Adrianus Bruynvisch en zijn ’Heyl des Heeren’ I
Minder bekende oude schrijvers
Een uitzonderlijke dominee
Zo mag hij wel genoemd worden de man wiens naam hierboven staat, Adrianus Bruynvisch, een uitzonderlijke dominee. Wie zijn preken leest wordt getroffen door de nauwkeurigheid van zijn exegese, de puntigheid waarmee hij zijn stof behandelt, de rijkdom van zijn geest, zijn eruditie, zijn praktische zin en de zuiverheid van zijn theologie en vroomheid. Maar Bruynvisch was ook van goede afkomst, zijn vader Martinus Bruynvisch was een zoon van de zuster van de bekende predikant Godefridus Udemans. Udemans was dus zijn oudoom. Hij moet deze oudoom goed hebben gekend en zal stellig menigmaal hem hebben horen preken. Hij was namelijk zelf al een jongeman van ongeveer 21 jaren toen Udemans stierf. Hij was in Zierikzee geboren, waar Udemans predikant was, hij is er ook later zelf predikant geworden. Allerlei gegevens omtrent het leven van Bruynvisch danken wij aan zijn zoon Johan die na het overlijden van zijn vader een deel van diens preken heeft uitgegeven, de bundel die wij hier bespreken, en dat boek van een lange Voorrede heeft voorzien.
Vele jaren lang hebben de Bruynvisschen te Zierikzee het Woord bediend en de kudde geweid. De reeds genoemde Martinus Bruynvisch, geboren in 1591, kwam in 1628 naar Zierikzee als predikant, waar hij tot 1661, toen hij stierf, zijn oom Udemans als collega bijstond. Vier van de zoons van deze Martinus Bruynvisch hebben eveneens Zierikzee als predikant gediend, allereerst zijn oudste zoon Cornells, die echter spoedig overleed, nog maar 33 jaar oud, toen Adrianus (de man wiens boek wij behandelen), daarop zijn zoon Rochus die echter maar 34 jaar is geworden, en tenslotte zijn zoon Godefridus die 35 jaar werd. Adrianus, de man waar het hier over gaat, is ouder geworden dan zij allen, toch ook maar 49 jaren. Zijn zoon Johan, die wij ook al noemden, was toen eveneens predikant in Zierikzee; hij was de zesde uit dit geslacht, en als wij Udemans meetellen de zevende.
Zelden zal het zich hebben voorgedaan dat een grootvader, een vader en vier zoons en een kleinzoon voor een groot deel gelijktijdig predikant waren in een en dezelfde stad. Maar in Zierikzee is het dus gebeurd, in de familie Bruynvisch.
Zijn levensloop
Na zo een eerste schets te hebben gegeven van de omstandigheden waaronder Adrianus Bruynvisch heeft geleefd, willen wij thans zijn levensloop wat nader bekijken. Hij werd geboren 10 februari 1628. In zijn stad, Zierikzee bezocht hij als jongen gedurende 3 jaren de Latijnse school. In 1645, 17 jaren oud werd hij als student ingeschreven aan de theologische faculteit te Utrecht. Hij genoot daar onderwijs onder andere van Voetius en van Hoornbeek. Later heeft hij zich doen kennen als een voetiaans predikant, in ieder geval wat betreft zijn opvatting van de sabbat. Volgens zijn zoon Johan heeft hij reeds tijdens zijn studie-jaren in Utrecht naam gemaakt. In ieder geval heeft men later vanuit Utrecht hem gepolst of hij van zins was een beroep naar deze stad in overweging te nemen.
Na de hogeschool te hebben doorlopen legde hij voor de classis Brielle het proponentsexamen af. Hij werd als predikant beroepen te Elkerzee, een beroep dat hij aannam. Er waren in die gemeente toen hij kwam maar 40 belijdende leden en de bevolking was over het algemeen genomen ruw. Na er anderhalf jaar te hebben gestaan was het aantal lidmaten met ongeveer 100 vermeerderd en was er veel ten goede veranderd. Maar toen vertrok de dominee dan ook. In Zierikzee was zijn oudste broer Cornells overleden en nu begeerde men hem als diens opvolger. In augustus 1653 deed hij er intrede. Zijn leven lang is hij er gebleven.
Meer dan eens is een beroep op Bruynvisch uitgebracht. Wij noemden al Utrecht, maar ook 's-Gravenhage, Leiden en Amsterdam hebben hun best gedaan deze begaafde predikant te krijgen. Het moet heel wat geweest zijn zowel voor de familie Bruynvisch als voor heel de gemeente en de stadsbevolking toen in april 1663 een deputatie uit Den Haag verscheen, voorzien van een beroep dat de gemeente in de residentie van de stadhouders en de Staten-Generaal uitbracht op hun dominee. Op 30 april 's morgens om 7 uur (onze vaderen waren matineus) werd er een kerkeraadsvergadering belegd, waarbij ook enkele leden van de stadsoverheid tegenwoordig waren, om de Haagse deputatie te ontvangen. De heren uit Den Haag zeiden: Uw dominee heeft nog nooit in Den Haag gepreekt, is daar zelfs nooit geweest, maar het gerucht van zijn gaven en bekwaamheden is tot ons doorgedrongen, nu begeren wij hem als predikant en u wordt verzocht hem te laten gaan. Er werden van de kant van de Zierikzeeërs nogal wat bezwaren gemaakt. De Haagse heren voerden daar tegenin dat het nu eenmaal gewoonte was in de kerken dat wanneer een dominee beroepen werd naar een grotere gemeente men hem liet gaan. Den Haag, zo zei men ook, is een gemeente met meer dan 8000 lidmaten. Bovendien vergaderen daar de hoogste colleges van de Staat. Het is een gemeente waaraan het welzijn van vele andere gemeenten hangt. En bovendien een begaafd en geleerd man als Bruynvisch kon men daar best gebruiken, temeer omdat in deze stad dagelijks mensen te vinden waren uit andere delen van het land of zelfs uit het buitenland. Na dit betoog werd aan Bruynvisch zelf gevraagd wat hij ervan dacht. Maar Bruynvisch wist het niet. Hij zei dat ook eerlijk, hij voelde zich gebonden aan Zierikzee en toch ook getrokken naar Den Haag. Hij zei: Ik bevind mij tussen twee klippen en weet niet waar heen mijn weg is. Zijn verzoek was toen of dan de kerkeraad, samen met de leden van de magistraat als voor 's Heeren aangezicht maar een beslissing wilden nemen. Dat gebeurde inderdaad, de Zierikzeeërs stuurden de Hagenaars onverrichterzake naar huis, wat de laatste de eerste beslist niet in dank hebben afgenomen; zij waren zeer ontstemd.
Ongeveer een half jaar later herhaalde zich de situatie, alleen met dit verschil, dat het nu niet Hagenaars maar Leidenaren waren. Weer weifelde Bruynvisch. Toch gaf hij het nu niet zo gauw over in de handen van de broeders van de kerkeraad als de vorige keer; hij vroeg om 14 dagen bedenktijd, die hem ook gegeven werden. Het heeft echter niet veel uitgehaald, want na 14 dagen wist hij het nog niet, weer gaf hij het over aan de broeders, en die beslisten toen voor hem opnieuw dat hij in Zierikzee moest blijven. Ook de Leidenaren waren boos en dreigden zelfs met, zo mogelijk, in hoger beroep te zullen gaan, waar echter niets van gekomen is.
Later heeft ook Amsterdam het nog eens geprobeerd. Moor toen schijnt Bruynvisch zelf de boot te hebben afgehouden. In ieder geval, hij bleef waar hij was. Hij was zeer verbonden aan de gemeente te Zierikzee, schrijft zijn zoon in de al gemelde Voorrede, en dat zal ook wel zo geweest zijn.
Vele zorgen en veel verdriet
Wat Bruynvisch aan Zierikzee zal hebben verbonden waren stellig ook de doden die hij er begraven had. Wij hadden het reeds over broers die hem vooruit gingen, evenals hijzelf ook dienaren des Woords, en nog zo jong. Maar juist in de tijd die er ligt tussen het beroep naar Den Haag en dat naar Leiden heeft hij ook nog zijn vrouw verloren. Zij was moeder van 8 kinderen, de jongste was nog maar 4 maanden. Zij is gestorven, schrijft haar zoon, in het zalig gevoel van de liefde Gods. Acht dagen na haar begrafenis verscheen Bruynvisch weer voor het eerst op de kansel, hij preekte over de woorden van Naomi: noemt mij niet meer Naomi maar Mara, want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan. Velen in de gemeente weenden. Niet lang daarna verloor hij ook nog twee van zijn kinderen. Toen op een dinsdagmorgen Bruynvisch van de kansel kwam, werd hem meegedeeld dat een van zijn zoons, Cornelis geheten, ergens dood gevonden was. Ongeveer een jaar voor zijn dood was hij zelf zo verzwakt dat hij niet meer de preekstoel op kon en zich weldra ook niet meer op straat vertoonde, hij was toen 48 jaar. Op de 9de mei 1676 stierf hij. Zijn zoon Johan zat tot het laatst aan zijn ziekbed, bracht wakend de nacht bij hem door. Groot was zijn verlangen om bij Christus te zijn; hij telde de uren. In volle vrede ging hij heen.
Al jong had hij er blijken van gegeven dat er geloof en vreze des Heeren in hem waren. Johan vertelt hoe zijn grootmoeder, dus de moeder van zijn vader, daarvan getuigd had. In een tijd dat Zierikzee bedreigd werd door de vijand, immers de oorlog was toen nog, niet ten einde en vijandelijke schepen de stad naderden, vroeg hij als driejarig kind zijn moeder of hij tóch in de hemel kon komen al zouden de vijanden hem doden, waarop de moeder haar zoon troostte met de woorden dat niets ons scheiden zal van de liefde Gods in Christus Jezus; waarna haar zoon volkomen gerust was en zich geheel aan de Heere overgaf.
Zoals gezegd, dit alles is te vinden in de Voorrede die Johan Bruynvisch geschreven heeft in het boek dat hij van zijn vader na diens dood heeft uitgegeven en waarvan de volledige titel is: 'Het Heyl des HEEREN, vertoont in XXI predication over de zaalige geboorte, heerlycke opstandinge onzes HEEREN, en de troostelycke sendinge des H. Geestes'. Het werd uitgegeven in 's-Gravenhage bij Jasper Doll in 1679. Een volgende keer over de inhoud van dit boek.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's