De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

18 minuten leestijd

De verhouding Rome-Reformatie

Naar aanleiding van de inmiddels gehouden vergadering van het centrale comité van de Wereldraad van kerken in Utrecht stelt dr. J. van Rossum in Tenminste, het maandblad voor informatie en gesprek over de verhouding Reformatie/Rome in het juli-augustus nummer de vraag: Zal de vergadering in Utrecht betekenen dat we een inniger verhouding tot de roomskatholieke kerk tegemoet kunnen zien?

De schrijver wijst op het enkele weken geleden verschenen rapport over het Avondmaal, dat niet wil uitgaan van de bestaande tegenstellingen, zwijgt over synodebesluiten etc. maar zich alleen wil laten leiden door de bijbelse gegevens, zoals deze in het licht van de nieuwere exegese verstaan moeten worden. Hij acht dit een hoopvol geluid, dat oecumenische perspectieven opent.

Voorts noemt hij een uitlating van kardinaal Alfrink die een aantal maanden geleden gezegd moet hebben: 'Wat ons met elkaar verbindt is veel belangrijker en fundamenteler, dan wat ons nog van elkaar gescheiden houdt'.

Tegelijk wijst dr. Van Rossum op een nieuwe instructie vanuit Rome over de toelating van niet-katholieken tot de viering van de eucharistie in de r.k. kerk.

Maar nu is, juist eveneens dezer dagen, van de hand van het secretariaat voor de bevordering van de christelijke eenheid (een onderdeel van de Romeinse curie dus, voorzitter: de Nederlandse kardinaal Willebrands), verschenen een nieuwe instructie over de toelating van niet-katholieke christenen tot de communie in de rooms-katholieke kerk. Deze instructie gaat uit van de gedachte dat 'het vieren van de eucharistie beantwoordt aan de volheid van de geloofsbelijdenis en van de kerkelijke gemeenschap', welk beginsel nooit verduisterd mag worden. Dientengevolge worden de strenge regels ten aanzien van de toelating van niet-katholieke christenen gehandhaafd, omdat deze kerken een andere geloofsopvatting over de eucharistie zouden hebben en bovendien geen priesterschap bezitten binnen de apostolische opvolging. (Oosters-orthodoxe christenen vallen hier natuurlijk niet onder, omdat hun sacramentsopvatting nagenoeg dezelfde is). Het document beperkt de toelating van deze christenen tot 'uitzonderingsgevallen, die als dringend omschreven kunnen worden.' En deze mensen zullen dan 'persoonlijk (hebben) te belijden dat hun geloof in het sacrament van de eucharistie overeenstemt met het geloof van de (katholieke) kerk, zoals Christus het heeft ingesteld en de katholieke kerk het overlevert.' D.w.z. de niet-katholiek, die aan de rooms-katholieke eucharistieviering wil deelnemen, zal onvoorwaardelijk zijn instemming moeten betuigen met de leer der transsubstantiatie, zoals deze op het vierde Lateraans concilie in 1215 is vastgesteld, de leer namelijk dat in de eucharistie brood en wijn worden omgezet in het lichaam en bloed van Christus, hoewel de 'gedaanten' er van dezelfde blijven.

Maar wanneer is nu zo'n 'dringend uitzonderingsgeval' of noodgeval aanwezig? De instructie acht deze toelating bijzonder van toepassing voor de zogenaamde diasporagebieden, waar vaak enkele protestanten zonder eigen plaatselijke pastores tussen katholieken leven. En dan moet de bisschop tenslotte uitmelken of zo'n noodgeval werkelijk aanwezig is. Ook zouden bisschoppenconferenties bepaalde regels kunnen vaststellen voor situaties die zich in hun gebied voordoen (Dat het aan katholieken te allen tijde strikt verboden is aan een protestantse avondmaalsviering deel te nemen, volgt uit het bovenstaande vanzelf.)

Het is dus allemaal nog niet zo hoopvol en perspectievenrijk als soms wel gesteld wordt. Overigens doen r.k. theologen in ons land hun uiterste best om de instructie op eigen wijze te interpreteren. Prof. Fiolet b.v. meent dat met de uitzonderingsgevallen ook bedoeld is de geestelijke noodsituatie waarin een christen of een groep christenen voor hun eigen geestelijk leven de verrijking van andere kerken menen nodig te hebben. Een zinsnede, die a. demonstreert de verwarring en de vaak tegenstrijdige interpretatie die er binnen de r.k. kerk heersen; b. de afstand tussen Rome en de nederlandse kerkprovincie laat zien en c. de vraag oproept met welk gezag allerlei uitlatingen gedaan worden. Tenslotte is, zoals dr. Van Rossum opmerkt prof. Fiolet geen bisschop.

Van Rossum wijst erop, dat er aan het grondvlak bepaald anders gedacht en gehandeld wordt dan aan de top. Dat geeft hem reden zijn artikel met enkele optimistische passages te besluiten, passages waarin terloops ook de Geref. Bond genoemd wordt:

Er zullen nog maar weinig protestanten zijn (buiten de Geref. Bond in de Ned. hervormde kerk) die met de Heidelbergse catechismus in de rooms-katholieke eucharistieviering 'een vervloekte afgoderij' zien. En omgekeerd, welke reformatorische christen (buiten de Geref. Bond alweer) zal niet kunnen instemmen met de rooms-katholieke Nieuwe Katechismus, als deze over de aanwezigheid van Christus in de eucharistie zegt: 'Deze aanwezigheid is verbonden met het brood. Zijn woord verkondigt dit: dit is mijn lichaam. Ook het brood zelf laat het zien: nabij en levenwekkend als voedsel in zijn aanwezigheid. Het brood is aldus het symbool waarin Hij onder ons is. Het gewone brood is ge­worden tot ons brood voor het eeuwige leven: Christus? En daarom is in het volgende artikel over 'de huidige verhouding van Rome en Geneve' niet alleen terecht er de nadruk op gelegd dat de roomskatholieke kerk méér is dan haar bestuursorgaan aan de top, maar ook dat deze top, met name het secretariaat voor de eenheid, soms 'ook duidelijk remmend en waarschuwend optreedt'. Maar gezien de vele tekenen van toenadering, die er ongetwijfeld zijn, en het beter wederzijds begrip dat in de laatste decennia tot stand gekomen is, is er geen enkele reden om te vertwijfelen en kunnen wij met de schrijver van genoemd artikel spreken van een 'hoopvolle, doch met spanningen geladen situatie'.

Wij zouden hier de volgende opmerkingen bij willen plaatsen:

a. De wijze waarop de auteur de Geref. Bond hier noemt is uitermate oppervlakkig, om niet te zeggen denigrerend. Weet de auteur dan niet dat er nog altijd een Geref. gezindte is, die veel breder is dan éen organisatie en die inderdaad niet zo enthousiast is over de Nieuwe Katechismus en nog altijd overtuigd is van de waarde van zondag 30 van de Catechismus. Is hem de kritiek van Haitjema, Lekkerkerker, Arntzen, Velema om maar enkelen te noemen die niet tot de Geref. Bond behoorden of behoren ontgaan?

b. Oppervlakkig is ook de manier waarop dr. Van Rossum het beroemde antwoord 80 ter sprake brengt. Hier is meer aan de hand dan een misschien wat door de strijdsituatie verscherpte uitspraak. Wie de context van de gewraakte woorden nader beziet, ontdekt, dat het onze vaderen ook in antwoord 80 ging om het 'sola gratia', om het genadekarakter van het heil zonder enige verdienste onzerzijds. Ik meen, dat tussen Rome en de Reformatie voorzover ze althans niet is aangetast door de nieuwere theologie nog altijd verschil bestaat inzake de belijdenis van de rechtvaardiging van de goddeloze. Wat we zien aan toenaderingspogingen tot Rome betekent doorgaans dat aan protestantse zijde juist ten aanzien van deze belijdenis fundamentele dingen losgelaten worden.

c. Ook over de interpretatie van de Nieuwe Katechismus is het laatste woord nog niet gezegd. Wordt hier toch weer niet op een of andere wijze gepoogd de aanwezigheid van Christus te binden aan brood en wijn? Wat bedoelt men als men zegt: Het brood is het symbool waarin Hij onder ons is? Trouwens, ook dr. Van Rossum zal weten hoezeer juist op het punt van het verstaan van het Avondmaal de Nieuwe Katechismus ook in roomse kringen in discussie is.

d. Wie een rapport opstelt over het Avondmaal kan zijn uitgangspunt nemen in de exegese. Hij zal er toch niet om heen kunnen de belijdenisuitspraken en concilie-uitspraken in het geding te brengen. Om Trente en de Heidelberger zal men moeten zeggen dat de nieuwere exegese, die t.a.v. het Schriftgezag nogal wat vragen oproept, een wankele basis is voor gesprek. Wij zijn daarom minder dan de schrijver overtuigd van een hoopvolle situatie.

Hoe lang nog Hervormd?

Dat is de titel van een artikel in Hervormd Nederland van 16 september van de hand van ds. F. H. Landsman. De schrijver knoopt aan bij de beroering die er in onze kerk gaande is. De oude richtingsstrijd schijnt te herleven. Veel deining heeft het besluit van de GFR om bepaalde takken van werk van Hervormd-Gereformeerde organisaties te subsidiëren uit de Generale Kas gewekt in bepaalde kringen van de kerk. U hebt kunnen lezen, hoe met name de vrijzinnig-hervormden over dit besluit verbolgen zijn en niets liever zien dan dat het zo spoedig mogelijk teruggenomen wordt. Men heeft gesproken over een financiële transactie, over een koehandel de kerk onwaardig, over bevoordeling van een richting en men heeft een en ander in verband gebracht met de huidige polarisatie, de verscherping der tegenstellingen. Ds. Landsman gaat in dit artikel nader in op deze zaken. Hij schrijft onder meer:

Hoe dit ook zij, het ging vooral om de vraag hoe de vanouds negatieve houding van een deel van de betrokken gemeenten tegenover de kas in een positieve zou kunnen worden omgezet. Vandaar bovengenoemd besluit, dat, hoewel het door de synode niet met zoveel woorden werd afgekeurd, niettemin nogal wat bezwaren ontmoette. Geen wonder. Is het niet diep teleurstellend, dat er na zoveel jaren 'nieuwe kerkorde' nog zo weinig vertrouwen is bij bepaalde groeperingen met betrekking tot het algemene kerkewerk? Dat men nog altijd off-side blijft staan en nu om steun van eigen organisaties vraagt?

Daar wordt van de andere zijde dan weer tegenover gesteld, dat het niet minder teleurstellend is, dat men wel eigen wegen moet blijven gaan, omdat de Hervormde Kerk nog altijd niet beantwoordt aan het beeld dat men in hervormd/gereformeerde kring van een Hervormde Kerk heeft, die leeft naar Schrift en Belijdenis.

In elk geval hadden m.i. zij het gelijk aan hun kant, die in de synodevergadering erop wezen, dat een beleid als de GFR denkt te gaan volgen, alleen maar bestendiging en verstarring van de huidige apartheden en tegenstellingen tengevolge zal hebben als het vraagstuk niet tegelijk van de geestelijke kant wordt aangepakt en als er niet opnieuw een 'gesprek der richtingen' plaats vindt. Had dit niet, aan welk compromis dan ook op het financiële vlak, vooraf moeten gaan en had dit zelfs niet eerst tot klaarheid moeten worden gebracht?

Nu doet het merkwaardige feit zich voor, dat het 'gesprek der richtingen' juist in 1971 opnieuw was begonnen met het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond door het synodale moderamen (22 juli) — daarna door het breed moderamen met de hoofdbesturen van deze Bond en van de Confessionele Vereniging (18 oktober 1971 en 29 mei 1972). Later ook met dat van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden door het moderamen.

Als uitgangspunt was een in een beleidsnota van het breed moderamen opgenomen verhandeling over 'Identiteit en pluriformiteit', gekozen, die naar aanleiding van het eerste gesprek van 22 juli 1971 was opgesteld. Maar in werkelijkheid gingen de gesprekken over het juist medio oktober verschenen 'Getuigenis', over het beleid van de Raad van Kerken, over 'samenstelling en beleid van de organen van bijstand, van het IKOR, van 'Kerk en Wereld' enz. terwijl het gesprek met de Vrijzinnigen helemaal aan de oppervlakte bleef en niet veel verder kwam dan een nogal vinnige discussie over de 'echtheid' van de 'vrijzinnigen', die in het werk van de raden zijn betrokken.

Het is mij niet duidelijk of de zinsnede over het gesprek dat aan elk compromis op het finantiële vlak vooraf had moeten gaan, de mening van ds. Landsman vertolkt of de mening van degenen die in de synode spraken. In het eerste geval zou het mij bijzonder bevreemden waar het moderamen synodi, waarin ds. Landsman zo'n bijzondere plaats inneemt zelf dit besluit heeft verdedigd.

Maar ds. Landsman laat het niet bij de weergave van de gang van zaken. Zijn we op de goede weg met deze gesprekken met de richtingsorganisaties?

Toch moet ik eerlijk zeggen mij af te vragen of wij met de gesprekken alleen met de genoemde Bond en Verenigingen, wel op de goede weg zijn. Als het er althans wezenlijk om gaat de grote vragen van het geloven en belijden in deze tijd aan de orde te stellen. Als het er ons ook om gaat daarbij te ontdekken hoe het Evangelie aan de mensen van nu moet worden gebracht om te worden verstaan, aanvaard of afgewezen en waar nu de frontlijnen lopen tussen waarheid en dwaling, tussen 'vlees' en 'geest', tussen de macht van het licht en de machten van de duisternis.

Zonder het bestaansrecht en de taak van de oude kaders ook in onze dagen zonder meer te ontkennen of af te wijzen, moet toch óók de vraag worden gesteld of de oude onderscheidingen niet wat geforceerd zouden aandoen als wij werkelijk weer tezamen, zoals in de oorlogsjaren het geval was, werden geconfronteerd met de macht van de antichrist en die ook gezamenlijk herkenden en wilden weerstaan.

Zou dat zelfs niet reeds het geval zijn als wij gezamenlijk bereid waren om geconfronteerd met de geestelijke en godsdienstige nood van onze tijd, de wegen te zoeken om in een vernieuwde kerkelijke gemeenschap kristallisatiepunten te vinden voor een pastoraat, een apostolaat en een diakonaat dat op een bescheiden, maar besliste en bemoedigende manier, weet te getuigen van de liefde van Christus? Maar juist met die gezamenlijkheid van de Hervormde Kerk schijnt het steeds droeviger gesteld te zijn. Wij denken dan niet alleen aan het betreurenswaardige feit dat zovele Hervormd/Gerformeerden, zonder dat hun hoofdbestuur hen aanspoort hun houding te wijzigen, elke samenwerking met andere modaliteiten in de plaatselijke gemeente, maar ook in landelijk verband, in organen van bijstand en instituten, in oecumenisch werk, van de hand wijzen.

Hoe kan men zich eigenlijk beklagen over de koers, die deze organen varen als men niet bereid is tot het waagstuk van de ontmoeting, het overleg en de samenwerking? Wij denken niet alleen aan de toenemende, neiging bij alle modaliteiten de Hervormde Kerk te zien als een soort optelsom van gemeenten en zich geheel op de eigen gemeente en het eigen werk te concentreren en de algemene en fundamentele vragen van de kerk als geheel, te laten voor wat ze zijn.

Om misverstanden te vermijden: er is niets belangrijkers en wezenlijkers dan prediking, catechese, vorming, diakonaat in de lokale gemeenten. Daar klopt het hart van de kerk. Maar de gemeenschap is wijder en dieper dan de congregatie ter plaatse en al deze congregaties tezamen.

Ik zou niet graag willen beweren dat hervormde congressen, conferenties van 'kritische gemeenten' getuigenissen en verklaringen als zodanig iets af zouden behoeven te doen aan de 'gezamenlijkheid' of, beter gezegd, aan de kerkelijke gemeenschap. Ze zijn vaak in de geschiedenis van de kerk, hoezeer ook begonnen als 'randverschijnselen' (marginale groepen), of als 'tegenliggers' (alternatieve groepen') het begin geweest van nieuw evangelisch leven.

Maar wat de kerkelijke gemeenschap vooral in gevaar brengt, zijn in het bijzonder in de laatste maanden een liefdeloze agressiviteit, die zich bij voorkeur richt op de generale synode en haar organen, een negativisme en een wantrouwen dat de moeite niet neemt zich eerst behoorlijk te laten informeren alvorens in de meest krasse bewoordingen het oordeel over het werk en de bedoelingen van anderen uit te spreken.

De kerk als 'instituut' is bij dit alles vrijwel weerloos. Maar een synode, die zelf onder de druk van al deze agressieve driften innerlijk verscheurd zou worden, zou het einde zijn van een bestel als het synodaal-presbyteriale dat zeker niet volmaakt is, maar dat wel de beste kansen heeft een bruikbaar instrument te zijn voor de refonnatie en de reorganisatie van de kerk.

Ik leef nog altijd in de hoop en het vertrouwen, dat op deze periode van het tegen-elkaar nog weer een tijd van het met-elkaar zal volgen. Niet omdat de Hervormde Kerk zo nodig moet voortbestaan — al is haar bestaan zeker niet onbelangrijk, al was het alleen maar omdat een gemeenschap gemakkelijker is af te breken, dan dat een nieuwe zich laat opbouwen. Wel omdat er nog altijd honderdduizenden hervormden zijn, voor wie de Hervormde Kerk een geestelijk huis is, de plaats waar zij het Evangelie mogen horen en Gods lof mogen zingen, de plaats ook van waar zij uit mogen gaan om in het leven van elke dag de strijd vol te kunnen houden en de dienst aan de naaste te kunnen vervullen.

Honderdduizenden hervormden, die van al dat kerkelijk gekrakeel niet al te veel begrijpen, het nog minder kunnen waarderen en hunkeren naar de dag dat zij in de Hervormde Kerk (of desnoods als het niet anders kan in een andere en betere kerkgemeenschap, maar waar is die te vinden? ) weer 'gewoon', in vrees en beven, in hope tegen hope, in liefde elkander verdragende en de een de ander uitnemender achtende dan zichzelf, tezamen christenen kunnen zijn en hun Heer dienen.

Wij hebben met opzet een groot deel van dit artikel voor u overgenomen, om de auteur ten volle recht te doen. In het raam van dit persoverzicht slechts enkele kanttekeningen.

1. Men kan geschrokken zijn van de deining rondom synode en kerk. Het is niet zo best als de kerkelijke strijd voorpaginanieuws is. Anderzijds moeten we zeggen dat de onrust te verkiezen is boven de gezapige rust, waarin men in een zekere laksheid alles maar over zijn kant laat gaan. De polarisatie hangt toch samen met de kwestie van het belijdend karakter van onze kerk; de discussie rondom het Getuigenis raakt toch het hart van het belijden; kwesties als IKOR, secretarisgeneraal, werelddiakonaat, anti-rassisme fonds etc. zijn maar geen beleidszaken, maar verweven met de koers die de kerk vaart inzake het belijden, inzake het weren ook wat het belijden weerspreekt. De onrust in onze kerk is mede een gevolg van een jaren lang heersend onbehagen over de koers van de kerk.

2. De overeenkomst tussen GFR en Geref. Bond inzake de Generale Kas is eveneens meer dan een financiële kwestie. Het verzet van velen tegen de Generale Kas is immers onlosmakelijk verbonden met het feit dat allerlei kerkewerk, waar men principieel bezwaar tegen heeft gesubsidieerd wordt, en dat de organen die dit kerkewerk uitvoeren en uiteraard ten dienste staan van de gehele kerk (vormingswerk, jeugdraad etc.) dusdanig van samenstelling zijn dat de Hervormd-Gereformeerde sector van de kerk van deze diensten om principiële redenen geen gebruik kan maken en wel moet zorgen voor eigen instanties.

Men kan hier wel spreken van richtingspolitiek, wantrouwen, afzijdigheid etc, een feit is, dat de achtergrond van deze zaak toch mede gevormd wordt doordat jarenlang tot op de dag van vandaag de middenorthodoxie zijn stempel zet op het algemene kerkewerk. De inbreng van de middenorthodoxie in raden, commissies, instituten etc. is groot. De rechter-en linkervleugel mogen 'meespelen' via één of twee vertegenwoordigers, maar de middengroep bepaalt de koers. Deze middengroep heeft jarenlang geprofiteerd van de bijdragen uit de landelijke inkomsten. Er is toch veel waars in het gezegde, dat jarenlang een richting gesubsidieerd is. Is het dan niet, afgezien van de overweging dat het door de GFR gesubsidieerde kerkewerk van Herv. Geref. zijde, ook ten dienste van de gehele kerk staat, een zaak van billijkheid dat dit 'gewoon-Hervormde' kerkewerk steun ontvangt uit een fonds als de Generale Kas.

3. Wanneer ds. Landsman zich afvraagt of de oude onderscheidingen niet geforceerd aandoen en of deze kaders niet onmachtig zijn de geloofscrisis tegemoet te treden, of we niet veelmeer gezamenlijk het waagstuk van de ontmoeting moeten aangaan, meen ik, dat ook hier de modaliteitenvisie om de hoek komt kijken. Wat verstaat ds. Landsman onder gezamenlijk wegen zoeken? Dat we b.v. de vrijzinnigheid accepteren of dat we met die theologen de nieuwe theologie van Sölle, Cox e.a. aanhangen en samen een oplossing zoeken? Maar ons bezwaar is juist dat deze gezamenlijkheid ten koste van de duidelijkheid in het belijden gaat. Wat ds. Landsman voorstaat is wat kort na de oorlog de beweging van gemeenteopbouw wilde. Hoe komt het dat deze beweging is vastgelopen? Is het niet mede daardoor, dat men de richtingstegenstellingen wilde begraven en toen toch moest ontdekken dat de verschillen tussen de richtingen te groot waren, dan dat men ze met het woord 'modaliteit' kon toedekken?

Ds. Landsman noemt het gebrek aan samenwerking bij vele Hervormd-Gereformeerden, de geringe bereidheid daartoe. Wij zullen inderdaad moeten erkennen dat onze inbreng in het geheel van de kerk, ook waar deze mogelijk is, vaak te gering is, dat er te weinig van ons uitgaat. Maar we willen anderzijds duidelijk stellen dat men niet moet klagen over gebrek aan bereidheid tot samenwerking, als men niet bereid is duidelijkheid te verschaffen inzake het gezag van de belijdenis, inzake het weren wat het belijden weerspreekt. De discussie rondom het Getuigenis in de synodevergadering van vorig jaar november, hoe hoogstaand ook, liet toch duidelijk zien, dat velen in de synode niet bereid zijn integraal dit reformatorisch geluid te accepteren, maar tot elke prijs een compromis zoeken.

De frustraties die ds. Landsman signaleert, de geringe bereidheid bij velen tot medewerking, en de aggressiviteit van velen, waar we inderdaad bezorgd voor kunnen zijn, hebben m.i. alles te maken met het feit dat velen deze compromissituatie in elk geval niet willen.

Er is reden voor de vraag: Hoe lang nog Hervormd? Wij willen graag de zorg die in deze vraag klinkt en die in dit artikel tot uiting komt, honoreren. Maar het antwoord zal alleen maar gegeven worden als de synode, en de kerk zich duidelijk uitspreken over de betekenis van artikel X van de Kerkorde voor ons kerkelijk leven. Het gaat om niets minder dan om de verbondenheid met en het leven uit de religie van de belijdenis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1972

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1972

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's