De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Brandende harten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Brandende harten

10 minuten leestijd

Twee opwekkingspredikers in Engeland

De pastorie van een engels dorp staat in brand. Aangestoken door woedende gemeenteleden is het huis in een ogenblik een laaiende vuurzee, waaruit de predikant slechts met de uiterste moeite en gevaar voor zijn eigen leven zijn grote gezin kan redden. Maar dan blijkt het, dat er nog een kind ontbreekt. Opnieuw wil de vader zich in de brandende woning wagen, maar vlammen en vonken drijven hem terug. Ineens verschijnt het kopje van het kind voor een open raam: Vuur boven zijn hoofd, een krans van vlammen achter hem! Toch gelukt het om de jongen te redden. Een man klimt op de schouders van een ander en weet het kind te bereiken en veilig bij zijn ouders te brengen. Letterlijk is hij - zoals hij dat later zelf zal schrijven - een vuurhout, een brandhout uit het vuur gerukt.
Zijn moeder is sinds de dag van die wonderlijke redding er van overtuigd, dat de Here haar jongen heeft bewaard, omdat hij iets groots met hem voor heeft.
Een mening, die bewaarheid is. 'Hij is misschien de grootste christelijke figuur uit de engelse geschiedenis'. Het kind, dat uit de vlammen werd gered, zal het Engeland van zijn tijd - en dat niet alleen - in vuur en vlam zetten. Een vuur, dat nog niet is gedoofd.

Het eerste vuur

Het gaat over John Wesley, die in Engeland heeft geleefd van 1703 tot 1791. Zijn vader was, evenals meerdere van diens voorgeslacht, predikant.

Zijn moeder was een hoogbegaafde vrouw. Ondanks haar grote gezin - zij kreeg negentien kinderen - vond zij de tijd om ook geestelijk aandacht aan allen te geven. Achter deze grote opwekkingsprediker staat, evenals bij meerdere groten in het koninkrijk van God, de gestalte van een vrome moeder.

Als jongen van elf jaar gaat hij naar een school in Londen.

Hij krijgt het daar niet gemakkelijk: zijn vrienden zijn groter dan hij, 'n fijn gebouwd ventje. Ook zijn ze sterker en ruwer. Toch laat de kleine John zich niet weerhouden om elke dag in de Bijbel te lezen.

En dagelijks bidt hij.

Daarna gaat hij in Oxford studeren. Ernst, grote ernst, maakt hij met zijn studie èn met de persoonlijke vroomheid. Uiterlijk was dit allang zo geweest, maar nu gaat het dieper raken. Zijn moeder geeft hem in een van haar brieven de raad om zich voor Gods aangezicht ernstig te onderzoeken. 'Van nu af studeert hij niet slechts om iets van God te weten te komen, doch om God zelf te leren kennen'.

Wat moet het dan voor hem een steun zijn geweest als zijn jongere broer Charles ook in deze stad komt studeren. Deze richt een kleine vereniging op, waar men zich grondig met het nieuwe testament in het grieks gaat bezighouden. Spottende studenten noemen dit spoedig de heilige club.

Hoewel het niet vriendelijk is bedoeld hebben zij wel gelijk. Deze jongeren willen inderdaad die heiligheid bereiken. Zij willen een heilige vergadering zijn. Sober is hun leven, soms ascetisch als waren zij kloosterlingen.

Geen tijd mag verloren gaan. Nu al past hij toe, wat hij later heeft geschreven: 'U bent van geen enkele dag van uw leven verzekerd; u zou dus niet wijs doen, als u een moment liet verloren gaan. Daarom staat hij om vier uur op na een nacht van vijf uren slaap en hij zal dit zestig jaar volhouden.

Vaak, zo vaak mogelijk, wil hij het Heilig Avondmaal gebruiken. Veel, heel veel bidt hij. Vurig en lang.

Elke dag wordt er uit de Heilige Schrift gelezen.

Zo worstelt de jongeman om tot de heiligmaking te komen, zonder welke niemand God zal zien. Zijn heiligmaking draagt — met alle blijken van een grote ernst — echter alle tekenen van zelfheiliging. Het vuur van ijver brandt hoog op de haard van zijn hart, maar kan het hem verwarmen met de gloed, die alleen het evangelie van vrije genade geeft?

Een ander vuur

De zeilen hoog gehesen vaart een schip op de wijde oceaan.

Onder de meer dan honderd opvarenden bevinden zich ook John en Charles Wesley met nog twee van hun vrienden. Zij willen als zendeling gaan werken onder de Indianen. Ook nu weer is er de strenge en strikte methode van werken, want er mag geen tijd verloren gaan. Studie en gebeden wisselen elkaar af. Met gesprekken met de opvarenden, onder wie veel Hernnhutters zijn op weg naar hun nieuwe vaderland in Amerika. De broeders Wesley komen diep onder de indruk van waarachtige vroomheid en ootmoed van deze mannen.

En niet minder van hun moed en vertrouwen.

Er breekt een vreselijke storm los, die het schip dreigt te doen zinken. Golven slaan over dek en luiken. Het schip kreunt en kraakt.

Maar boven het loeien van de storm uit klinkt het krachtig gezang van de Hernnhutters, die zich ook nu veilig weten in Jezus' armen. Zelfs de kleine kinderen to­nen geen vrees.

Zo iets vergeet men niet.

En evenmin een gesprek met een van hen, die hem vraagt of Gods Geest met zijn geest getuigt, dat hij een kind van God is?

'Kent u Jezus Christus? '

Wesley tracht zich uit de pijnlijke vraag te redden en zegt, dat hij gelooft, dat Jezus Christus de Redder van de wereld is. Maar de ander voelt de vlucht in woorden en dringt aan: Dat is waar, maar heeft hij u gered? Die vraag zal blijven branden.

Ik ging naar Amerika om anderen te bekeren, maar ik was zelf nog onbekeerd, klaagt hij later.

Dan wordt het 24 mei 1738 kwart voor negen in de avond.

Wesley is gaan ontdekken, dat hij geheel verdorven is en dat van een kwade boom geen goede vruchten zijn te verwachten. Hij weet dat hij een kind des toorns is. Een kind van de hel. Zijn eigen werken, zijn lijden, zijn eigen gerechtigheid kunnen geen voldoening geven voor zijn zonden, die meer waren dan de haren van zijn hoofd. Zo leert hij naar zijn eigen aangrijpend getuigenis, niets in zichzelf te hebben. Zijn enige kans is de verlossing, die in Jezus is.

Nu verstaat hij — weer halen we zijn eigen woorden aan — dat het geloof, dat hij nodig heeft is een zeker vertrouwen op God, dat door de verdiensten van Christus mijn zonden vergeven zijn en ik verzoend ben met God.

Nu is het die 24e mei 's avonds kwart voor negen. Hij luistert naar iemand, die de voorrede van Luther leest op de brief aan de Romeinen. 'Ik gevoelde mijn hart wonderlijk verwarmd. Ik gevoelde, dat ik op Christus vertrouwde, op Christus alleen om gered te worden. De verzekering werd mij gegeven, dat hij mijn zonden had weggenomen — zelfs de mijne — en dat hij gered had van de wet van zonde en dood.'

Dat ogenblik zal hij nooit vergeten. Een opschrift bij de ingang van Postman's park in Londen geeft de plaats aan, waar deze bekering is geschied. Nu brandt een vuur, dat niet meer doven kan.

Een heilig vuur ontstoken op het altaar van Golgotha.

Het vuur, dat niet anders kan dan branden

Nu brandt de vlam hoog en helder op de haard van het hart, dat Christus als zijn Borg en Zaligmaker heeft gevonden.

De felle gloed van zijn heiligste overtuiging, de brandende begeerte om ook anderen deelgenoot te maken van dit heil drijven hem nu voort. Zelf zegt hij, dat zielen redden zijn beroep is. Een beroep, dat zonder meer beleefd werd als de roeping van zijn God.

In zijn lange leven zal hij 40.000 keer preken. Per paard legt hij lange afstanden af: 7000 kilometer per jaar. Ouder geworden wordt het paard verwisseld met een rijtuig, maar de reizen worden voortgezet. Vijftien keer per week preekt hij. En al zijn preken gaan over de bekering. Hij was begonnen als jong predikant met daar niet over te spreken, want hij meende, dat al zijn hoorders gelovigen waren en velen van hen de bekering niet nodig hadden.

Daarna had hij wel over bekering gesproken, maar 'ik predikte niet het geloof in het bloed van het verbond'. Maar nu is bekering het grote onderwerp van de 40.000 preken.

Bekering nu.
Bekering hier.
Bekering en nog eens bekering.
Bekering en overwinning van het kwaad.

Zijn grote medewerker naast hem is George Whitefield — 1714—1770. Twee mannen met dezelfde heilige bezieling, maar zo totaal anders wat hun afkomst aangaat.

De een, Wesley, uit een pastorie waar vroomheid heerst. De ander, Whitefield, afkomstig uit een herberg.

Zwetsen en drinken, vloeken en vechten zijn er aan de orde van de dag.

De jonge George bevindt zich aanvankelijk in deze wereld van het café van zijn moeder bijzonder wel. Maar als jongen van zestien jaar hoort hij een preek, die hem aanspreekt. De zoon van de weduwe uit de kroeg wil predikant worden. Zelf zorgend voor studiegeld, gaat hij in Oxford studeren. Ook hij wordt lid van de heilige club, want hij verlangt er naar om heilig te zijn. De herinnering aan zijn vroeger, wat losbandig leven, benauwt hem. In een geloofsstrijd, die enigszins aan Luther doet denken, leeft hij eerst in opperste werkheiligheid. Hij wil, hij moet zijn zaligheid bewerken! Maar na een ernstige crisis wordt hij overwonnen door Gods genade. Zo kan hij — predikant geworden — met Wesley prediken.

Wesley preekt waarschijnlijk iets meer tot het verstand van de hoorders, mits u dit niet opvat in de dorre zin. Whitefield richt zich regelrecht tot het hart.

Hij schildert in felle kleuren het lijden van de verlorenen, dat allen wacht, die zich niet bekeren. Maar als bevreesde mensen vragen naar de weg tot redding, klinkt het woord: Bekeert u, bekeert u. Daarin vinden de beide vrienden elkaar: Bekering.

Toch zijn zij geen harde wetspredikers. Eens gebeurde het, dat Wesley werd uitgenodigd om te preken in de kring van de hoogste adel. Zijn tekst was het woord van Johannes de Doper: Adderengebroedsel, wie heeft u aangewezen te vlieden voor de toekomende toorn? Na de dienst zei een gravin, die woedend over deze preek was en hem opvatte als een persoonlijke onbeleefdheid, dat hij daarover beter kon preken in de beruchtq gevangenis van Londen. Waarop Wesley zei: Mevrouw, daar zal ik preken over Jezus' woord: Zie het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt.'

Maar hier was het woord bekering nodig.

Dat was zeker het geval.

De hogere kringen gingen naar de staatskerk, die dreigde te verstarren in dode vormendienst. De anderen waren wel meer rechtzinnig, maar vaak van een rechtzinnigheid, die tevreden was met zichzelf en verdorde tot de dood. Onder de lagere kringen van het volk vond men onkunde en een platvloers leven ver van God en het heil.

Wesley en zijn broer, Whitefield roepen nu de mensen op tot bekering. En het slaat in. Het raakt de harten. Mensen komen tot bekering en geloof. Er zijn stromen van zegen.

Roep in heerlijkheid de zielen steeds tot hoger heerlijkheid, stijgende tot waar zij knielen in aanbidding, gans bereid.

En velen komen naar het gedicht van Charles Wesley tot die heerlijkheid. Gods vlammen branden in de harten van de predikers.

Gods vlammen doen harten door hen ontbranden

Een geestelijke opwekking is geboren in de dorre tijd van 1700 in Engeland.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Brandende harten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's