Die de verste reis mocht doen kan ’t allermeest vertellen
DE HEERE heeft onze gerechtigheden hervoorgebracht; komt en laat ons te Zion het werk des HEEREN, onzes Gods, vertellen. Jeremia 51:10
In vier overdenkingen ook maar het voornaamste van de profetie van Jeremia aan de orde stellen ging vanzelfsprekend niet. Driemaal hebben we geprobeerd iets te begrijpen uit de eerste hoofdstukken. Ditmaal sluiten we af met een tekst uit het voorlaatste hoofdstuk.
U weet nog dat we begonnen met de beroepsbrief van de profeet. Ik noemde Jeremia de profeet-koning, want in opdracht van zijn God moest hij oppersouverein te werk gaan met volken en koninkrijken (1 : 10). Als u zich vervolgens bezig houdt met de prediking van Jeremia, merkt u spoedig dat hij niet onmiddelijk toekomt aan de volken en koninkrijken. Voorlopig had hij de handen vol (tot het vierenveertigste hoofdstuk) aan één volk en één koninkrijk, want het oordeel begint van het huis Gods. Altijd. Na een gratificatiegetuigenis aan het adres van Jeremia's secretaris Baruch volgen pas de profetieën over de overige volken en koninkrijken (46—51). Dan pas worden die naties uitgerukt, afgebroken, verdorven en verstoord. Achtereenvolgens: Egypte, de Filistijnen, Moab en Ammon, Edom, Damascus en de Arabieren, Elam en het hevigst Babel, het land van Juda's ballingschap. Over Babel gaan twee grote hoofdstukken:50 en 51 te weten 46 plus 64 is honderdentien verzen.
De radicale verwoesting van Babel wordt in krasse termen radicaal aangezegd. Babel hoeft zich geen enkele illusie te maken. Ons teksthoofdstuk spreekt van een verdervende wind — uit het noorden — die over Babel zal opsteken, en van wanners en boogschutters die zonder pardon zullen optreden (vs. 1, 2 en 3). Babel zal zinken en niet weder opkomen (64). Juda daarentegen zal als een vuurbrand uit de oordeelsvlammen gered worden. Juda zal terugkeren in eigen land en daar zal de HEERE het koninkrijk bouwen en planten. Dat heeft Jeremia herhaaldelijk aangekondigd in de eerste vierenveertig hoofdstukken. 'Hij wil Jeruzalem herbouwen, vergaren en in vree doen leven die uit Israël zijn verdreven'. De tijdige terugkeer uit de catastrofe die Babel gaat treffen komt in beide hoofdstukken over Babels verwoesting en oordeel steeds opnieuw ter sprake. Daar hebben we geen moeite mee.
Wel zit ik aan te kijken tegen de woorden van onze tekst. Wederkerend Juda zegt: De HEERE heeft onze gerechtigheden hervoorgebracht. Klinkt dat niet zelfbewust? Klinkt dat niet eigengerechtigd? We weten veel te goed om welke reden Juda in ballingschap vertrok. Onze gerechtigheden. Juda kan nog meer vertellen.
Calvijn heeft kennelijk de moeilijkheid gevoeld. Zijn vrij uitvoerig betoog komt erop neer dat we in onze tekst te doen hebben met een betrekkelijke gerechtigheid. Ten opzichte van de HEERE gold voor Juda: ... en gadeslaan onz' ongerechtigheden, wie zal dan bestaan .. .', doch ten aanzien van het tirannieke en trotse Babylon stonden de kinderen van Juda en ook van Israël in hun recht. De Statenvertalers in hun noot op dit vers volgen Calvijn daarin. Ik wil het juiste in de uiteenzetting van de grote schriftverklaarder van Geneve niet miskennen. Toch vraag ik — met veel en gepaste schroom — me af of we toch de uitdrukking niet wat moeten uitdiepen. Dat doen we wanneer we ons rekenschap geven van de genesis — de wordingsgeschiedenis — van de gerechtigheden, waarvan sprake is in onze tekst. Eén aspect is voldoende duidelijk in de bovengenoemde kanttekening van de Statenvertalers: Want ofschoon God met recht zijn volk gestraft heeft, zo was Babel daarom niet onschuldig', we dienen ons evenwel eerlijkheids-en volledigheidshalve af te vragen wat de kastijding van de wegvoering in de Babylonische ballingschap heeft uitgewerkt voor het volk. Nee, Babel ging niet vrijuit. Ze dacht dat ze de vrije hand had. Babel zeide: Ons kan niets overkomen, wij zullen geen schuld hebben want het volk van Juda heeft gezondigd tegen hun HEERE, in de woning der gerechtigheid, ja, tegen de HEERE, de verwachting hunner vaderen' (50 : 7) Babel dacht maar te kunnen doen wat ze wilde. Haar trotsheid zou echter de wraak niet ontgaan en haar zou wedervaren wat ze anderen met name Juda had aangedaan. Babel was een gouden beker en daaruit dronken alle volken tot dolwordens. Openbaring 18 — dat parallel loopt met Jer. 50 en 51 — spreekt van de wijn van de toorn van Babels hoererij, waaruit alle volken gedronken hebben.
Hoererij van afgodendienst en van alle zonden daarmee annex. Geen medicijn is tegen Babels dodelijke kwaal opgewassen en de wereldberoemde medici, die in consult geroepen zijn, keren onverrichterzake naar het land van herkomst terug.
Als u beide hoofdstukken leest van Babels verwoesting en ondergang moet u erop letten hoe zich als het ware daardoorheen slingert telkens en telkens opnieuw de vreugdevolle proclamatie van Israels verlossing en heil. Wanneer we die aankondigingen op de voet volgen krijgen we inzicht in de gerechtigheden van onze tekst.
Ik moet noodgedwongen kort zijn, maar u kunt betreffende verzen nalezen. Hfdst. 50 verzen 4—8: De kinderen van Juda en Israël zullen wenende God zoeken en naar Sion vragen, ze zullen de HEERE worden toegevoegd met een eeuwig verbond en zij zullen vlieden uit het ondergaande Babel; vs. 18—20: sraël zal weer in zijn woning komen en in die dagen en die tijd (van Babels verwoesting) zal Israels ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zij zullen niet gevonden worden, want Ik zal ze aan hen vergeven, die Ik zal doen overblijven; vs. 34: Hun Verlosser is sterk, Hij zal hun twist zeker twisten. En hfdst. 51 vs. 5: Israël en Juda blijven niet in hun weduwschap (vergelijk hiermee de trotse betuiging van Babylon (Op. 18 : 7): k ben geen weduwe. Babel mocht willen). Vs. 24: De boosheid aan Sion wordt voor haar ogen gewroken; VS. 35: Sion zegt het geweld mij aangedaan zij op Babel en mijn bloed op de inwoneres van Chaldea.
Uit deze teksten kunnen we gemakkelijk afleiden hoe in de ballingschap door de louterende tuchtiging de gerechtigheid is geworden en geschonken. Met name wat gezegd is over het niet vinden van Israels ongerechtigheid en Juda's zonden en over de vergeving verklaart alles.
Tenslotte willen we gelet op de relatie tot de terugkeer in eigen land ook zeer beslist Jer. 23 : 6 en 33 : 10: De HEERE ONZE GERECHTIGHEID in geding brengen. In die teksten is immers ook sprake van de verlossing van Jeruzalem.
Samenvattend kunnen we beweren, dat met gerechtigheden bedoeld zijn geen gerechtigheden als resultaat van eigen prestatie of boetedoening, maar gerechtigheden die uit God zijn, geschonken en toegerekend uit vergevende liefde.
Met die zalige ervaringen keert het volk weder naar Sion. In het blijde oord van Sion zullen ze haast voor God verschijnen. Ze leerden immers vragen naar Sion en de weg derwaarts (50 : 5) en Jeruzalem kwam op in hun hart (51 : 50). Laat ons te Sion het werk des HEEREN vertellen. Dat is de wraak Gods over Babel (hfdst. 50 verzen 15, 28 en vooral 25: De HEERE heeft Zijn schatkamer opengedaan, en de instrumenten Zijner gramschap voortgebracht; want dat is een werk van de Heere, de HEERE der heirscharen. In het land der Chaldeeën). Het werk van wederkeer en vergeving, van bevrijding en verlossing. Het werk van de HEERE ONZE GERECHTIGHEID. Zo blijkt te Babel, als in het Babyion van de eindtijd, wat zo prachtig staat in artikel 37 van de NGB: De tirannen worden gewroken, maar de zaak der gelovigen zal blijken de zaak van de Zone Gods te zijn.
Toch rechtvaardig vanwege de HEERE ONZE GERECHTIGHEID.
Wie verre reizen doet kan veel verhalen. Het meeste zal verhalen, die de reis ondernam van het vergelegen land naar het Vaderhuis. Het meeste zal verhalen die uit de verdiende en rechtvaardige ballingschap krachtens de Gerechtigheid Gods gerechtvaardigd mag wederkeren naar eigen land en woning, naar het hemelse paradijs en het nieuw Jeruzalem. Aan het einde van alle ballingschap en levenslange vervreemding zullen het nieuwe en eeuwige Israël alsook het Godlovende Juda groetend zingen: Jeruzalem dat ik bemin, wij treden aan het einde van al onze omzwervingen uwe poorten, poorten der gerechtigheid, in om voor altoos thuis te zijn. De poort des HEEREN, daar zal 't rechtvaardig volk door treên, om hunne God ootmoedig t' eren. Ze zullen eeuwig zingen en zingende vertellen van Gods goedertierenheên en gerechtigheden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's