Boekbespreking
Prof. dr. K. Runia, Prediking en historischkritlsch onderzoek, Kamper cahiers, nr. 19, 32 blz. ƒ 4, 95. Kok Kampen, 1972.
Op 27 januari jl. aanvaardde dr. K. Runia het ambt van hoogleraar in de ambtelijke vakken aan de Theologische Hogeschool te Kampen, met het uitspreken van een rede die thans in een keurige uitgave in de bekende serie 'Kamper cahiers' voor ons ligt.
De nieuwbenoemde hoogleraar stelt daarin een wel zeer actuele zaak aan de orde, nl de wijze waarop het historisch-kritisch Schriftonderzoek van invloed is op de prediking, en de houding die een Gereformeerd theoloog daar tegenover moet innemen.
Gelet op het feit dat Reformatie en prediking nauw bijeen horen, dat we in een van de Reformatorische belijdenisgeschriften zelfs lezen: De prediking van het Woord Gods is het Woord Gods, zal ieder direkt overtuigd kunnen zijn van het belang van het in dit cahier aan de orde gestelde onderwerp.
De auteur laat zien, hoe onder invloed van het sinds de Aufklarung opgekomen historisch-kritisch onderzoek de reformatorische visie op de relatie tussen Schrift (tekst) en prediking wordt aangevochten. De 'Sache' van het Woord Gods ligt volgens velen niet meer in de tekst, maar achter de bijbeltekst.
Vele standpunten passeren de revue: Pannenberg, Ebeling, Fuchs, Bultmann, v. Rad, Hesse e.a. Op het historisch-kritisch standpunt pretendeert men te werk te gaan met de zuiver historische methode, als een methode die algemeen geldigheid heeft en op elk willekeurig geschrift kan worden toegepast.
Runia laat zien hoe deze zuivere historische methode opereert met een filosofisch werkelijkheidsbegrip, een geseculariseerde visie op de werkelijkheid, gebaseerd op de wetten van uniformiteit, analogie en causaliteit. Alles wat niet met deze wetten gemeten kan worden, wordt als niet-historisch afgedaan.
Echter in de Schrift gaat het om de geheel eigen werkelijkheid van de heilsgeschiedenis. De Schriftonderzoeker zal uit hebben te gaan van het apriori des geloofs, dat we deze bepaalde geschiedenis die ons in de Bijbel verhaald wordt, aanvaarden als Gods geschiedenis met mensen. De historische methode mag alleen toegepast worden in het kader van het aan de Schrift zelf ontleende werkelijkheidsbegrip. In dit verband wijst Runia op de geladen betekenis van het begrip 'getuigenis' (getuigen van wat zij gezien en gehoord hebben).
De technieken van het historisch-kritisch onderzoek mogen gebruikt worden, mits binnen het raam van de Bijbelse vooronderstellingen, en mits ze het beter verstaan van de tekst dienen. Het is de tekst die we als Woord Gods aanvaarden. Deze tekst mag een lange geschiedenis hebben, we mogen toch niet vergeten dat deze bepaalde tekst die we in de Bijbel voor ons hebben aan de kerk van alle eeuwen als Woord Gods is meegegeven.
In de moderne theologie gaat men scheiden tussen dit en interpretatie (Hesse, v. Rad, Bultmann e.a.). Dat leidt tot reductie en verschraling. Tot een vervaging ook van de geloofsinhoud ten gunste van een existentialisering van het geloofsbegrip. Feit en interpretatie zijn nooit van elkaar te scheiden, maar horen onlosmakelijk bij elkaar als de 'Sache' waar het om gaat. De pogingen om via vormhistorische methoden te scheiden tussen feit en interpretatie leiden tot geen enkel resultaat.
Maar niet slechts zijn feit en interpretatie onafscheidelijk verbonden, daarachter ligt de nog diepere dimensie dat ten diepste deze interpretatie in de feiten zelf ligt opgesloten. Het is niet zo, dat bepaalde feiten via een latere interpretatie tot heilsfeiten werden. Nee, de interpretatie is van meet aan niet anders dan de ontvouwing van het feit zelf. De 'Sache' ligt dus voluit in de tekst zelf, in een normatieve combinatie van feit en interpretatie. De schrijver illustreert dit aan enkele voorbeelden uit O.T. en N.T. Op deze wijze verstaan is er geen kloof tussen de Reformatoren en ons, aldus Runia, maar is onze arbeid met behulp van de moderne technieken van onderzoek de legitieme voortzetting van de arbeid der Reformatoren, met als doel de Schrift, zoals zij voor ons ligt steeds dieper te verstaan.
Runia gaf ons een belangrijke rede, waarin naar mijn mening fundamentele critiek wordt geoefend op de moderne methoden en vooronderstellingen van het Bijbelonderzoek. Terwijl de auteur anderzijds recht poogt te doen aan het feit, dat in het Schriftonderzoek de Bijbelschrijvers niet uit te schakelen zijn.
Mijn vraag is wel, of Runia niet te optimistisch is ten aanzien van het gebruik van de technieken van het historisch-kritisch onderzoek, los van de vooronderstellingen.
Zeker, wij kunnen en mogen onze winst doen met hetgeen in allerlei commentaren en monografieën van kritische zijde geboden wordt tot dieper verstaan van de tekst. Maar dat betekent nog niet het overnemen van een methode. Kan men techniek en vooronderstelling zo van elkaar scheiden en losmaken? De auteur ziet dat ook zelf wel, en wijst er op dat we kritisch moeten blijven staan ten opzichte van deze technieken, spreekt van een 'soms' in het beter verstaan van de Schrift. Inderdaad bieden allerlei resultaten van de redactiehistorische methode, die hierop neerkomt, dat elke evangelist zijn eigen theologisch visie heeft, verrassende perspectieven in het verstaan van b.v. parallelle pericopen. Tegelijk moet echter gezegd worden dat deze methode als methode direct het probleem oproept van de eenheid en de verscheidenheid binnen de ene canon. Leidt een consequente toepassing van deze methode binnen het raam van het historischkritisch onderzoek toch niet tot een bundel van elkaar weersprekende theologieën? Kan men op het standpunt dat de auteur zelf inneemt ten aanzien van de verstrengeling van feit en interpretatie, en de openbaringsbetekenis van de interpreterende getuigen, helemaal ontkomen aan de harmonisatie van de Schriftgegevens? Ik denk b.v. ten aanzien van de opstandingsberichten. Al te dikwijls heeft men juist met behulp van de techieken proberen aan te tonen dat de Evangelisten elkaar op dit punt weerspraken en dat men dus aan verschillende Schriftgegevens 'geen boodschap had', gezien de elkaar weersprekende overleveringen.
Het bezwaar tegen een wat te onkritische scheiding tussen methode en vooronderstelling van het door de Aufklarung opgekomen historisch-kritisch onderzoek, en de wat verwarrende wijze waarop de schrijver zelf deze uitdrukking gebruikt (ondanks de toelichting, op blz. 9) nemen toch onze grote waardering voor deze boeiende en inhoudsrijke rede niet weg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's