De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Heeft de Bijbel dan toch gelijk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Heeft de Bijbel dan toch gelijk

8 minuten leestijd

Nadat wij de vorige maal gezien hebben, wat de betekenis is van het gezag van de Bijbel voor het leven van het geloof, komen wij nu bij de behandeling van artikel 5 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis tot de vraag hóe het Schriftgezag doorstraalt in het hart der gelovigen. Is er iets of iemand te noemen buiten de Schrift Zelf, op gezag waarvan of van wie het Woord van God entree bij ons krijgt? Of is het enkel en alleen het Schriftgetuigenis Zelf, dat voor de doorwerking van het Schriftgezag zorgt? We zouden dan kunnen zeggen: De Bijbel vecht voor zichzelf. Het Woord Gods behoeft geen bewijzen van enige instantie buiten dat Woord van God zelf. Wij behoeven God niet te bewijzen, wij behoeven de waarheid van de Bijbel niet aan te tonen. Er is het objectief getuigenis des Geestes in en door de Schrift, waardoor het Schriftgetuigenis met onweerstaanbare kracht op de mens afkomt, zodat hij ervoor valt. Zo ongeveer spreekt prof. dr. Th. L. Haitjema.

Uitdagingen van het ongeloof

Als wij een antwoord zoeken op deze vragen, herinneren we eerst aan wat we de vorige keer naar voren brachten over de autopistie van de heilige Schrift (de geloofwaardigheid van de Schrift door zichzelf). De Schrift is inderdaad geloofwaardig in zichzelf. Zo dient zij zich ook aan. Zij vraagt nooit en nergens vanuit een zekere hulpeloosheid of verlegenheid om bewijskracht van onze kant. Wel zijn er door de loop der eeuwen niettemin heel wat pogingen aangewend om toch op één of andere manier God en de Bijbel te bewijzen. De kerk en de christenheid is daartoe vaak uitgedaagd door het ongeloof. De Schrift is vaak voor de rechterstoel van de wetenschap gezet. Daar zou een lang verhaal over te schrijven zijn. Een verhaal, dat vertelt van de bijtende spot van Celsus (eind tweede eeuw na Christus), die de opstanding van Christus uit de doden twijfelachtig vond, omdat de Heere Zich dan toch maar niet vertoond had aan Zijn vijanden. Dat had Hij moeten doen. Dan zou Hij geloofd zijn. En de Voltaire der oudheid, Porfyrius (derde eeuw na Christus) redeneert al net zo. Het verhaal over de opgestane Jezus is verdacht. Waarom is Hij niet verschenen aan Pilatus, Herodes, de Hogepriester of aan de Romeinse senaat? Dat zou heel wat meer effect hebben gehad dan een verschijning aan een vrouw van verdachte zeden als Maria Magdalena!

Of om nog een greep te doen uit dit lange verhaal van aantijgingen, waarmee de autonome wetenschap zich op de Schrift heeft geworpen. De dagen van de historische critiek, waaraan namen verbonden zijn als die van Wellhausen, Kuenen, Strausz, Renan enz., liggen nog niet zolang achter onze rug. 'Deze critiek behandelde de Evangeliën als een sprookjesmagazijn' (Aldus dr. N. J. Hommes in Cultuurgeschiedenis van het Christendom, deel I, blz. 210). Zij 'liet Jezus wandelen als een dromer, een idealist, een prediker van humaniteit langs het meer van Gennesareth'. Trouwens wie weet niet, dat ook in onze dagen dit oud-modernisme uit de vorige eeuw met zijn felle Schriftcritische instelling weer met vernieuwde kracht de kop opsteekt? ! Er is niets nieuws onder de zon, ook al wordt het alszodanig van de daken gepredikt. De Schrift heeft het voor het forum van de wetenschap al o zo vaak moeten ontgelden. En helaas moeten we constateren, dat de weg van de historische critiek, waarbij men het wezenlijke van de Bijbelse boodschap met aftrek van het mythologische beweerde te willen bewaren en veilig te stellen, vaak is aangediend als een, ja hèt antwoord op de uitdagingen van het ongeloof.

Doodlopende wegen

Daarnaast zouden nog vele andere voorbeelden te noemen zijn van pogingen om God en de waarheid van de Bijbel te bewijzen. Gods bewijzen zijn er bij overvloed opgesteld. En ontelbaar vele zijn de pogingen om de redelijkheid van het christelijk geloof aan te tonen. Daartegenover moeten we stellen, dat al die wegen vroeg of laat doodlopen. Wie kan met behulp van filosofische methoden of met behulp van archeologische vondsten uiteindelijk voor het ongeloof bewijzen, dat de Bijbel toch gelijk heeft? ! Met dat laatste is niets gezegd ten nadele van het werk van archeologen, die ons de wereld van de heilige Schrift beter kunnen doen verstaan. Maar wel moeten we goed vasthouden, 'dat we van hieruit geen instantie kunnen aandragen, die de geloofwaardigheid van de Schrift van buitenaf 'objectief zeker' vaststelt. Nogmaals, deze wegen lopen dood. Er is maar één Instantie, die dat kan. Dat is dezelfde Geest, als Die de Schriften ingaf.

Zelfs de blinden kunnen het tasten

Nu lijkt het echter, alsof artikel 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis toch ook de waarheid van de Schrift gaat bewijzen door te wijzen op de profetieën van de Bijbel, die dan toch maar allemaal uitkomen. De laatste zin van het artikel luidt aldus: 'En dewijl de Bijbelboeken ook het bewijs van die bij zichzelf hebben: gemerkt de blinden zelf tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden'. Wordt op deze manier toch weer niet de waarheid van de Bijbel aangetoond met een voor ieder doorzichtig en redelijk argument? Zelfs de blinden kunnen het tasten. Dr. J. Koopmans vindt, dat 'dat laatste teveel is gezegd'. Hij merkt op, dat Calvijn in zijn Institutie wel wat Schriftbewijzen opsomt, die de reeds gelovende in zijn geloof kunnen versterken. En ook dat vindt hij reeds bedenkelijk. Maar dat de blinden het dan ook nog een keer tasten kunnen, nee, dat is werkelijk 'teveel gezegd'. Trouwens, zo zegt hij, de oorspronkelijke tekst van Guydo de Brés ten aanzien van deze slotzin van artikel 5, waarin de opmerking over de blinden niet voorkwam, is, door de Antwerpse Synode, die de tekst reviseerde, verslechterd.

De Schrift en de geschiedenis

Wat hiervan te denken? Ik meen, dat we geen lang betoog nodig hebben om duidelijk te maken, dat het de bedoeling van onze geloofsbelijdenis niet is om bewijzen van de Bijbel van buitenaf aan te dragen en zo haar geloofwaardigheid te versterken. In de eerste plaats valt het op, dat de zin over de blinden aan het eind van het artikel staat. We moeten haar lezen met het andere als achtergrond. Met andere woorden: hier vinden we een geloofsuitspraak, die niet veronderstelt, dat inderdaad iedere ongelovige (blinde) als hij slechts van goede wille is, de waarheid van de Bijbel zal onderschrijven. Maar deze geloofsuitspraak roept het als het ware zelfs de blinden toe, dat de Schriften Zichzelf bewijzen in hun uitkomst in de geschiedenis. De woorden Gods zijn zo waarachtig, dat de geschiedenis hun waarachtigheid zal aantonen. Dat staat voor het geloof vast. Dat roept het geloof het ongeloof toe. In de tweede plaats wordt door deze zin over de blinden de autopistie (eigen geloofwaardigheid) van de Schrift dubbel onderstreept. De Schrift heeft het bewijs van haar waarheid bij (in) zichzelf. Zij bewijst zichzelf o.a. in het uitkomen van de profetieën. Die onomstotelijke betrouwbaarheid van de Schrift wordt zelfs de blinden voorgehouden. Zo rotsvast is dat. In de derde plaats spreekt ook de Bijbel zelf in deze zin. Volgens Deuteronomium 18 is het woord van een profeet des Heeren te toetsen aan het geschieden van dat woord: Wanneer die profeet in de Naam des Heeren zal hebben gesproken en dat woord geschiedt niet en komt niet, dat is het woord, dat de Heere niet gesproken heeft' (vs. 22). Ook Paulus, sprekende tot koning Agrippa, roept deze op om zijn woord op het gebeuren in de dagen van Jezus' lijden en sterven te toetsen. 'Ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand ...; want ik geloof niet dat de koning iets van deze dingen verborgen is, want het is in geen hoek geschied' (Hand. 26 : 25, 26). Verder mogen wij toch met recht aan elke blinde vragen, of het soms niet waar is, dat de wereld door het water is vergaan, gelijk Noach heeft voorspeld en of het soms niet waar is, dat Jeruzalem is verwoest, gelijk Jezus heeft voorzegd. Wij roepen het ook iedere gelovige toe, dat hij het straks zal kunnen tasten, dat de Schrift waar is, wanneer de woorden van de Bijbel vervuld zullen worden en Christus de wereld door vuur gaat oordelen. In de laatste plaats wordt ook de slotzin van artikel 5 telkens weer bevestigd in de practijk van het leven. Zelfs de duivelen geloven en zij sidderen. En ook de meest verharde ongelovige heeft soms gesidderd voor de waarheid van Gods Woord.

De bijbelcriticus Lang (Zurich) schijnt op zijn sterfbed telkens geroepen te hebben: 'Hij heeft toch gelijk. Hij heeft toch gelijk'. En toen men hem vroeg, wie er dan toch gelijk had, antwoordde hij: 'De Bijbel'. Daarna stierf hij.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Heeft de Bijbel dan toch gelijk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's