Uit de pers
Nabetrachting op de vredesweek
Het is moeilijk na te gaan of de vredesweek die elk jaar door het Interkerkelijk vredesberaad op touw gezet wordt en die dit jaar gehouden is van 24 september tot 1 oktober, ook werkelijk weerklank vindt in de gemeenten, in die zin dat een zo breed mogelijke groep gemeenteleden daaraan deelneemt.
Men kan zeggen: De problematiek van oorlog en vrede en al wat daarmee samenhangt is te ingrijpend dan dat men er aan voorbij mag gaan. Belangrijker nog: De Schrift spreekt breed en diep over de sjaloom, de vrede van de Messiaanse tijd, over het Rijk van God, waarin recht en gerechtigheid zullen heersen. Ook dat biedt stof te over om er in prediking, kringwerk en gemeentelijke bijeenkomsten mee bezig te zijn.
Toch hebben we de indruk, dat de eenzijdige wijze van voorlichting en met name ook de invloed van de horizontalistische theologie vele gemeenteleden kopschuw maken. Men kan dan tegenwerpen: Deze eenzijdige voorlichting is mede een gevolg van het feit dat zij die begeren te denken en te werken in het spoor van de reformatorische belijdenis, zo vaak verstek laten gaan als het erop aankomt de consequenties van dit belijden voor de politiek en de maatschappij te doordenken. Dat zullen we niet gemakkelijk naast ons neer mogen leggen. Niettemin is het genoegzaam bekend dat de samenstelling van allerlei organen die zich met deze vragen bezighouden vaak van dien aard is, dat het confessionele geluid er vaak eenzaam klinkt en nauwelijks aandacht krijgt.
Intussen is de vredesweek er geweest. En op grote schaal is de vredeskrant verspreid. U weet: Het ging dit jaar over het thema 'De macht van Europa'. Er werd duidelijk stelling genomen tegen NATO en EEG. Nu zal niemand eraan denken deze organisaties kritiekloos te verheerlijken. De Kerk kent maar één Heere, nl. Jezus Christus. Ook de westerse machten zijn daaraan onderworpen en staan onder Zijn kritiek. Maar toch laat het zich verstaan, dat prof. dr. G. C. van Niftrik in een nabetrachting op de vredesweek scherpe kritiek uitoefent op de teneur van de vredeskrant. Van Niftrik doet dit in het Hervormd Weekblad van 12 oktober. Hij begint met op te merken, dat het ook hem begonnen is de vrede voor te staan. Maar wat moet dan vanuit de Schrift gezegd worden?
Wat moet er gezegd en bedacht worden als het in de vredesweek over vrede gaat? Dan moet er toch iets hoorbaar worden van de boodschap van de apostel Paulus, die gewaagde van de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat en onze harten en gedachten behoedt in Christus Jezus (Philipp, 4:7). Als het in nieuw-testamentische zin over vrede gaat, dan moet er een kerk zijn, die blij en dankbaar betuigt: Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus (Rom. 5 : 1). In een goede vredesweek wil ik proberen te verstaan wat Jezus precies beloofde toen Hij zei: Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld dien geeft, geef Ik hem u (Joh. 14:27). Nu weet ik al bij voorbaat hoe degenen, die achter de vredesweek staan, op het voorafgaande zullen reageren. Zij zullen zeggen, dat ik stichtelijkheid en innerlijkheid wil, dat ik een piëtist ben en geen oog heb voor de universele en kosmische perspectieven van Gods vredesbelofte. Maar dan hebben zij het mis. Ik en alle zogenaamde piëtisten met mij bidden: Mogen de bergen den volke vrede dragen (Ps. 72:3) en wij zien uit naar de vervulling van de belofte in Jes. 11, naar de tijd, waarin men geen kwaad zal doen noch verderf stichten op gans de heilige berg des Heeren, omdat de aarde dan vol zal zijn van de kennis des Heeren (Jes. 11:9). Maar in de bijbel komt het heil zowel individueel als universeel helemaal van God. In de bijbel heet Christus onze vrede (Eph. 2:14) en wordt er vrede verkondigd aan hen, die verre zijn en aan hen, die dichtbij waren, want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader (Eph. 2:17). Vrede is niet primair het werk van mensen; vrede is primair het werk van God. Die vrede moet niet nog moeizaam tot stand gebracht worden door menselijke inspanning, maar die vrede is er en die vrede heet Jezus Christus. Een vredesweek, die niet begint èn eindigt met de verkondiging van déze vrede, de ene en enig wérkelijke vrede, heeft met kerk en evangelie eigenlijk weinig of niets te maken. De vredeskrant 1972 roept ons op tot strijd tegen de machten (veiligheid door de NATO en welvaart door de EEG!!) en tot ombuigen van de structuren, maar verzuimt om op te roepen tot persoonlijke bekering en vernieuwing. Wij ontkennen niet, dat de christenen een politieke taak hebben in deze wereld, maar daarover moeten zij niet al te veel drukte maken. Het zal hun immers op z'n best gelukken hier en daar in deze wereld een teken op te richten van de verwachting, die in hen leeft, maar zij moeten zich niet verbeelden deze wereld ook maar een stap verder te kunnen helpen op de weg naar het Koninkrijk van God. Wanneer ik de bijbel lees vind ik nergens houvast voor een evolutionistisch optimisme, dat het huidige politieke activisme bezielt. Het kan inderdaad z'n nut hebben wat te sleutelen aan de structuren, maar als de mensen niet veranderen, zal de omzetting van structuren bijzonder weinig baten. Ik kan ook in de bijbel niet zoveel grond vinden om te veronderstellen, dat de mensen beter zullen worden. Wat wij allemaal in de eerste plaats nodig hebben is een nieuw hart. Wat ons in deze jaren, waarin zo ontzaglijk veel over menselijkheid en solidariteit wordt gesproken en gejubeld, pijnlijk treft, is de toenemende agressiviteit, hardheid, verwaarlozing van de meest elementaire beleefdheidsvormen. Dieper gepeild: De mens is van nature geneigd God en de naaste te haten. Hoe vaak heeft men tegen deze uitspraak der belijdenis geprotesteerd en toch bleek zij telkens weer waar te zijn. Waar geen liefde is, heerst ook geen vrede. Als wij werkelijk vrede willen, dan zullen wij niet met structuurverandering moeten beginnen, maar mensen moeten oproepen tot liefde jegens God en de naaste. Dan zal er in de huiselijke samenleving iets veranderen. Men moet nu eenmaal bij Jeruzalem beginnen. Ik ben ervan overtuigd, dat de christelijke liefde wegen en middelen zal vinden om hier en daar, wellicht op vele plaatsen veranderingen, omzettingen, verbeteringen tot stand te brengen. Daarover zullen wij niet gering mogen denken en daaraan zullen wij alle krachten moeten wijden. Maar om wanhoop en teleurstelling te voorkomen, zal de kerk er steeds aan moeten herinneren, dat het Koninkrijk Gods nog niet gekomen is en dat dat Koninkrijk niet opbloeit uit het proces der geschiedenis. Wat helpen door revolutie veranderde structuren, als de mens niet verandert en leert God en de naaste lief te hebben? ! Wij willen wachten op het Rijk van God. De vrede is er. Die vrede moet gepredikt worden. Tot die vrede moeten de mensen geroepen worden. En die vrede, die als een wonder van God komt, moeten de mensen leren verwachten. Het stille verbeiden behoort tot het wezen der vroomheid.
Het is opvallend en kan voor iedereen duidelijk zijn, dat het appèl van het Getuigenis aan de opstellers van de vredeskrant voorbijgegaan is. Wel de oproep tot strijd tegen de structuren, maar niet het appèl tot persoonlijke vernieuwing van het hart. Men zal natuurlijk wel weer zeggen dat een artikel als van Van Niftrik de polarisatie in het leven houdt. Ik meen omgekeerd te mogen stellen, dat elk vredesberaad dat niet begint met de oproep tot persoonlijke bekering en vernieuwing tot mislukken gedoemd is. Van Niftrik wijst er in zijn artikel voorts op, dat ook de visie op de prediking van Jezus in het geding is. De uitermate zwakke bijbelse fundering, sterker gezegd de verpolitisering van het bijbels getuigenis zijn oorzaken dat vele gemeenteleden niet mee willen in het spoor van deze politieke activiteiten.
Naast dit theologische bezwaar ten aanzien van de bijbelse fundering gaat de Amsterdamse hoogleraar nog op een ander punt in.
Er zijn nog meer bezwaren tegen de vredeskrant in te brengen. Het interkerkelijk vredesberaad maant parochies en gemeenten, classes en provinciale kerkvergaderingen immers aan een Brand(t)-brief naar een Duitse gemeente of parochie enz. te zenden. In die Brand(t)-brief wordt de dankbaarheid van de verzenders over de ratificering van de verdragen van de Bundesrepubliek met staten van het oostblok tot uiting gebracht. Men kan die brief moeilijk verzenden, wanneer men niet achter de politiek van de heer Brandt staat. Dr. C. P. van Andel zegt dit ook onomwonden in 'Dit', het maandblad van de Hervormde gemeente Amsterdam. Hij gewaagt van het 'uiterst belangrijke werk, dat bondskanselier Willy Brandt dit jaar ondanks de tegenwerking van de CDU tot stand heeft gebracht'.
De brief moet niet alleen een dankbrief aan Brandt zijn, maar ook echt een brandbrief. 'Want wie ziet niet met zorg de ontwikkeling in de Bondsrepubliek tegemoet, waar semi-fascisten als Franz Josef Strausz en zijn partijgenoten in de CDU alles doen om het werk van Brandt weer ongedaan te maken'. 'Als de heer Strausz wint, dan weten we wel ongeveer hoe de macht van Europa er straks uit zal zien'. Op grond van het evangelie moeten we vóór Brandt zijn en tégen Strausz.
Nu ben ik er zeker van, dat ik, wanneer ik in Duitsland zou wonen en daar stemrecht had, op de CDU zou stemmen en niet op de SPD. Ik mag dan bezwaren hebben tegen de CDU, maar ik zou er toch op stemmen. Mag dat? Dr. Van Andel zegt, dat het op grond van het evangelie niet mag. Ik ben blij voor hem, dat hij dat zo goed weet, maar ik zal mij er niets van aantrekken. Het behoort tot de vanzelfsprekendheden van deze tijd, althans in de leidende kringen, dat een christen. socialist is. Daar behoeft verder niet over gediscussieerd te worden; dat spreekt vanzelf.
Het is een merkwaardige zaak, dat in een tijd, waarin men voortdurend spreekt over de mondigheid van de christen en de burger, waarin men een anti-autoritair is en elk paternalisme verfoeit, diezelfde christen en burger zo betutteld en gemanipuleerd wordt. De vredeskrant heeft dit jaar duidelijke politieke consequenties getrokken. Mij al te duidelijk! Niemand behoeft mij voor te zeggen of ik al dan niet zal sympathiseren met de CDU. Op de keper beschouwd vind ik de onverholen 'rode' reclame van dr. C. F. van Andel in het Amsterdamse maandblad 'Dit' nog onschuldig, immers onmiddellijk doorzichtig, vergeleken met de politieke propaganda, die prof. Berkhof door middel van exegese van paulinische teksten bedrijft. Prof. Berkhof schrijft over de macht en machten. De macht is in dit verband de macht van Jezus' liefde en verzoening, die de overwinning heeft behaald op de machten in het meervoud. Wat moet onder die machten in het meervoud verstaan worden? Het antwoord van prof. Berkhof luidt: Gedragspatronen die de doorstroming van de liefde in de wereld blokkeren'. Voorbeelden: de traditie, de mode, het groepsbelang, de gangbare moraal. Verder ook nog: het nationaal-socialisme. Dan ten slotte: heiligheid en welvaart, te weten: de NAVO en de EEG. Wat moet men nu van zulk een exegese zeggen? Vermoedelijk heeft Paulus bij de 'machten' aan sterregeesten gedacht, in ieder geval aan objectieve grootheden, die de mensen knechtten zonder dat die mensen op de machten invloed konden uitoefenen. Als ik dus de 'machten' voor onze tijd zou moeten interpreteren, zou ik gewagen van de machten van dood, zonde, schuld, leed en lot. Waar mensen machteloos staan, mogen zij uit het Evangelie horen, dat Christus voor hen de machten heeft overwonnen. Met gedragspatronen, mode, maar ook met de NAVO en de EEG ligt het heel anders. Dat kiezen de volkeren of dat verwerpen ze. Blijkbaar kiezen de volken nog steeds in meerderheid NAVO en EEG. De Noren willen de EEG niet; de Denen wel. Dan gaat het om een keuze in vrijheid, waarbij de meerderheid beslist. Daarbij moet volgens de democratische spelregels de minderheid zich neerleggen. Dat valt die minderheid soms moeilijk. Maar dan gaat het niet aan hetgeen men niet wil tot 'macht' te verklaren, die door Christus is overwonnen! Politieke propaganda met bijbelteksten is altijd een kwalijke zaak. Vroeger waren de rechtse broeders meesters in deze kunst; tegenwoordig komt het meer van de linkse kant. Het gaat niet aan NAVO en EEG zonder meer aan te wijzen als door Christus eigenlijk reeds overwonnen machten, die wij nu ook als zodanig zouden moeten behandelen. Er zijn volgens Coloss. 1 : 16, 17 door Christus ook goede, niet afgevallen machten geschapen. Men moet toch rekening houden met de mogelijkheid, dat NAVO en EEG tot de goede machten behoren. Ik zeg niet, dat zulks het geval is; ik keer mij alleen tegen het absolutisme en de vanzelfsprekendheid, waarmede NAVO en EEG tot de door Christus overwonnen en dus in wezen verkeerde machten gerekend worden.
Het is een triester zaak dat het Interkerkelijk vredesberaad zich meer en meer laat leiden door een linkse politieke stellingname, dan door het Bijbels getuigenis. Dat vele gemeenteleden deze propaganda afwijzen, laat zich verstaan. Niettemin de zaak van oorlog en vrede is te belangrijk dan dat men eraan voorbij zou gaan. Wij zijn er niet met 'nee' te zeggen tegen het interkerkelijk vredesberaad. Wij zullen ook positief vanuit de Schrift hebben te spreken. In dit bijbels spreken zal in elk geval verdisconteerd dienen te worden, wat Van Niftrik aan het slot van zijn artikel zegt: De horizontale vrede betekent niets zonder de verticale dimensie.
Belijdenis en tucht
Naast het artikel van prof. Van Niftrik geven we iets door uit een artikel van zijn Amsterdamse collega, prof. dr. K. Strijd, die in het themanummer van "Woord en Dienst van 7 oktober, over belijdenis doen, een artikel schreef over belijdenis en tucht. Volgens onze kerkorde, artikel X weert de kerk immers alles wat haar belijden weerspreekt. Doorgaans wordt dan primair gedacht aan leertucht.
Prof. Strijd die destijds in 1961 in een referaat de mogelijkheid van leertucht nog stelde, meent nu, dat we ten aanzien van de leertucht radicaal moeten zeggen: Wij moeten die maar heel lang ter zijde laten. Wij hebben er geen tijd voor. En bovendien voldoet de kerk niet aan de voorwaarde voor alle leertucht, dat zij in wat zij doet, in haar beslissingen en gezindheid een herinnering oproept aan Jezus Christus. Wat moeten we dan aan met de' tucht? En hoe is de relatie tussen tucht en belijden?
Strijd schrijft in dit verband:
Onze wereld wordt door vernietiging bedreigd. De toekomst staat op het spel. Maar wat doen de kerken concreet? Dat is nog niet zo bar veel. Neem het punt van de NAVO, een uiterst belangrijk element in wat Dieter Senghaas noemt deze wereld van georganiseerde vredeloosheid. De kerken hebben vanaf het begin de NAVO gesteund en ze blijven dit doen. Vanuit Christus, vanuit de oudtestamentische profeten, had de kerk op tijd moeten spreken en zich tegen de NAVO met z'n blokpolitiek en z'n kernwapens moeten verzetten. Zij had de ideologie van de NAVO moeten helpen ontmaskeren — zo had zij ook hulp verleend aan de doorbreking van de machts-en geweldsspiraal. Nu heeft zij zich — ook de Ned. Herv. Kerk — óf in stilzwijgen gehuld of zij is in onwerkelijke scherpzinnigheden gevlucht. In de praktijk is de NAVO het dertiende geloofsartikel geworden op het opschrift boven de twaalf. Dat schijnt zo te blijven.
In de Vredeskrant 1972 over 'De macht van Europa' wordt een enkele maal de NAVO genoemd, maar dat heeft niet veel om het lijf. Van voorlichting en doorlichting vanuit de kern van het christelijk belijden geen spoor. Dit zwijgen weerspreekt het belijden. Voor het alsnog aanvaarden van onze opdracht ten aanzien van alles wat met de NAVO te maken heeft — daar moeten we onze tijd voor gebruiken en niet voor eventuele langdurige en nutteloze leertuchtprocedures.
Een ander punt. Christenen in Latijns-Amerika leggen er de nadruk op, dat christen-zijn betekent: vrij-zijn (Gal. 5:1) en dat christenen en kerken in arme en rijke landen gezamenlijk moeten deelnemen aan geweldloze strijd vóór de bevrijding. In Brazilië werden in 1970 leidraden en werkmappen voor het godsdienstonderwijs als eenzijdig en staatsgevaarlijk verboden. Wanneer zal men dit in ons land ooit van ons catechisatiemateriaal zeggen? De bijbel in onze situatie zou er wel aanleiding toe geven. Belijden is een zaak van daad en dood (in Latijns-Amerika kan het je het leven kosten) en woord. Dat moeten we leren ontdekken.
Ik geloof, dat wij in theologie en kerk een sterk eenzijdig accent moeten gaan leggen. Dat is meer gebeurd. B.v. in de Reformatie, toen Luther een sterk eenzijdig accent legde op de rechtvaardiging door het geloof alleen. Zo zullen we nu de nadruk moeten leggen op de prioriteit van bevrijding-als-actle, allereerst met betrekking tot wat mèt medewerking van Nederland thans in de wereld èn in eigen land (en 'rijksdelen' — Suriname!) gebeurt. En de theologie dan? Waar blijven zo genade en verzoening? Wel, dit alles komt zo op de beste manier aan de orde. Vanuit de situatie waarin wij verkeren, en op tijd en niet te laat.
De volgorde zal dus anders moeten worden dan zij nu vaak betracht wordt. Niet: eerst de referentie (uiteenzetting van het christelijk belijden) en dan de consequentie (wat dit betekenen kan in persoonlijk leven en in de politiek). Niet: eerst de exegese (uitleg van de bijbeltekst) en dan verwijzing naar de exodus. Maar: eerst de exodus: men moet kunnen zien hoe de christelijke gemeente uittrekt uit het slavenhuis van de NAVO — en dan de exegese. Waarom? Omdat de oude weg steeds weer op niets uitloopt. Na de exodus komen de bijbelse en theologische vragen vanzelf en functioneren beide op volle toeren.
De gereformeerde prof. Kuitert schreef aan het eind van zijn boek 'De realiteit van het geloof' (1966, 222): 'Iemand kan b.v. vandaag orthodox in de leer zijn, trouw aan de formuleringen van het voorgeslacht, en tegelijk anti-semiet (....)' De schrijver zegt, dat dit natuurlijk niet kan. En dan volgt: '(...) misschien komt er nog een tijd, dat we elkaar met zekerheid erbij kunnen zeggen: ook het christendom en oorlogvoeren sluiten elkaar uit (zoals we ook eenmaal ontdekt hebben dat christen-zijn en slavenhalen elkaar wel moesten uitsluiten'.
Dit soort zaken moet prioriteit krijgen. Belijden is een zaak van daad en dood en woord.
U ziet wel: door de 'tucht' aan de orde te stellen komen we bij de noodzaak van een nieuwe reformatie uit.
Ik zou hierbij de volgende opmerkingen willen maken:
a) Men zal niet lichtvaardig met de leertucht mogen omgaan. Niettemin heeft de Kerk in haar ambtelijke organen toe te zien op de inhoud van de prediking. De NTische brieven kennen wel degelijk de zorg om de rechte leer. Denk aan 1 Johannes en de brief van Judas. Men kan ook denken aan Efeze 4 : 14.
b) Uit het stuk van Strijd krijgt men de indruk dat 'leer' en 'leven' tegenover elkaar gesteld worden. De actie, de daad gaat voorop. Die moet prioriteit krijgen. Vanuit de praxis komen dan de theologische en bijbelse vragen wel aan de orde. Ik meen, dat zich hier een bepaalde filosofische visie verraadt, die tegenwoordig 'in' is. Bovendien wordt op deze wijze de verhouding van geloof en werken omgedraaid. Het Evangelie wordt op deze wijze een wet.
c) Christenen moeten uittrekken uit het slavenhuis van de NAVO. Ook hier de vereenzelviging van anti-goddelijke macht en een politieke structuur. Met welk bijbels recht kan Strijd zo spreken? Het is zijn goed recht kritisch over de NAVO te denken. Maar het getuigt van politiek wetticisme, als men ieder die er anders over denkt, beschuldigt van ongehoorzaamheid aan Jezus Christus! Profeten en apostelen worden dermate verpolitiseerd, dat men ze precies kan laten zeggen wat in het — in dit geval linkse — straatje past. Begrippen als uittocht, bevrijding etc. worden m.i. door Strijd geseculariseerd. Christen-zijn betekent inderdaad 'vrij zijn'. Maar waarvan? en waartoe? Ik meen, dat het NT anders spreekt over de vrijheid in Christus, dan dit politieke spreken van Strijd.
d) Welke theologie gaat er schuil achter de uitdrukking: Eerst de exodus? Ik meen, dat Strijd de uittocht uit Egypte niet alleen verpolitiseert, maar ook losmaakt van de context waarin deze staat in de Schrift. Het is toch niet toevallig dat Genesis aan Exodus voorafgaat. Eerst de schepping en dan het verbond der genade, de verlossing en de uittocht. De volgorde zou wel eens bepalend kunnen zijn voor ons spreken over de uittocht.
Maar al te dikwijls wordt gesproken over een uittocht uit het bestaande. Terwijl in de Schrift de uittocht uit Egypte toch niet los staat van de worsteling waarvan Genesis 3 : 15 spreekt. En wie in zijn theologisch denken de volgorde schepping-valverlossing wil honoreren zal ook anders spreken over de bestaande structuren dan zij die alles op de ene kaart van de uittocht zetten. Verlossing van zonde, demonic en schuld is nog wat anders dan uittocht uit het bestaande. Men zal toch op zijn minst hebben te verdisconteren hoe in de bestaande ordeningen en structuren toch ook iets zichtbaar wordt van het onderhoudend werk van God de Schepper die deze wereld bewaart voor de chaos.
Wie de twee stukken van de beide Amsterdamse hoogleraren naast elkaar zet, ontdekt tegelijk waar de tegenstellingen schuilen in het leven van de kerk. Wij hebben geen behoefte aan een ongezonde polarisatie. We menen anderzijds dat juist de overtrokken wijze waarop prof. Strijd de bijbelse begrippen in een — zeer bepaalde — politieke context plaatst, de polarisatie in de kerk versterkt. Als wij tucht willen uitoefenen dan toch niet op deze manier!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's