet. Het valt in de aarde en sterft daar. Er schieten vruchten op; die vruchten heten kinderen des koninkrijks, tarwe van God op de wereldakker. Zonen of kinderen drukt de nauwe verbondenheid met dat Koninkrijk uit. Binnen dat Koninkrijk hebben diegenen een plaats, die niet uit de wil des mans, noch uit de wil des vleses, maar uit God geboren zijn.
Geboren door het levend en eeuwig blijvend zaad der wedergeboorte, hetwelk is het Woord Gods.
Zo ontstaat er ook verbondenheid van de kinderen des Koninkrijks met Christus, de Koning van dat rijk, die zelf in de aarde viel en stierf. In dat stervensproces nam Hij de Zijnen mee. Waar nu het evangelie des kruises gehoord en verstaan wordt in het geloof, worden wij met Christus verenigd in Zijn dood en opstanding ten eeuwige leven.
Zijn wij reeds kinderen des Koninkrijks, het zaad dat Christus zien zal, als vrucht van de arbeid Zijner ziel?
Het goede zaad zijn degenen, die door de scheppende daad van de levende God, van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest weten dat hun schuld is verzoend hun zonden vergeven zijn door Christus' dierbaar bloed. 'Ware en levende leden van het Rijk van Christus' (Kantt.)
Tarwe op de akker dezer wereld. Dat zijn de kinderen, die er weet van hebben: u dan heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden.
De ontwikkeling
We hebben de vorige keer al opgemerkt dat de ontwikkeling van deze gelijkenis bijzonder dramatisch is. Immers er is nog een zaaier.
De avond is gevallen, de nacht is gedaald waarin de mensen, ook onze bouwboer, allemaal slapen. Echter één is er klaar wakker. Hij beidt zijn tijd. Hij heeft met ongeduld de tijd afgewacht dat de duisternis zich over de aarde legde. Hij heeft de uren af zitten tellen, de minuten wellicht. Die éne is de vijand van onze landman. Terwijl de mensen slapen sluipt hij naar buiten. Bedekt door de duisternis gaat hij naar de akker. Hij heeft óók een zaadbak bij zich, vol met onkruid-zaad. Hij strooit over het goede zaad heen; behoedzaam en behendig zonder ook maar een hoekje over te slaan. Hij strooit onkruid, een soort wilde tarwe, dat je — vooral wanneer het pas opkomt — nauwelijks van de echte tarwe kunt onderscheiden.
En als de mensen sliepen kwam zijn vijand. Al zijn haat strooit hij uit in de vorm van zaad.
Nee, de tarwe kan hij niet meer uit de akker halen. Het goede zaad dat gestrooid is niet meer ongedaan maken. Maar er overheen strooien kan hij wel. Zo staat het er ook letterlijk. Hij zaait er over heen. Geruisloos, maar zeker. Ziezo ... hij wrijft in zijn handen', hij lacht in zijn vuistje hij sluipt weer weg, beschermd door dezelfde duisternis als toen hij zijn schennende voet op de akker van onze landman zette.
En de vijand, zo noemt Christus hem in VS. 39, de vijand, de bewuste, de enige eigenlijk, die de grote Zaaier heeft, is de duivel. De grote tegenwerker en tegenstander, de dwarsbomer van God en Zijn gezalfde.
Zo wordt de akker het spanningsveld tussen het Licht en de duisternis, tussen het Rijk van God en het rijk van de Boze. Tevens wordt ieder van Gods kinderen in die strijd betrokken. Maar het laatste woord zal eenmaal aan God en Zijn Christus zijn. Op grond van die belofte breken wij voor dit keer af niet met onze laatste blik op de boze vijand, maar op Hem die als Koning moet heersen, totdat God al zijn vijanden aan zijn voeten gelegd zal hebben.
Ons laatste woord is ditmaal: Zo zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, die ons heeft liefgehad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1972
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1972
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's