Uit de pers
Pro en contra de Wereldraad
Van 13-24 augustus vergaderde in Utrecht het Centrale comité van de Wereldraad van kerken. De NCRV zond onlangs een discussie uit tussen prof. dr. H. Berkhof en prof. dr. C. Graafland pro en contra de Wereldraad. In dit gesprek kwamen onder meer de theologische achtergronden ter sprake. We citeren uit Hervormd Nederland van 19 augustus:
Graafland: Is het nu werkelijk zo dat wat de Raad van Kerken naar voren brengt zo ver afstaat van wat de Wereldraad produceert? Ik denk b.v. aan het Wereldraad rapport dat destijds verschenen is over God, natuur en geschiedenis. Als ik dat leg naast zo'n proeve van een beginselverklaring vind ik nogal wat overeenkomsten. In beide documenten komt nl. een optimisme naar voren, een verbinding van het evolutionistisch denken van deze tijd en de bijbelse gegevens.
Ik heb dan altijd de indruk dat in dit oecumenisch spreken uiteindelijk de Reformatie in haar kern wordt weersproken. Het is alsof de theologie van Rome, met haar optimistische heilsbeschouwing, waarin de mens met zijn mogelijkheden het wint, in dit theologiseren dominant is.
Berkhof: Nou haal je heel wat overhoop. Je zegt dat dat studiedocument 'God in Natuur en Geschiedenis' een optimistisch, evolütionistisch wereldbeeld met de Schrift wil verbinden.
Als je het woord optimistisch schrapt, zeg ik het met je mee. Dat document heeft nl. trachten aan te tonen dat de evolutionerende wereld van de moderne mens en de vreemde bijbelboodschap van val en verlossing, van schuld en genade, niet twee verschillende werelden zijn waartussen gekozen moet Worden.
Juist de zondenleer is in dat boekje heel zorgvuldig en grondig ontwikkeld. Het maakt duidelijk dat juist als je evolutionair denkt, je moet inzien dat op een ogenblik in de schepping een schepsel ontstaat dat zo'n enorme vrijheid heeft dat hij van God kan afvallen. (Iets wat de dieren niet kunnen.) De zonde is om zo te zeggen een voortvloeisel van de evolutie. Maar dat maakt ook weer een totaal nieuwe inzet van God nodig om deze wereld weer in het spoor te krijgen. Dat is, dacht ik, de korte tendens van het boek. Ik zou het dus niet optimistisch willen noemen, tenzij in de zin van het geloof in de triomf van de genade.
Nu zeg jij: daar zit natuurlijk Rome achter. Dan moet ik nuchter bedenken dat jij een Gereformeerde bonder bent en dat deze uitspraken van de Wereldraad jou toch altijd het gevoel zullen geven dat je met een soort midden-orthodoxie te maken hebt. Maar jij zou moeten bedenken dat wij in de Wereldraad samen zitten met de wijde continentale kerken, met de Angelsaksische kerken en met de Oosters Orthodoxe kerken. Zodra wij iets zeggen dat goed-reformatorisch is moeten we daar ook voor vechten.
Graafland: Het gaat er mij natuurlijk niet om te zeggen: wat de reformatie beleden heeft dat is alles. Maar ik geloof wel dat de reformatie het wezenlijke naar voren gebracht heeft. Nu lijkt me het gevaar van het deelnemen in de Wereldraad van Kerken dat je zo complementair bezig bent: de reformatie heeft haar inbreng, maar er zijn nog veel meer benaderingen die ook wezenlijk willen zijn.
Uiteindelijk kom je dan bij een tussenweg uit waar de kerk van alle eeuwen altijd al voor gestaan heeft. Niet voor het zwart-wit, maar voor de tussenweg, het grijze van het semi-Pelagianisme, de uitdaging van de kerk om niet alleen met de genade, ook niet alleen met de mens, maar met een verbinding van beide een weg te vinden.
Berkhof: Ja, het gevaar van een zekere complementariteit, van het bijeenvegen van de verschillen is er telkens. Maar wanneer je het avontuur van de Wereldraad aanvaardt en gelooft dat de Heilige Geest gemeenten heeft gesticht van Argentinië tot Korea, en van Groenland tot Tahiti, en je hoort al die stemmen door elkaar, dan besef je dat dat een verzoeking is waar je doorheen moet.
De Wereldraad, die op het ogenblik op de grondvragen is teruggeworpen, wil daar bovenuit komen door een gezamenlijk formuleren van de hoop die in ons is.
Een dergelijke discussie heeft als nadeel, dat de dingen niet grondig uitgepraat worden. Mede ook door de geringe tijd, die een radio-uitzending biedt. Toch krijgen we het gevoel dat Berkhof, die tot op zekere hoogte Graafland's kritiek deelt. deze in een hogere synthese wil opnemen binnen het theologisch klimaat van de Wereldraad. En deze synthese betekent dan toch een soort 'midden-orthodoxie' op wereldniveau, in mondiaal verband. Wij menen dat daar nooit een krachtig getuigenis van kan uitgaan. En wat de dagbladen ons meedelen over de discussies in Utrecht bevestigt dit. Het is alles sterk horizontaal en politiek gericht. Soms krijgt men eerder het gevoel een verslag te lezen van een vergadering van verenigde naties, dan van een vergadering van Kerken.
Moderne oecumeniciteit
Natuurlijk mogen we niet blind zijn voor het belang van contacten met Christenen uit de wereldkerk, uit de ontwikkelingslanden, uit Azië en Afrika, uit Rusland en Griekenland. En dat er in de loop der jaren op het gebied van vluchtelingenwerk, hulpverlening etc. veel gedaan is, zullen we dankbaar mogen erkennen.
Maar de grote vraag is: In welke richting tendeert dit oecumenisch streven? Gaat het toch om éen wereldkerk? Hoe is de verhouding tot Rome? In Opbouw van 11 augustus schrijft prof. C. Veenhof hierover het volgende:
Voor wie de ontwikkeling der dingen in de Wereldraad volgt trekken daarin vooral drie verschijnselen de aandacht.
Vooreerst dit dat de mannen van de Wereldraad met taaie energie bezig zijn om de Rooms-Katholieke Kerk zo ver te krijgen dat ze ook in de Wereldraad gaat participeren. De Wereldraad staat om zo te zeggen met open armen naar de R.K. Kerk gekeerd. En wat hem betreft kan de wederzijdse omhelzing onmiddellijk een feit worden. Ongeacht paus, hiërarchie, mis, Mariaverering enz. enz.
De Roomse Kerk is evenwel (nog? ) niet zo ver. Wel is de tijd waarin de paus (Pius XI) de 'katholieken' zonder meer verbood aan oecumenische activiteiten deel te nemen voorbij. Op de Assemblee van de Wereldraad zijn zij thans vertegenwoordigd, neen (nog? ) niet door afgevaardigden, maar wel door 'waarnemers'. En deze blazen in het oecumenische concert een behoorlijke, ja zelfs een dominerende partij mee.
In één van de organen van de Wereldraad leest men over het optreden van deze rooms-katholieken in de laatste Assemblee: 'Hun aandeel in de gang van zaken bleek veel groter te zijn dan men uit deze uiterlijke omstandigheid (nl. dat ze slechts 'waarnemers' waren) zou concluderen. Verscheidene rooms-katholieken voerden het woord en hun directe en indirecte bijdragen tot de discussies legden merkbaar gewicht in de schaal. Zowel door de geest als door duidelijke uitspraken ervan maakte de Assemblee duidelijk dat de Wereldraad in principe niet een associatie van niet rooms-katholieke kerken is, maar dat zij bedoeld is een instrument te zijn van de éne oecumenische beweging'.
In deze woorden wordt niet alleen duidelijk gezegd dat de Rooms-Katholieke 'inbreng' groot was, maar ook en vooral wat de Wereldraad zelf beoogt!
Tot nog toe houdt de paus de boot van de Wereldraad-oecumeniciteit evenwel nog stevig af. Bij zijn bezoek aan het hoofdkwartier van de Wereldraad in Geneve in 1969 noemde hij die organisatie wel 'een wonderlijke beweging onder christenen, een beweging van de verstrooide (!!!) christenen, die zich opnieuw willen verenigen in één verband.' Maar hij diende zich daar tegelijk aan met de ongelofelijk pretentieuze woorden: 'Onze (majesteitsmeervoud!) Naam is Petrus!'
En Augustinus Kardinaal Bea, de leider van het door paus Johannes XXIII in het leven geroepen 'Secretariaat tot bevordering van de eenheid der christenen' schreef: Doel van het eenheidsstreven van de rooms-katholieken moet zijn: 'een eenheid van alle christenen, zich manifesterend in één gemeenschappelijk: de eucharistieviering binnen de structurele eenheid van de enige (!) en onverdeelde (!) kerk van Christus, zoals die door Christus van meet af aan aan Zijn kerk geschonken is, en zoals die naar katholieke overtuiging nog altijd voortleeft in de katholieke kerk.'
In ons land zijn de rooms-katholieken ook wat hun oecumenisch streven betreft de paus evenwel ver vooruit. In veel plaatsen vinden reeds gemeenschappelijke kerkdiensten en eucharistievieringen plaats.
In een van de grote plaatsen van ons land lagen korte tijd geleden vier geref. predikanten naast elkaar geknield voor het altaar in een Rooms-Katholieke Kerk om de 'heilige' hostie te ontvangen. En wat vooral van betekenis is: de Roomse Kerk van ons land is als gelijkwaardige partner vertegenwoordigd in de Nederlandse Raad van Kerken. De secretaris ervan is de roomse specialist in oecumenische aangelegenheden, prof. Fiolet, de man van het: één kerk of géén kerk'.
Het blijkt dat de tegenstellingen binnen de R.K. Kerk ook bepalend zijn voor de visie op de Wereldraad. De progressieve, modernistische vleugel van de Roomse kerk zoekt gaarne aansluiting aan de Wereldraad. Maar de vraag is dan wel of voor deze mensen het Credo van de kerk der eeuwen nog maatgevend is. Wat we ten onzent hier van lezen in publicaties van mensen als Fiolet doet het ergste vrezen. De klassieke belijdenis aangaande Jezus Christus wordt hier prijsgegeven voor een humaniserende visie op Jezus.
Dat raakt de gehele theologie. Onder meer ook de wijze waarop men de andere religies beziet. Er zijn in de Wereldraad stemmen opgegaan, die pleiten voor een 'oecumenische theologie' waarbij ook andere religies hun plaats kunnen innemen. We citeren nogmaals Veenhoff:
Een tweede verschijnsel in de huidige ontwikkelingsgang van de Wereldraad is dat daarin een nieuwe 'oecumenische theologie' gepropageerd wordt waarin niet alleen voor de christelijke religie, maar ook voor andere religies, religies die tot dusver als heidendom werden getypeerd, een gelijkwaardige plaats is.
Een duidelijke manifestatie van dit streven was te beleven op de bekende vergadering van het Centrale Comité die in het vorige jaar in Addis Abbeba werd gehouden.
Daar gaf nl. de grieks-orthodoxe metropoliet van Antiochië George Khodre een referaat waarin hij een schets gaf van deze nieuwe oecumenische theologie. Het heeft er alle schijn van dat deze schets voor de toekomst van de Wereldraad van doorslaggevende betekenis zal zijn.
De hoofdinhoud van het referaat van Khodre kan als volgt worden samengevat.
1. Tussen het Christendom en andere religies bestaat geen principieel onoverwinnelijk verschil.
2. God is in alle religies te vinden.
3. Aan de historische Jezus, Jezus van Nazareth, mag geen bijzondere unieke positie worden toegekend.
4. Men kan 'christen' zijn zonder in Jezus Christus te geloven.
5. 'Christus', die in geen geval met de historische Jezus, de Jezus van Nazareth, geïdentificeerd mag worden, kan in alle religies als het 'Licht' worden gevonden.
6. Zo kan een Brahmaan, een Boeddhist, een Mohammedaan bij het lezen van de heilige geschriften van hun respectieve religies 'Christus' vinden en als Brahmaan, Boeddhist of Mohammedaan 'christen' zijn.
7. Zending in de van ouds bekende betekenis van het woord moet verdwijnen. Men mag niet meer van 'heidenen' spreken.
8. In de plaats van de zending moet er de 'dialoog' komen, d.w.z. het zoeken naar een gemeenschappelijke basis van alle religies.
Zoals wel vanzelf spreekt is dit alles niet de opvatting van alle leiders der in de Wereldraad geconcentreerde oecumenische beweging.
De uiteenzettingen van Khodre werden in Addis Abbeba b.v. door dr. Visser 't Hooft krachtig weersproken.
Maar men kan toch ook niet zeggen dat de Metropoliet Khodre een vreemde eend in de oecumenische bijt is. Integendeel Khodre's referaat vond bij velen enthousiaste instemming. En de voorzitter van het Centrale Comité Mammen M. Thomas, zowel als de secretaris van de Wereldraad dr. Blake, beklemtoonden nadrukkelijk de noodzakelijkheid van 'dialoog' met andere religies.
De Indiër dr. Stanley Samartha besloot het door hem te Addis Abbeba geleverde hoofdreferaat met deze woorden: 'Wanneer in een multireligieuze maatschappij religieuze grenzen geheiligd en geconsolideerd worden door de traditie, worden de religies tot scheidingsmuren en niet tot bruggen naar een wederzijds begrip van de mensen. Het zoeken naar gemeenschap moet de grenzen tussen de religies overschrijden en de mensen van verschillend geloof moeten zich inspannen nieuwe gemeenschappen te creëren met grotere vrijheid.'
Het is duidelijk dat met opvattingen als deze het volstrekt unieie en exclusieve, anders gezegd: de 'absoluutheid' van het Christendom wordt geldochend. De christelijke godsdienst wordt zo één van de 'vormen', hoogstens de meest geëleveerde, van 'de' religie.
Het heeft er alle schijn van dat de rol van mannen als prof. H. Kraemer en dr. Visser 't Hooft, die nog zo krachtig het volstrekt unieke karakter van het geloof in Jezus Christus, de exclusiviteit van Gods openbaring in Jezus Christus en de absoluutheid van Christendom predikten uitgespeeld raakt.
In een voor korte tijd uitgezonden t.v.-programma over het werk van dr. Visser 't Hooft traden aan het slot enkele jongere figuren uit de kringen van de Wereldraad naar voren die dat ronduit verzekerden. Volgens hen was dr. Visser 't Hoofd een alleszins respectabele figuur. Hij had zeer grote verdiensten ten opzichte van de Oecumenische Beweging. Maar zijn opvattingen omtrent de absoluutheid, de exclusiviteit van het Christendom waren uit de tijd!
We menen dat ook deze ontwikkeling past in het moderne-evolutionistische schema dat Graafland in zijn gesprek inet Berkhof signaleerde. Maar u begrijpt, dat hier niets minder ook dan de zendingsroeping van de kerk op het spel staat. Is het zo vreemd dat bij dergelijke opvattingen zending nagenoeg plaats maakt voor de dialoog en voor ontwikkelingshulp? Deze 'zendingsstrategie' mist m.i. elk bijbels fundament.
Wereldlijk oecumenisme
Met het hierboven gesignaleerde ten aanzien van de theologie van de Wereldraad en de visie op de wereldgodsdiensten hangt samen de sterk politieke en sociale tendens die de arbeid van de Wereldraad beheersen. Het gaat hen immers om 'éen mensheid'.
Veenhof noemt dit als derde aspect van de moderne oecumenische beweging.
Een derde karaktertrek van de moderne oecumenische beweging is wat men zou kunnen noemen het 'wereldlijk oecumenisme'.
Oorspronkelijk ging het in de Wereldraad van Kerken vooral om de gemeenschap, de 'fellowship' tussen de protestantse kerken. Daarna betrok men ook de Oosters-Orthodoxe kerken in zijn belangstellingssfeer. Nu deze tot de Wereldraad zijn toegetreden richt de volle belangstelling en energie zich op het samengaan met de Rooms-Katholieke Kerk. Maar ook dit is nog het einde niet. Hoe langer hoe meer heeft men in de Wereldraad de aandacht gericht op niet minder dan de gehele wereld, d.w.z. de gehele mensheid. Men wil de mensheid in haar totaliteit in het krachtenveld, de werkingssfeer van de Wereldraad opnemen! Men streeft, anders gezegd, naar een, de gehele mensheid omvattende, oecumenische activiteit, naar een 'wereldlijk oecumenisme'.
Dit streven treedt duidelijk aan de dag in het thema van de aanstaande vergadering van het Centrale Comité. Dat luidt namelijk: Committed to fellowship. In het Nederlands kan dit het best weergegeven worden door: verplicht tot gemeenschap. In deze leus wordt kort en bondig samengevat wat de Wereldraad momenteel wil.
In de eerste plaats ten opzichte van de kerk. Er moet, en dat wel zeer snel, één wereldkerk komen. Lukt dat niet dan heeft de Wereldraad gefaald. Een van de topfunktionarissen daarvan omschreef de strekking van de genoemde leus aldus: De kerken moeten samen vieren, samen beraden, samen besluiten, samen uitvoeren.
Men heeft voor dit streven ook een nieuwe term bedacht. Namelijk conciliariteit. Men wil daarmee zeggen dat de tijd van het vrijblijvende oecumenische streven, de eindeloze dialoog tussen de kerken, afgesloten moet worden. Dat alles is te beschouwelijk, te slap. Het moet van woorden tot daden komen. '
De bestaande kerkelijke denominaties zijn daar evenwel globaal genomen nog niet aan toe. Zij zijn te - conservatief, te traditioneel. Zij worden gekenmerkt door een lethargie die vooral op het consolideren van verworven posities uit is. Ze lijken bijna alle op elkaar in hun vaagheid en algemeenheid. Maar gelukkig, binnen alle kerken ontstaan geëngageerde actieve oecumenische groepen. Ze zijn uitgegroeid boven de bestaande verstarde institutionele kaders. Zij herkennen elkaar ondanks het grote verschil in hun achtergrond. Zij vormen een soort oecumenische 'middenorthodoxie'. En daarop hebben de leiders van de Wereldraad al hun hoop met betrekking op de realisering van de idealen daarvan gevestigd.
Met deze 'conciliariteit' bedoelt men evenwel nog veel meer dan de geladen activiteit om tot één kerk te komen. Ze heeft ook betrekking op de wereld. Dat wil zeggen: op de gehele mensheid. Moderne oecumeniciteit tendeert namelijk naar de 'imity of mankind', de eenheid van de ene menselijke familie. De kerk is immers geen doel in zichzelf en op zichzelf. Zij is er om de wereld, alléén om de wereld. Zij moet één, of liever de bijdrage leveren tot de eenwording van het gehele menselijke geslacht in een leven van gerechtigheid, vrede en vrijheid. De eenheid van de kerk is van die eenheid der wereld het model en het teken. 'Het is de roeping der kerken', zo heet het in een publicatie over dit nieuwe oecumenische streven, 'om in hun prediking, ook in catechisatie en theologisch onderricht de door God gegeven eenheid der mensheid naar voren te brengen.' En de Assemblee van Uppsala sprak in verband hiermee het volgende uit: 'De kerken dienen actiever en dringender te streven naar een zodanige verandering van wil en geweten onder de wereldbevolking, dat deze hen inspireren tot het verkrijgen van een' grotere internationale gerechtigheid. Tot dit doel zouden de kerken zich in het bijzonder moeten inlaten met politieke vragen, vakverenigingen en andere groeperingen die de politieke opinie beïnvloeden.'
Dit alles behoort tot het nieuwe 'wereldlijke oecumenisme' dat de bekende Indiër Lesslie Newbegin, een grote in de kringen van de Wereldraad, eens omschreef als 'een wijd verbreid besef onder de mensen van allerlei ras, dat de menselijke familie één is en dat alles wat in de praktijk hiertegen ingaat een belediging van God is.' Dit 'wereldlijke oecumenisme' heeft z.i. 'menig Christen ertoe gebracht te beseffen dat de echte taak van onze tijd is eerder de eenheid van de mensheid te tonen dan de eenheid van de Kerk.'
Het spreekt vanzelf dat van dit streven ook een theologische fundering gegeven wordt. Deze bestaat o.a. hierin dat God de Vader is van alle mensen, van de gehele mensenfamilie. En dat Jezus Christus voor alle mensen gestorven is. Met grote felheid wordt geageerd tegen de gedachte dat Christus' verlossingswerk alleen de gelovigen ten goede zou komen. Het poneren van een antithese tussen kerk en wereld acht men kort en goed uit de boze. Dit is een en ander over de 'moderne oecumeniciteit' die momenteel in de Wereldraad troef is.
Het is duidelijk dat ten diepste deze visie voortvloeit uit een algemene verzoeningsleer. De kerk is de voorhoede van de gehele mensheid die eenmaal het Rijk binnengaat. Het heil krijgt mondiale aspecten en dé komst van het Rijk wordt gelijk gesteld met de evolutie van de wereld. Vandaar ook de leus, dat de kerk er is om de wereld. We menen dat deze oecumene die als doel heeft de eenwording van de wereld, het bewoonbaar maken van de wereld in strijd is met wat de Schrift ons leert over Gods heilswerk. Dat het heil alleen ontvangen wordt in de weg van geloof en bekering, dat dit heil ten diepste is de verzoening met God door Jezus Christus en dat wie niet gelooft, verloren is, zijn noties die in dit wereldlijk oecumenisme nauwelijks meespelen. Hier is wel degelijk sprake van een evolutionistisch optimisme, waartegen we, juist uit gehoorzaamheid aan de Schrift neen tegen moeten zeggen.
Een politiek evangelie?
Wij doen er goed aan te bedenken dat dit alles zich niet ver van onze deur afspeelt? Ook in ons land dringen deze opvattingen door en bepalen de visie op de kerkelijke practijk. In de Provinciale Zeeuwse Courant van 22 juli troffen we een interview aan met Eimert Pruim, vormingsleider op Den Alerdinck bij Heino, waarin deze pleit voor een politieke interpretatie van het evangelie en voor daaraan aangepaste vormen van kerk-zijn en kerkdiensten. We citeren uit dit gesprek onder meer:
Ja, dan gaat een bepaalde, trouwens ongevaarlijke godsvoorstelling wankelen. Men heeft God vaak voorgesteld als een onpolitieke, een religieuze, als een gevoelsgod. Ik wil dat natuurlijk niet helemaal van de tafel vegen, maar als je het over die boeg gaat gooien, ja, dan weet ik het ook met meer. Wanneer je gaat morrelen aan de huidige godsvoorstelling van God, die dan a-politiek zou zijn en die niets met de werkelijkheid van alledag van doen wil hebben, en dan zegt dat het wel eens zo zou kunnen zijn, dat God ook nog andere trekken heeft, dan kan ik me voorstellen, dat veel mensen zich het apezuur schrikken.
— Bij een groot aantal mensen blijkt een groeiend verzet te bestaan tegen het politiseren van het Evangelie en tegen de intellectuele geloofsbenadering.
Wat dat laatste betreft, terecht. Het heeft te maken met de geloofstaal. Wij hebben nog niet die nieuwe woorden die passen bij een nieuwere godsdienstigheid. De oude piëtisten hebben nog wel hun woorden', maar daar kan ik niets mee beginnen. Dat zijn dode woorden geworden. Die nieuwe taal zal zo moeten resoneren, dat de mensen er mee uit de voeten kunnen. Professor Van Peursen heeft met zijn boekje 'Hij is het weer', ons een groot aantal dingen aangereikt, zodat je je weer wat voor kunt stellen, wanneer je God zegt. Dat heeft met politiek en geschiedenis te maken.
— En het verzet tegen het politieke geloof? Velen zeggen, dat dat onherroepelijk uitdraait op humanisme
'Ik ben toch nog gereformeerd genoeg om niet bij de mensen te rade te gaan, wat die nou leuk vinden of niet. Ik ben van mening, dat het joodse geloof een politiek geloof is. Wanneer er dan mensen zijn die daarvoor op de loop gaan, moeten ze dat maar doen. Dat is de ergernis van het Evangelie. Aan de andere kant is het zo, dat mensen, die de boodschap van het Evangelie politiek willen verkondigen het vaak in een ongelukkige taal doen. Dat is dan die nieuwe godsdienstige taal, die we nog niet of nauwelijks kunnen spreken; waardoor ook veel ergernis ontstaat. Dat is het verwijt aan de verkondigers dat ze het niet lukt om het op die golflengte te zeggen dat het resoneert'.
— Een afwijzing van die nieuwe taal komt toch veelvuldig voor?
’Ja, de boodschap van het Evangelie, op politieke leest geschoeid, kan op een bruisende manier tegen de draad in gaan, wat een pleidooi voor de boodschap is. Het grappige verschijnsel doet zich echter voor, dat die mensen gaan veranderen, wanneer ze met hun kinderen aan de praat komen. De taal, die vaak piëtistisch is, leeft in veel gevallen niet meer bij hun kinderen. Waar tussen beiden een gesprek op gang komt, daar is meestal ook de bereidheid bij de ouderen om te luisteren naar de jongere garde, die zegt, dat ze met de taal van de ouderen niets meer kan doen. Wanneer een jongere zegt, dat hij of zij op zoek is naar iets nieuws, dan staat de oudere niet meer zo afwijzend tegenover die nieuwe taal’.
— Maar als je bijvoorbeeld let op de Jezus-bewegmg, dan spreekt zo'n piëtistische preek, lijkt ons, wel aan en ook in de meest moderne situaties.
’Het klinkt misschien wat onbarmhartig, maar ik geloof, dat in die kringen het geloof wel erg smakelijk is, zodat het je religieuze ziel kietelt. Dat gaat er in als koek. Maar ik ben van mening dat de boodschap van het Evangelie veel minder religieus is en veel politieker. Ik blijf het dan ook beoordelen op zijn politieke consequenties. Wanneer men niet bereid is om dat Evangelie in de politieke werkelijkheid gestalte te geven en uit te werken, dan zit men er naast. Dan is men onrechtzinnig. Eent terechtwijzing zou hier op zijn plaats zijn'.
— Ook voor de opstellers van het Getuigenis?
’Kijk, wat daar in staat, is oude taal. Ik ben er echter van overtuigd, dat wanneer we een nieuwere taal hadden, dat het stuk niet half zo weerklonken had bij het kerkvolk als nu. Die jongens hebben het ook over de alternatieve kerkdiensten, waar ze nogal tegen zijn, omdat het woord van God bediend moet worden. Wat heb je daar nu eigenlijk nog mee beweerd? Een ieder die met andere kerkvormen bezig wil zijn, wil toch ook net zo hard het woord bedienen. Alleen niet in die monomane vorm waarmee de kerk getrouwd is’.
— Zijn die kerkvormen, zoals die zich momenteel voordoen, onbetaalde rekeningen van de kerk?
’Inderdaad. Dat ligt aan de boodschap van het Evangelie, die in de huidige kerk al te zeer piëtistisch getoonzet is en te weinig politiek. Dat politieke geloof is nog niet zo vreselijk populair in de gevestigde kerken. Het is daar niet de enige boodschap. Dat men dan uitwijkt naar randgroepen, is duidelijk. Ik houd stug vol, dat ik mijn inspiratie uit de bijbel weghaal. Godsgeloof is politiek geloof en op die manier kom je in de buurt van Marx, wat velen niet zint. Gelukkig zijn er na Paulus profeten geweest die je niet hoeft te mijden en die je ook driftig lezen mag. Daar mag jé je ook door laten beïnvloeden.'
Het piëtisme is ook bij de heer Pruim de grote boosdoener. Verder wordt er gesuggereerd dat de oude vormen de vormen zijn van een voorbije generatie en dat de jongeren, die op zoek zijn naar een 'nieuwe taal' wel openstaan voor de politieke interpretatie van het Evangelie. Zou de heer Pruim ook willen zeggen aan welke jongeren hij denkt? Juist in deze dagen las ik in een verslag van een oecumenische ontmoetingsdag in Utrecht met mensen van de Wereldraad, dat er van de zijde van de jongeren zeer geringe belangstelling was. En daar wordt toch wel degelijk geprobeerd een 'nieuwe taal' te spreken. Misschien dat een en ander voor de heer Pruim toch eens aanleiding kan zijn zijn visie op oud en jong, oude en nieuwe vormen, piëtisme en politiek kritisch te bezien.
Dat Evangelie en politiek met elkaar te maken hebben is waar. Gods Woord richt zich tot vorsten en overheden en gaat over alle dingen. Maar een dergelijke politieke prediking legt andere accenten dan we doorgaans horen uit de mond van de voorstanders van politieke prediking. In de laatste zinnen van dit gesprek komt de aap uit de mouw: 'Godsgeloof is politiek geloof en zo kom je in de buurt van Marx'. Het pleit voor de eerlijkheid van de heer Pruim dat hij er rond voor uit komt. Trouwens, hij is de enige niet, van wie men de indruk krijgt dat Marx de 'kerkvader' van onze eeuw aan het worden is. Destijds leerde prof. Van Rhijn ons al dat het Godsbeeld in de loop der eeuwen filosofisch gekleurd is, en dat dat menigmaal een stempel drukte op allerlei opvattingen ten aanzien van kerk en theologie. We zien dat ook in dit gesprek. De huidige politieke Godsvoorstelling is eerder een marxistisch gegeven dan vrucht van bijbels denken. Het Getuigenis heeft een en ander duidelijk gesignaleerd. Voor de heer Pruim was het oude taal. Gelukkig, dat ook vele jongeren deze oude taal toch begrepen hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's