Voortgaande devaluatie
De september-vergaderingen van de classes hebben nogal wat te considereren over voorgestelde wijzigingen in de ordinanties van onze Kerkorde. Ja, er is zelfs een voorstel tot wijziging van de Kerkorde zélf op de kerkeraadstafels gelegd. En dat gebeurt niet zo vaak.
Het is te hopen, dat deze en volgende voorstellen in de respectievelijke vergaderingen behoorlijke aandacht krijgen. Het is mijn indruk — maar ik hoop, dat ik het helemaal verkeerd heb — dat hieraan dikwijls veel ontbreekt. Kerkrechtelijke onderwerpen genieten nu eenmaal geen grote belangstelling. De stroom wijzigings-voorstellen vloeit onophoudelijk en men laat het maar gaan. Al die splinterige kwesties ook! Doorgaans is een spreker 'van buiten' uitgenodigd. En deze mag men niet te lang laten wachten. Dus: voortgemaakt met de kerkordelijke zaken op de agenda. Op deze wijze kan het gebeuren, dat onvoldoende opgemerkt wordt, dat voortdurend karakteristieke trekken van gereformeerde aard uit de Kerkorde worden weggewist. Wat is er nu weer aan de hand?
De Generale Synode heeft in haar vergadering van november 1971 besloten tot aanvaarding in grote lijnen van de voorstellen van de studiecommissie traktementen, pensioenen en rechtspositie van de predikanten. Deze voorstellen zijn thans uitgewerkt en in de vorm van voorstellen tot wijziging van enkele ordinanties en van de generale regeling voor de predikantstraktementen. 'Hierin zijn verwerkt de uitspraken, welke de generale synode bij de behandeling van een en ander terzake reeds heeft gedaan', wordt in de inleiding opgemerkt. Deze voorstellen behoren bij elkaar en worden 'als één pakket' aangeboden.
Nu wil ik niet elke verandering persé als een verslechtering beschouwen. Dat zou al heel dwaas zijn. Zo staan er in de 14 groene bladen van het synodale schrijven OOO/CKO/909 wel goede dingen, zoals verbetering van de traktementen en verrekening van de inkomsten uit nevenwerkzaamheden. Deze zaken zijn voor kerkeraden en classicale vergaderingen echter slechts ter kennisneming. Ik zal daarop thans niet nader ingaan behoudens de vragen of de verhogingen niet te drastisch zijn en weer ten koste zullen gaan van verscheidene predikantsplaatsen. Voorts of verrekening van inkomsten uit nevenwerkzaamheden van de predikant met de kerkvoogdij het verschijnsel van de predikant met bezoldigde bijbaantjes tot aanvaardbare verhoudingen zal terugbrengen. Ik hoop dat deze ernstige poging slaagt.
Maar dan de zaken, die voor de kerkeraden en classicale vergaderingen ter bespreking zijn.
Om te beginnen is daar het voorstel een nieuw lid toe te voegen aan ord. 3-18, luidende: 'Aan de beroepsbrief kan worden toegevoegd een omschrijving van werkzaamheden, welke de beroepen predikant in het bijzonder zal moeten verrichten, voor welke omschrijving gebruik wordt gemaakt van een model, opgesteld door de commissie voor het beroepingswerk'.
Uit de toelichting blijkt, dat men de voor alle predikanten voor gewone werkzaamheden gelijke algemene omschrijving van werkzaamheden in de thans gebruikelijke beroepsbrief, die gebaseerd is op art. IV lid 3 van de Kerkorde niet voldoende acht. Nu wordt het 'gewenst geacht de mogelijkheid te openen om in een nadere omschrijving aan te geven, wat van de predikant in het bijzonder wordt verwacht'. Let wel: het gaat om predikanten voor gewone werkzaamheden. De gewone dorps- en wijkpredikanten dus, om het gewoon te zeggen. Aan hen is volgens het genoemde artikel in de Kerkorde toebetrouwd: 'de verkondiging des Woords, de bediening van de sacramenten, de dienst der gebeden, de leiding van de kerkdiensten, het afnemen van de openbare belijdenis des geloofs, de bevestiging van de ambtsdragers en van hen, die in een bediening worden gesteld, de kerkelijke bevestiging en inzegening van het huwelijk, de leiding van de ambtelijke vergaderingen der Kerk, voorts — met medewerking van de ouderlingen — de herderlijke zorg, de catechese, de arbeid onder hen, die van het Evangelie zijn vervreemd, het medewerken aan de geestelijke vorming van de jeugd, en met de ouderlingen tezamen het opzicht over de gemeente'.
Dat is niet weinig! Maar wat wil de toelichting op het onderhavige voorstel met hetgeen 'in het bijzonder' van de predikant wordt verwacht? En met de aan het uit te brengen beroep voorafgaande bezinning 'op de allereerst noodzakelijke werkzaamheden' en het 'stellen van prioriteiten'? Nogmaals, het geldt predikanten voor gewone werkzaamheden. Hun allereerst noodzakelijke werkzaamheid is: de verkondiging des Woords. Dat is het allereerste. Die zaak heeft prioriteit. Dat is hetgeen 'in het bijzonder' van de gewone dominee verwacht mag worden. Als dit bijzondere het eigenlijke niet meer is, maar een bagatel geacht wordt, als aan deze 'allereerst noodzakelijke' werkzaamheid iets nog dringenders voorafgaat waarvoor een predikant voor gewone werkzaamheden beroepen moet worden en welke taak de commissie voor het beroepingswerk in een model gaat vastleggen — dan is de kerk bezig zichzelf te doden. Als er belangrijker dingen zijn dan het verkondigen van het Goddelijk Woord voor een predikant, kan dit ambt beter worden opgeheven. De Kerk leeft van het wonder van het Goddelijk spreken. Als aan deze stem het zwijgen wordt opgelegd, of één van de vele stemmen mag zijn waarnaar wij luisteren moeten, houdt de Kerk op Kerk te zijn.
Misschien werpt iemand tegen, dat het niet billijk is zo veel af te leiden uit het voorgestelde nieuwe artikel. Dan antwoord ik: dit nieuwe artikel maakt binnen het raam van de predikanten voor gewone werkzaamheden de weg vrij voor de predikant-specialist, de teamworker, de dominee alleen voor deze taak, de dominee alleen voor die taak. Dit voorstel is een weloverwogen volgende stap op de weg naar schaalvergroting en herstructurering. Daar verwachten velen het immers voor de kerk van. Dit schijnbaar onschuldige voorstel is een voortgaande devaluering van het ambt van predikant en geeft blijk (en dit is veel erger) van een geleide devaluering van de ambtelijke bediening van het Goddelijk Woord. De toelichting is dan ook helemaal niet onbegrijpelijk. Zij past precies in de gedachtenwereld van hen die de 'traditionele kerkdiensten' weinig zinvol achten, of iets dat aan het afsterven is omdat het zijn tijd gehad heeft. Ja, dan moet een kerkeraad voor een beroep wordt uitgebracht zich 'bezinnen op de allereerst noodzakelijke werkzaamheden en in verband daarmede' (wordt) zulk een kerkeraad (gedwongen) 'tot het stellen van prioriteiten'.
De priesters in Eli's dagen waren vindingrijk. Maar het Woord was in die dagen schaars.
De verzakelijking van het ambt blijkt ook uit het voorgestelde nieuwe artikel 13b: 'De predikant is verplicht tenminste éénmaal per jaar deel te nemen aan werkbesprekingen aan de hand van door hem en andere ambtsdragers opgestelde verslagen over hun arbeid in de afgelopen periode, van welke besprekingen een verslag wordt opgenomen in het notulenboek van de kerkeraad'.
Tussen haakjes: het is mij niet duidelijk waarom het bepalend lidwoord voor 'andere ambtsdragers' ontbreekt. Moeten zij niet allen zo'n verslag vervaardigen? Wie wel? Wie niet?
Er rijzen nog wel meer vragen. Bij voorbeeld deze: waarom is deze werkbespreking geen kerkeraadsvergadering? Wordt daar dan niet 'het werk' besproken? Waar zijn dan kerkeraadsvergaderingen voor? Waarom rust de verplichting aan deze werkbesprekingen deel te nemen alleen op de predikant? Het woord werkbesprekingen en de formulering van dit voorstel rieken mij naar de sfeer van het bedrijfsleven, met zijn verhouding van werkgevers-werknemers. Een predikant is echter niet in dienst van kerkeraad of kerkvoogdij. Hij is geen betaalde werkkracht van de gemeente. Hij staat op een standplaats, die bij een gemeente is gevestigd. Hij ontvangt geen loon. Geen salaris (al wordt dit onjuiste woord steeds vaker gebruikt). Hij ontvangt tractement, een som gelds waarvan hij met zijn gezin leven moet en die hem gegarandeerd is. Zijn verhouding tot de kerkeraad is, theologisch en juridisch gezien, zeer subtiel. Dat brengt het bijzondere en onvergelijkbare van zijn ambt met zich mee. Dit alles wordt langzamerhand steeds meer verzakelijkt en vergroofd. Dit voorstel is daar ook weer een voorbeeld van. Wat men beoogt staat in de toelichting als volgt: 'Het is van groot belang, dat men zich op gezette tijden rekenschap geeft van de stand van zaken met betrekking tot de te verrichten werkzaamheden. Periodieke wederzijdse informatie van kerkeraad en predikant in dit opzicht is van grote betekenis voor de vervulling van de taak van de kerkeraad leiding te geven aan het leven der gemeente'. Kerkeraad en predikant worden aldus merkwaardigerwijs min of meer tegenover elkaar gesteld. Men heeft het immers over 'wederzijdse informatie'. Presbyterie (= college van ouderlingen) en predikant kunnen elkaar 'wederzijds' informeren. Zo ook het college van diakenen het presbyterie of het consistorie (= het college van ouderlingen en predikant (en). Een predikant is echter lid van de kerkeraad. Hoe kunnen dan kerkeraad en predikant elkaar 'wederzijds' informeren?
Het kan wel zijn, dat het in menige gemeente met de onderlinge informatie en het gemeenschappelijk beraad in de kerkeraad niet best gesteld is. Dan ligt dit echter niet aan de Kerkorde. Eventueel zou men een nadere omschrijving van de taak van de kerkeraad (ord. 1 art. 2) kunnen overwegen. Overigens ben ik van mening, dat men met dwingende voorschriften en nieuwe bepalingen niet veel verder komt. Daarvoor is de ingezonkenheid van het gemeentelijk en kerkelijk leven te groot, de geestelijke crisis waarin wij verkeren te zwaar. Naarmate de dorheid in de kerkorde toeneemt groeit het aantal kerkordelijke bepalingen.
In deze contekst past ook het in het voorjaar toegezonden voorstel tot wijziging van de Kerkorde zelf (no. OOO/CKO/600), waarvoor een verdubbelde synode nodig zal zijn. Totnogtoe is het zo, dat uitsluitend een predikant kan worden geroepen tot het leiden van ambtelijke vergaderingen. Thans wil men dit ook mogelijk maken voor ouderlingen en diakenen. Daartoe worden 3 wijzigingen in de Kerkorde en 22 in de ordinanties voorgesteld.
Voor een zeer uitgebreide en grondige bespreking van deze voorstellen verwijs ik gaarne naar een artikel van prof. dr. G. P. van Itterzon in het 'Hervormd Weekblad' van 18 mei 1972. Hij wijst terecht op allerlei consequenties, die hieruit kunnen voortvloeien.
Ik beperk me tot het volgende. De eeuwen door is in onze kerk de leiding van de ambtelijke vergaderingen toevertrouwd aan de predikanten. Daar speelde, bij allerlei andere motieven, mogelijk een stukje dominocratie in mee. Maar zou het diepere motief in dit alles niet geweest zijn het feit, dat de predikant als dienaar des Woords het dichtst bij het hart van het kerkelijk en gemeentelijk leven staat? Kerkelijke vergaderingen beogen immers de opbouw van kerk en gemeente, vanuit en rondom het Woord. Het argument van de technische bekwaamheid kan dan ook alleen' in een verzakelijkte sfeer opgeld doen. Het kan zijn, dat een predikant geen goed voorzitter is. Moet hem dan dus het voorzitterschap maar ontnomen worden? Mogelijk is hij niet zo wel ter tale. Moet hem het preken dan maar ingeperkt worden? Misschien ziet hij op tegen het catechiseren en brengt hij daarvan niet zo heel veel terecht. Is dan de oplossing, dat hij het maar niet meer doet? Hij legt niet zo heel gemakkelijk contacten, heeft moeite de weg tot de mensen te vinden. Moet hij nu maar niet meer op bezoek en ziekenbezoek gaan?
Het praesidiaat van een kerkeraad omvat méér, dan het leiden van de vergaderingen alleen. Moet de predikant, die geen praeses is, dan maar terzijde staan?
Van de vele practische bedenkingen, die bij mij gerezen zijn noem ik er nog een drietal.
1. Bij de voorgestelde regeling kan het dus gebeuren, dat in een gemeente met twee predikantsplaatsen één der beide predikanten niet in hét moderamen van de kerkeraad is opgenomen.
2. Een consulent, die de vergaderingen van de kerkeraad zelfs niet leidt wordt een wel heel onbeduidende figuur. Was de vertrokken predikant geen praeses, dan kan de consulent het nooit worden. Want de zinsnede in ord. 1 art. 3 lid 2 nieuw, inhoudende, dat de kerkeraad bij de aanvang van zijn eerste vergadering in het kalenderjaar ... uit zijn midden zich een praeses kiest sluit de consulent buiten. Hij behoort immeTs in de strikte zin niet tot de kerkeraad, heeft er altijd slechts raadgevende stem.
3. Tenslotte verhindert niets, dat een kerkeraad een ouderlingkerkvoogd, zijnde de president-kerkvoogd, tot zijn praeses kiest. Is zulk een mogelijkheid raadzaam? Zal het dan nog gemakkelijk komen tot 'wederzijdse informatie'?
Over de voorstellen tot wijziging van de ordinanties 13-16 en 13-30 kan ik kort zijn. Het betreft de mogelijkheid predikanten anders dan op eigen verzoek van zijn ambt te ontheffen. Daartoe dient een nieuwe commissie te worden ingesteld. Het breed moderamen van een provinciale kerkvergadering, ja zelfs de voorzitter van bedoelde commissie, kan zulk een procedure aanhangig maken.
Zulk een regeling behoort in de kerk niet thuis. Hier wordt een pseudo-tuchtmaatregel voorgesteld. Men oefent tucht, ook over predikanten, of men doet het niet. Hier staat de willekeur voor de deur. Wat is een 'ernstig bezwaar' 'tegen de verdere ambtsbediening van een predikant', zonder dat er aanleiding bestaat tot het nemen van tuchtmaatregelen? Er is immers ook nog een art. 14a in ord. 3? Dat in het laatste hoofdstuk van het 'pakket' van wijzigingen voorgesteld wordt de kerkeraad te laten beslissen over de nevenwerkzaamheden van zijn predikanten acht ik een positieve zaak. Maar na al de andere bezwaarlijke voorstellen kan dit weinig bevrediging meer geven.
Laten allen die verantwoordelijkheid dragen toezien, dat niet langer de devaluatie van Woord, ambt en kerk voortgaan. Opdat het voor de gereformeerd gezinden in onze Nederlandse Hervormde, d.i. Gereformeerde Kerk niet nog moeilijker wordt dan onder het juk der reglementen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's