De emancipatie der Gereformeerden
Dat er in de Gereformeerde Kerken de laatste jaren zo het een en ander is veranderd is voor ieder duidelijk. Nu is er een tweetal boeken verschenen, waarin de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken worden beschreven en die ons een dermate duidelijk beeld geven, dat het de moeite waard is er wat uitvoeriger bij stil te staan.
Het eerste is een proefschrift van dr. J. Hendriks, adjunct directeur van het Algemeen Diakonaal Bureau van de Gereformeerde Kerken. Hij beschrijft de emancipatie van de Gereformeerden, dat wil zeggen het proces waarin de Gereformeerden gelijke rechten en gelijkwaardige posities hebben verworven in de samenleving als anderen, vanaf het midden van de negentiende eeuw, toen het gereformeerde volksdeel nog een minderheid was en in de marge van de samenleving verkeerde zonder invloed te hebben naar buiten. Aan alle factoren, die tot emancipatie van de gereformeerden zouden leiden, werd voldaan, zo betoogt dr. Hendriks. Men had een gemeenschappelijke cultuur, vrij vertaald een gemeenschappelijk levenspatroon. Men beschikte over grote leiders. Met name de rol van de grote Abraham Kuyper in het vrijmakingsproces van de Gereformeerden wordt beschreven. Men had verder een bepaalde ideologie, dat wil zeggen een leerstellig systeem, waardoor men geïnspireerd werd om zich breed te maken in de samenleving, namelijk de leer van de gemene gratie, dat wil zeggen van de algemene genade, waardoor men zicht had op de hele samenleving. Op alle terreinen van het leven moest het gaan om de eer van God. Daarom moest de samenleving gekerstend worden en moesten zoveel mogelijk terreinen onttrokken worden aan de macht van de boze. Ik ga hier niet de hele leer van de gemene gratie uiteenzetten, maar wijs er volledigheidshalve op dat de gemene gratie onderscheiden wordt van de particuliere genade. De particuliere genade is zaligmakend. Daardoor wordt de wedergeboorte bewerkt. Bij de algemene genade gaat het om de natuur en het mensenleven, dat niet door de wedergeboorte in beginsel is vernieuwd, maar waarin door Gods goedheid {algemene genade) toch nog veel waars, goeds en schoons wordt gevonden. De laatste factor, die de emancipatie van de gereformeerden heeft bevorderd was de gunstige politieke situatie, die er toe bijdroeg dat de strijd voor gelijke rechten ook in politieke kring de nodige steun kreeg.
Vier fasen
Dr. Hendriks beschrijft dan vier fasen, waarlangs zich de emancipatie van de Gereformeerden heeft voltrokken. In de eerste fase (1860—1880) ontstond het streven naar emancipatie en daarbovenuit naar herkerstening van de samenleving. In deze fase is er alleen nog maar sprake van het protest, het appèl op het volksgeweten.
De tweede fase (1880—1920) is die van het streven naar macht door middel van strakke organisatievormen. In die fase wordt de breuk met andere (geestverwante) richtingen bewerkt en worden de gelederen gesloten. Men sticht eigen organisaties op alle terreinen van het leven: de christelijke politieke partij, de christelijke maatschappelijke organisaties en de christelijke culturele verenigingen.
Dan komt de derde fase (1920—1950), waarin het gereformeerde leven, zoals de schrijver zegt, verstart. Men heeft gelijke rechten verkregen en posities verworven in de samenleving. Dan komt de zelfgenoegzaamheid. Men heeft bereikt wat bereikt moest worden: een kerk, die er zijn mocht; politieke invloed via de A.R.P. in het parlement en in de regering; gelijkschakeling van openbaar en bijzonder onderwijs; organisaties op allerlei gebied. Men voelt zich tevreden in het isolement en wat daarin is verworven.
Wij gereformeerden!
Dan begint in 1950 de vierde fase, die van de verminderde eenheid in eigen gelederen — er ontstaan steeds meer interne tegenstellingen — en die van grotere aanpassing dan en affiniteit tot anderen, buiten de eigen kring (b.v. neiging tot aansluiting bij Wereldraad e.d).
De schrijver trekt de voorzichtige conclusie, dat de ontwikeling van deze laatste fase zich zal voortzetten en uit zal monden in een definitieve ontmanteling van het gereformeerde bolwerk, vermindering van de betekenis van allerlei christelijke organisaties en vermindering van eensgezindheid wat betreft de normen, die door de gereformeerden worden gehanteerd. De schrijver waagt zich niet aan een voorspelling of de ontwikkeling zal uitlopen op een uiteenvallen van het gereformeerde volksdeel, maar hij wijst toch wel in deze richting.
Verwarrende onderscheiding
Wanneer dr. Hendriks spreekt over de emancipatie van de Gereformeerden, dan bedoelt hij in feite de Gereformeerde Kerken. Niet zo gelukkig ben ik met de onderscheiding, die hij aanbrengt tussen gereformeerde gezindte en het gereformeerde volksdeel. Onder de gereformeerde gezindte verstaat hij al de gereformeerde denominaties buiten de Hervormde Kerk, terwijl hij zegt dat hier 'soms ook de Gereformeerde Bond toe wordt gerekend'. Welnu tegen dit laatste zou ik zonder meer bezwaar willen maken. De Gereformeerde Bond wil er niet soms toe, gerekend worden, maar behoort er gewoon bij, gezien het feit dat de geestelijke en theologische verwantschap met gereformeerde denominaties buiten de Hervormde Kerk heel sterk is. Met het begrip 'gereformeerde volksdeel' bedoelt de schrijver — in onderscheiding van de gereformeerde gezindte — het volksdeel dat historisch gezien verwant is aan de kleine luyden, die door Kuyper gemobiliseerd zijn om zich kerkelijk en maatschappelijk breed te maken. Ik acht deze term (gereformeerd volksdeel) misleidend. Vooral naar buiten! Ongemerkt wordt het gereformeerde leven zó vereenzelvigd met de Gereformeerde Kerken. De beschrijving van het boek van dr. Hendriks spitst zich tenminste op de Gereformeerde Kerken toe.
Het emancipatiebeeld, dat dr. Hendriks beschrijft, betreft deze kerken. Deze kerken bevinden zich volgens deze studie dus in de fase van de groeiende tegenstellingen, van verminderde harmonie en eensgezindheid als het over normen en dergelijke gaat. Welnu, daar is inmiddels geen studie voor nodig om dat te constaren.
De veranderingen in de Gereformeerde Kerken
Intussen is aan deze veranderingen in de Gereformeerde Kerken óók een studie gewijd door een aantal sociologen, die ik óók graag hier wil noemen. In een boek, getiteld 'De Veranderingen in de Gereformeerde Kerken', concentreren de schrijvers zich op de veranderingen in het aanvaarden en naleven van de 'gereformeerde zede' en de veranderingen in visie op de taak van de kerk in de wereld. De schrijvers wijzen er allereerst op, dat in de vijftiger jaren de hele generatie van belangrijke theologen uit de middengroep van de Gereformeerde Kerken welbewust een aantal aanpassingen 'aan de reeds lang ingetreden nieuwe tijd' tot stand heeft gebracht.
Te denken valt aan R. Schippers met zijn 'Gereformeerde Zede', aan G. C. Berkouwer en A. D. R. Polman met hun dogmatische werk (eerherstel voor Barth, beter begrip voor Rome), aan N.H. Ridderbos met zijn voorzichtig entameren (aansnijden) van nieuwere visies op Genesis. D. Nauta met zijn genuanceerde visies op het functioneren van Belijdenis en Oecumene.
Deze heroriëntatie vertoont parallellen met een soortgelijke omwenteling op andere levensterreinen. Het effect ervan blijkt in de opvattingen van de gemeenteleden ten aanzien van zondagsheiliging, b.v. ten aanzien van de zondagsport, de lijkbezorging, de houding tegenover moderne cultuuruitingen, de houding tegenover de nieuwe moraal, de visie ten aanzien van de homofilie en zovele onderwerpen meer. Het genoemde boek geeft op grond van enquêtes, die onder gereformeerden zijn gehouden, weer wat er in de Gereformeerde Kerk in dit opzicht aan opvattingen leven. En dan kan inderdaad duidelijk geconcludeerd worden dat de eenheid in belijden en de eenheid in beleven van de gereformeerde zede ver te zoeken zijn. Zélfs de stelling dat het de voornaamste taak van de kerk is om de weg der zaligheid te prediken, vindt lang niet bij alle gereformeerden meer instemming, hoewel nog wel bij een meerderheid.
De sociologen als pressiegroep?
Op één aspect is in beide boeken niet gewezen. Dat is op de grote invloed, die de sociologie momenteel heeft in de Gereformeerde Kerken. Er verschijnen nogal wat sociologische studies over de Gereformeerde Kerken. Nu wil ik bepaald niet het bestaansrecht van de sociologie betwisten, ook niet van de godsdienstsociologie. Zoals de sociologie alle verschijnselen in de samenleving wil bestuderen, zo kan ze dit ook doen aangaande het kerkelijk leven en alle verschijnselen dienaangaande. Wèl is echter van belang dat de sociologie zich houdt op haar eigen terrein en geen uitspraken doet over zaken die zij niet beoordelen kan, met name inzake theologische kwesties.
Bovendien mag zeker de sociologie zélf niet in een bepaalde richting stuwen, door bepaalde ontwikkelingen in de theologie of ten aanzien van de zede en dergelijke te stimuleren. In dit opzicht meen ik dat sociologen zich in onze tijd nogal eens aan grensoverschrijdingen schuldig maken. Dat is ook het geval met het boekje over de Veranderingen in de Gereformeerde Kerk. Daarin wordt niet volstaan met een beschrijving te geven van bepaalde verschijnselen. Maar daarin wordt op z'n zachtst gezegd ook positie gekozen. Er wordt nota bene een apart hoofdstuk gewijd aan de groep Synoodkreet, de pressiegroep die in de Gereformeerde Kerken m.éér aandacht vroeg voor ontwikkelingssamenwerking, de rassenproblematiek, oorlog en vrede, de homofilie en die zich in al deze zaken zéér progressief opstelde, terwijl van wezenlijke belangstelling voor het hart van de prediking inzake 'de weg der zaligheid' weinig meer te merken was. De waardering voor deze groep is in het boekje van de sociologen zó voelbaar, dat het boekje zeer tendentieus is onder een schijn van wetenschappelijkheid. Op deze wijze acht ik de sociologie een groot gevaar. Bovendien kan ook de wijze van vraagstelling bij enquêtes zó suggestief zijn, dat de weergave ervan ook verkeerd en tendentieus kan werken. Al met al meen ik dat er in de Gereformeerde Kerken een funeste invloed uitgaat van de sociologie.
Een baken in zee
Inmiddels blijft recht overeind staan het feit dat er zich de laatste jaren zeer ingrijpende verschuivingen hebben voorgedaan in de Gereformeerde Kerken en dat de tegenstellingen daar minstens zo groot geworden zijn als binnen de Hervormde Kerk, al vraag ik me af of het in de Gereformeerde Kerken allemaal niet veel sneller gaat en of er niet veel minder tegenkrachten zijn dan in de Hervormde Kerk.
Ik geloof intussen niet in de ijzeren dwang van sociologische wetmatigheden, waarnaar de ontwikkelingen in een kerk als de Gereformeerde Kerk zich zouden moeten schikken. Maar anderzijds is het wèl opmerkelijk dat het leven van de Gereformeerde Kerk kennelijk veel gemakkelijker sociologisch in kaart te brengen is dan van de Hervormde Kerk. Het is inderdaad duidelijk, dat er in de emancipatie van de Gereformeerden vier fasen te onderkennen zijn en dat men thans in de fase van de toespitsing van de tegenstellingen zit.
De vraag waarom het hier gaat is dan ook of het gereformeerde leven, zoals dat sinds Kuyper gestalte heeft gekregen, niet dóód georganiseerd is. Ik zeg dat ook daarom, omdat de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken een baken in zee zijn voor andere denominaties in de Gereformeerde Gezindte en voor de Gereformeerde Gezindte als geheel. Niets is namelijk gevaarlijker dan overspannen aandacht voor het organisatorische en niets is gevaarlijker dan de rust, omdat je bereikt hebt wat bereikt moest worden. Niets is ook gevaarlijker dan kerk te zijn, die erkend wordt. Je hebt je kerk, je kerkelijke organisaties, en de kerk wordt het eigenlijke waarom, het gaat. Dan wordt er afgoderij gepleegd met de kerk en de geest is eruit en het leven is eruit.
Zijn er in andere kerken binnen de Gereformeerde Gezindte niet soortgelijke symptomen te signaleren als binnen de Gereformeerde Kerken te onderkennen zijn? De schuren, waarin men in het verleden samenkwam, zijn vervangen door fraaie kerkgebouwen (niets op tegen overigens) en de maatschappelijke status van de leden is wat hoger geworden (ook niets op tegen). Men wordt méér en meer erkend. Maar als dat ten koste gaat van de vroomheid en het echte diep gewortelde gereformeerde leven in de geestelijke zin van het woord dan komt er een geweldige verschraling, die alle kiemen van de ontbinding in zich heeft.
Zulke gevaren bedreigen ook ons in de gereformeerde beweging in de Hervormde Kerk. Het is niet genoeg om kerkelijke erkenning te krijgen. Het is bepaald ook een schrale portie als we alleen op groei van 'onze' organisatie, van 'onze' Bond, van 'onze' groep, uitzijn en intussen het geestelijk leven taant. Als de geest eruit is, dan zou het wel eens kunnen zijn, dat we ten prooi vallen aan de sociologische 'wetmatigheden. Maar de Geest blaast waarheen Hij wil. En dat is een notie die door geen socioloog in kaart kan worden gebracht.
1 Dr. J. Hendriks: De emancipatie van de Gereformeerden; Uitgave Samson, Alphen a.d. Rijn, 289 pagina's.
2 Dr. G. Dekker e.a. De Veranderingen in de Gereformeerde Kerk; Uitgave J. H. Kok N.V., Kampen, 114 pagina's, ƒ9, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's