Adrianus Bruynvisch en zijn ’Heyl des Heeren’
Minder bekende oude schrijvers
Bruynvisch als exegeet
Hoewel Bruynvisch' boek niet bestaat uit exegetische verhandehngen maar uit preken komt toch duidelijk aan het licht dat hij een nauwgezet en kundig exegeet is geweest. Meermalen grijpt hij terug op de hebreeuwse of griekse grondtekst. Hij schuwt zelfs niet hebreeuwse of griekse woorden in zijn betoog op te nemen, al hinderen zij overigens de ongeschoolde lezer niet.
In een preek over Job 19 : 25 geeft hij een opsomming van de verschillende vertalingen die van dit vers mogelijk zijn. Onder andere Luthers vertaling komt indat verband ter sprake, maar wordt ten aanzien van deze tekst op goede gronden verworpen. Luther vertaalde namelijk: Hij (d.i. God) zal ten laatste dage opwekken'. Maar dat kan niet juist zijn, zegt Bruynvisch, want dan had het werkwoord 'opwekken', in het hebreeuws in een andere vorm (nl. in de hiphil) moeten staan. Dit is slechts één voorbeeld van de zorgvuldigheid en kundigheid waarmee Bruynvisch geëxegetiseerd heeft. Er waren meer voorbeelden te geven.
Bepaalde woorden uit het hebreeuws of uit het grieks heeft Bruynvisch behandeld op een wijze die aan hedendaagse theologische woordenboeken doet denken. Wij nemen als voorbeeld het hebreeuwse woord voor vrede 'sjaloom'. Het komt ter sprake in een preek over het Engelenlied: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen' (Lukas 2 : 14).
Vrede is een woord, zegt hij, dat 'na d' eygenschap der Hebreeuwsche tale ... alle heyl en goet' omvat. Sjaloom betekent vrede in ons geweten maar ook vrede met alle schepselen. Het is waar, zo vervolgt Bruynvisch, sinds de komst van Christus, de grote Vredemaker, zijn er nog genoeg twisten en oorlogen geweest in deze wereld; en dat is erg genoeg, de christenen hebben zich er voor te schamen, maar het zou verkeerd zijn hier het christendom zélf op aan te zien. Immers naar haar aard betekent het christendom ook een verzoening en dus vrede onder de mensen. Het blust het vuur van de twist uit; het gebiedt liefde en veroordeelt haat; het geeft ons de 'menschelijckheyt' weder. De vrede waarvan de engelen gezongen hebben moet in de eerste plaats verstaan worden als een geestelijke en inwendige vrede; maar in de voleinding van het rijk van Christus zal zij ook lichamelijk en aards zijn.
Ook de Septuaginta, de griekse vertaling van het O. Testament en de Vulgata, de Latijnse vertaling van de H. Schrift, worden door Bruynvisch steeds geraadpleegd. Zij kunnen echter niet altijd zijn instemming hebben. Wat de Vulgata betreft, zij laat in Job 19 : 27 het woordje 'mihi' - (= voor mij) weg; en dat is nu juist het woord, zegt Bruynvisch waar het in deze tekst op aankomt. Wat heb ik aan al wat hier gezegd wordt als het niet 'voor mij' is?
Behalve diverse vertalingen heeft Bruynvisch ook allerlei commentaren op de H. Schrift geraadpleegd. Die van Calvijn, Junius en Piscator, maar ook die van verschillende kerkvaders en zelfs die van joodse exegeten als Rabbi Manasse ben Israël.
Bij elke tekst vraagt Bruynvisch zich nauwkeurig af welke de plaats is waar het verhaalde is geschied en in welke tijd het heeft plaatsgevonden. Ergens in een Paaspreek laakt hij de 'dwaze schilders' die het soms hebben laten voorkomen als lag Jezus' graf — evenals bij onze graven het geval is — in de grond; zij hadden moeten weten dat het bóven de grond lag.
In een Pinksterpreek over Handelingen 2 wordt door Bruynvisch aangehaald het bekende gezegde van Luther: 'De Talen zijn de scheede, waer uyt het zweert des Geestes getrocken wordt'. Ook Bruynvisch zelf is diep overtuigd geweest van de waarde van het kennen van de grondtalen der Schrift. De kennis die hijzelf daarvan had is niet gering geweest; hij heeft er ook terdege gebruik van gemaakt.
Bruynvisch als polemicus
Toen zijn jongste broer Godefridus overleden was heeft Adrianus Bruynvisch de zogenaamde lijkrede gehouden. Ook deze preek is opgenomen in de bundel die wij hier bespreken. Na in deze preek zijn broer te hebben geprezen als een rechtzinnig man, die zich strikt hield aan Gods Woord en de Formulieren van Enigheid, dat wil zeggen aan de gereformeerde belijdenisgeschriften, voegt Bruynvisch hier aan toe: 'Niet te min (was hij) moderaet (= gematigd), de waerheyt betragtende in liefde'. Bruynvisch wil zeggen: hij was geen drijver! Hij had, zo vervolgt de spreker, een grote afkeer van allen die in ijdele eerzucht meenden dat zij alleen het wisten, als waren zij onfeilbaar. Ontegenzeggelijk heeft Bruynvisch met deze opmerking lucht gegeven aan een sterke afkeer van deze lieden die bij hemzelf even groot moet zijn geweest als bij zijn broer. Predikanten die het lieten voorkomen als waren hun woorden van een groter gewicht dan die van anderen, als waren hun woorden 'oracula' (wonderspreuken), zegt Bruynvisch, lagen noch hem noch zijn overleden broer. Ik heb daar in de kerk, zegt hij, niets dan onheil van gezien.
Nu mene men echter niet dat deze gematigdheid bij de Bruynvischen zou hebben betekend dat zij niet ondubbelzinnig allerlei ketterijen hebben afgewezen en veroordeeld. Het is er ver vandaan. Wie Bruynvisch' preken leest komt daarin herhaaldelijk namen tegen van allerlei kerken en groepen, buiten de gereformeerde kerk, wier leer en praktijk door hem worden veroordeeld.
Het opvallende is echter dat Bruynvischook in zijn polemiek kort en zakelijk blijkt; nergens weidt hij over een bepaalde ketterij erg uit. Men krijgt ook de indruk dat hij de strijd niet heeft gezocht, maar de behandeling van een of andere tekst gaf hem als vanzelf er aanleiding toe deze of gene dwaling af te wijzen. De groepen die door hem genoemd en aangevallen worden in deze preken zijn in de eerste plaats de papisten.
Dwalingen der papisten
De rooms-katholieke kerk was voor Bruynvisch de kerk van bijgeloof en dwaling. Ergerlijk vond hij allerlei praktijken die daarin plaatsvinden, als de jacht op relikwieën, het maken van verre pelgrimstochten, het aanroepen der heiligen, het bidden voor degenen die in de hel zijn, het aanbidden van het sacrament en nog zoveel meer. 'De bygeloovigheyt van de Roomsche Kercke brenght in veelen van haer te wege', zegt hij in een van zijn preken, 'dat sy in verre landen reysen, om de reliquien en overblijfsels der Heyligen te sien'. Op een andere plaats zegt hij, dat het reizen naar het Heilige Land geen enkele zin heeft want dat er sinds Christus' komst geen heilig land meer is. Wat men bij Jezus' graf zoekt, namelijk een grote heiligheid, is ook dwaas en verfoeilijk.
Nog wel zo erg is het machtsstreven dat Bruynvisch de kerk van Rome verwijt. Zij gaat er, zegt hij, prat op de moederkerk te zijn en toch is zij dat niet. De Joodse kerk, dat wil zeggen de kerk van het Oude Testament, is de moederkerk der christenheid, maar niet de roomse synagoge. Wij moeten zonen en dochteren worden van Abraham, de vader der gelovigen, maar wat hebben wij te maken met de Italianen! Met list en geweld heeft Rome in Europa zich meester gemaakt van de macht over heel de christenheid, zij heeft zich de voogdij aangematigd op heel het terrein des geloofs, hetwelk een groot kwaad is.
Ook over de roomse mis heeft Bruynvisch zich een paar keer uitgelaten. Het onredelijke daarvan heeft hem erg gestoten. Brood blijft brood en wijn blijft wijn maar een rooms priester moet geloven dat het brood geen brood en de wijn geen wijn meer is. Hij mag niet afgaan op wat hij ziet, voelt en proeft maar moet op gezag van de kerk aannemen dat brood en wijn veranderd zijn in het lichaam en bloed van Christus. Welk een dwaasheid! De kwestie is niet, zegt Bruynvisch, dat het geloof niet boven de rede zou staan, dat wil ook hij graag beamen, maar onze ogen, onze reuk, onze smaak, ons gevoel zijn ons door de God der natuur en der waarheid niet gegeven om ons te misleiden. Wanneer al deze organen zeggen: het is brood! en het is wijn! dan mogen wij daarop vertrouwen. Elders brengt Bruynvisch de roomse mis nog een keer ter sprake, namelijk daar waar hij de vraag stelt of men van de kerk zich ooit mag afscheiden. Ih ieder geval zal men dat nooit lichtvaardig mogen doen, zegt hij. Men zal moeten beginnen met in de kerk veel te verdragen, want geen kerk is zonder vlek en rimpel. Toch is er een grens. Men zal nooit met de afgoden gemeenschap mogen hebben. Onze voorouders hebben in de roomse kerk niet kunnen blijven zonder gedwongen te worden een stuk brood te aanbidden inplaats van de levende God. Toen konden zij op geen andere wijze met Christus verenigd blijven dan door zich af te scheiden van de kerk van Rome. Trouwens, zij zijn er meer uitgejaagd dan dat zij er zelf uitgegaan zouden zijn. De bloedige placcaten van de keizer en de vervloekingen (anathema's) van de paus en van Trente hebben hen uit de kerk verdreven. Bruynvisch kan het onmogelijk eens zijn, zegt hij in dit verband, met het standpunt dat indertijd door Erasmus is ingenomen. Volgens Erasmus hadden onze vaderen in plaats van een nieuwe kerk te stichten in de oude roomse kerk moeten blijven, in de hoop dat het in die kerk zelf tot een hervorming zou komen. To zo ver over wat Bruynvisch opgemerkt heeft in zijn preken ten aanzien van de kerk van Rome.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's