De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

9 minuten leestijd

Dr. G. W. de Jong, De theologie van dr. G. C. Berkouwer, Een structurele analyse, 272 blz. ƒ 22, 50. Kok, Kampen 1971.

De amsterdamse dogmaticus, prof. dr. G. C. Berkouwer heeft een lange rij publicaties op zijn naam staan. Zijn oeuvre omvat naast de reeks Dogmatische Studiën en zijn boeken over Rome en Barth talloze artikelen, die in verschillende tijdschriften en bundels gepubliceerd werden. Zijn invloed op een deel van de Gereformeerde kerken, met name vele jongere theologen, is groot. Als we de hoogleraarsposten optellen, die bezet worden door leerlingen van Berkouwer, mogen we zeggen dat hij school gemaakt heeft. Ook buiten de kring van de Gereformeerde kerken, in ons land en daar buiten, wordt zijn theologisch werk in de discussie betrokken.

Bij een zo omvangrijk oeuvre rijst de vraag: Wat zijn de theologische achtergronden van dit werk? Welke lijnen tekenen zich in Berkouwer's boeken af? Valt er een ontwikkeling te bespeuren, of is de auteur zich gelijk gebleven? Welke plaats neemt hij in de contemporaine theologie in.

Ter gelegenheid van Berkouwer's vijfentwintig jarig ambtsjubileum in 1965 zijn er enkele artikelen verschenen over de plaats en de betekenis van Berkouwer's theologisch denken, waarbij we op de eerste plaats wel mogen zetten het heldere en duidelijke opstel van Berkhof in de aan Berkouwer aangeboden feestbundel Ex Auditu Verbi, getiteld: De methode van Berkouwers theologie. In het blad 'Wapenveld' schreef dr. R. H. Bremmer enkele jaren geleden een drietal artikelen over Bavinck, Berkouwer en Kuitert (helaas niet vermeld en besproken in deze dissertatie). Een grotere publicatie ontbrak evenwel.

Thans echter ligt de dissertatie van dr. De Jong voor ons, die een structurele analyse probeert te geven van Berkouwers theologie. Men lette op de ondertitel! De Jong gaat niet in op de vraag, welke plaats Berkouwer thans inneemt in de Gereformeerde theologie. Evenmin komen de historische verbanden, zoals de relatie tot Bavinck, de verschillen met Berkouwers voorgangers aan de VU aan de orde. Nee, de auteur beperkt zich tot een structurele analyse, met op de laatste pagina's enkele kritische vragen.

De auteur heeft het zich met de keus van zijn onderwerp niet gemakkelijk gemaakt. Niet slechts vanwege de enorme hoeveelheid stof die verwerkt moest worden, maar veeleer vanwege het feit, dat het altijd een waagstuk blijft te schrijven over de theologie van iemand, van wie wekelijks nog publicaties verschijnen. Bovendien vormen de aard van Berkouwers boeken en de vaak wat moeizame schrijftrant van de amsterdamse hoogleraar een extra complicatie voor iemand die een analyse wil geven. Een boek van Berkouwer betekent immers dat de lezer een ongelofelijke veelheid Schriftgegevens voorgezet krijgt, ingeleid wordt in een groot aantal problaamstellingen, maar aan het eind toch vaak met de vraag blijft zitten: Wat is de visie van de auteur zelf? Dat behoeft geen afbreuk te doen aan de waarde van Berkouwers oeuvre. Juist in onze tijd, waarin het huidige theologische denken zich in een wirwar van vragen bevindt, is het goed, als iemand de probleemstellingen en de vragen die in het geding zijn, aan de orde stelt in een breed kader van exegetische en dogma-historische , bezinning.

Maar laat ik terugkeren tot het boek wat ter bespreking voor ons ligt. Het bestaat uit vijf hoofdstukken. Hoofdstuk I gaat in op de correlatiemethode die Berkouwer van meet af in zijn werk toepast. Vanuit de verbondsgedachte ziet Berkouwer de correlatie enerzijds als Gods zich openbaren in de geschiedenis, Gods Woord, dat ons gegeven is als heilige Schrift, anderzijds als ons werkelijk menselijk geloven in de zich openbarende God. Ook in de dogmatische studiën is deze correlatiemethode van meetaf toegepast en tegenover elke vorm van speculatief-scholastisch denken kerygmatisch-existentieel uitgewerkt. Tegenover de joodse correlatie wijst Berkouwer op de unieke relatie waarin de mens staat tegenover de zich openbarende God. De volgende hoofdstukken, getiteld 'Het geheim' en 'De grens' gaan in op de vraag hoe het geloof betrokken is op de openbaring, en wat de consequenties daarvan zijn voor het theologisch denken. Wij mogen niet meer zeggen dan het onuitputtelijk trinitarisch geheim van de zich historisch openbarende God. Dat is een gaan buiten het Woord om. De pastoraal-existentiële benadering wijst de grens aan, die we in onze bezinning niet mogen overschrijden. Het boodschap-karakter van de openbaring is op de verkondiging gericht. En deze verkondiging roept op tot geloof. Als correlaat van de openbaring Gods wordt de gelovige aangewezen, niet de redelijk denkende mens. Alleen in het geloof, dat zich houdt aan de bijbelse boodschap (wat toch geen biblicisme wil zijn) kan nagedacht en gereflecteerd worden over de openbaringsinhoud.

Dr. De Jong laat zien hoe dit respecteren van de grens telkens doorklinkt in de verschillende dogmatische studies. Geheim en grens bepalen ook het spreken over de relatie van geloof en wetenschap (hoofdstuk IV) en theologie en cultuur (hoofdstuk V). Binnen de correlatie heeft de wetenschappelijke bezinning zijn plaats, als een voortgaande bezinning die steeds nieuwe kennishorizonten ontsluit. De correlatie van ons horen en het Woord Gods staat immers niet buiten de historische ontwikkeling en draagt geen tijdloos karakter. In dit hoofdstuk analyseert de auteur vooral Berkouwers boek 'De algemene openbaring', en gaat hij in op de mensbeschouwing die aan Berkouwers spreken ten grondslag ligt.

De auteur wijst in het slothoofdstuk op de betekenis van de christologisch-soteriologische concentratie ten dienste van een verkondigend spreken bij Berkouwer. In de slotbladzijden stelt hij enkele vragen, met name de vraag of de cultuurfunctie van de dogmatiek voldoende tot zijn recht komt. De schrijver wil de functie van de dogmatiek breder zien dan de verkondigingssituatie, om ook datgene ter sprake te brengen wat niet direct aansluit bij ons geestelijk klimaat. Dr. De Jong wil de formele autoriteit van de Schrift in deze meer honoreren dan Berkouwer doet. Hij meent overigens met zijn pleidooi voor een dialogische theologie, waarin de subjectiviteit vanwege de relatie Godmens ten volle de aandacht krijgt en niet verdrongen wordt uit angst voor een aangepaste theologie, in de lijn te blijven van Berkouwer zelf, die in zijn theologisch werk steeds de dialoog met mens en wereld zo beklemtoond heeft.

Wij zullen, zo meent De Jong, "de cultuursituatie breed ter sprake moeten brengen, omdat Gods Woord zozeer in handen der mensen is gelegd, en in mensenwoorden tot ons komt. De vraag rijst dan direct: Hoe bedoelt de schrijver dit? Wat betekent dit voor de vertolking van het Schriftgetuigenis? Wat is het verschil met de moderne theologie waarin aan de mens ook zoveel speelruimte gegeven wordt? Op deze vragen krijgen we geen antwoord.

Dat is m.i. de zwakte van dit boek. De schrijver heeft geprobeerd een weg te vinden in het veelomvattend oeuvre van Berkouwer. Als zodanig bevat zijn boek menig interessante passage. Maar mijn indruk is toch dat dr. De Jong teveel in de analyse is blijven steken. Een zekere wijdlopigheid is aan het werk niet te ontzeggen, wat de helderheid niet ten goede komt.

De auteur spreekt op blz. 231 van een geleidelijke verschuiving, met name inzake de behandeling van het Schriftvraagstuk. Van welke aard is deze verschuiving en wat zijn de achtergronden? Wat betekent het Er staat geschreven, in de verschillende in de loop der jaren verschenen studies van Berkouwer? Op deze vragen krijgen we evenmin antwoord. De auteur memoreert wel de wijziging die zich bij Berkouwer voltrokken heeft in zijn benadering van Barth en Rome, wijst op de ontdekking van het echte gesprek vanuit de voortgaande bijbelstudie, maar geeft niet duidelijk aan, in hoeverre dit alles mede te maken heeft met een veranderde visie op het Schriftgezag. Raakt deze veranderde visie alleen de aard van het Schriftgezag of is de Schriftbeschouwing van Berkouwer als geheel gewijzigd? En in hoeverre kan men bij Berkouwer spreken van kontinuïteit in zijn opvattingen, vanaf zijn proefschrift uit 1932 tot op vandaag. De auteur meent dat kontinuïteit ontwikkeling niet uitsluit. Dat is ten volle waar. Maar de vraag is wel: Van welke aard is deze ontwikkeling? Heeft Berkhof met zijn spreken over drie fasen Berkou­wer toch niet beter begrepen dan de auteur van dit proefschrift?

Deze vragen klemmen temeer, omdat in de discussies binnen de Gereformeerde kerken, de conflicten rondom Kuitert en Augustijn, menigmaal gevraagd wordt: Welk standpunt neemt Berkouwer in dezen in? Heft hij een beschermend schild op boven de als ongereformeerd bekritiseerde gedachten van zijn jongere collega's, of werkt hij een dam op? Ook na lezing van dit boek kan ik me toch niet aan de indruk onttrekken dat de eenzijdige hantering van de correlatiemethode, de existentialisering van de dogmatische bezinning, de aandacht van het menselijk antwoord, de huidige ontwikkeling heeft voorbereid, m.a.w. dat Kuitert e.a. lijnen doortrekken, waarvan het beginpunt bij Berkouwer te vinden is. Het zou veel verhelderen als Berkouwer b.v. Velema's analyse en critiek van Kuitert's theologie eens aan een uitvoerige beoordeling onderwierp.

Jammer is ook dat de schrijver de critiek van Arntzen op Berkouwers kerygmatisch spreken inzake alverzoening, gericht, hemel en hel niet behandelt, zelfs niet vermeldt. Mijn totaalindruk is, dat dit uitvoerige werk daarom toch wat boven de vragen blijft zweven, en dat de problemen waar met name de Gereformeerde kerken mee te maken hebben, onder een Iawine van woorden en citaten verborgen worden, en niet mee spreken. Berkouwers theologisch werk is immers niet los te denken van deze kerkelijke problematiek. Daarom betreuren we het dat dr. De Jong zijn analyse zo weinig in dit kader plaatst. Zeker, wij mogen een theologische dissertatie die aan een bepaalde opzet gebonden is, niet overvragen. Wij hadden wel graag een wat actuelere behandeling gezien van een zo specifiek eigentijds onderwerp.

Tenslotte moet me van het hart, dat ik het boek stilistisch bijzonder zwak vindt. De vele tussenzinnen maken het moeilijk leesbaar. Op vele bladzijden maakt het boek de indruk haastig en slordig geschreven te zijn. Het boek zou bovendien aan betekenis gewonnen hebben, als de schrijver behalve de literatuurlijst ook een zaakregister had toegevoegd. Mijn erkentelijkheid en waardering voor de poging tot analyse van Berkouwers werk nemen toch niet weg dat men dit proefschrift na lezing teleurgesteld uit handen legt, omdat de eigenlijke vragen wat in de mist blijven hangen.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1972

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1972

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's