Inwendige roeping en menselijke verantwoordelijkheid
Pastorale overwegingen
In ons vorige artikel over de roeping Gods hebben wij gezien, hoe de Heere door een bijzondere trekking van Zijn Geest het hart van de Zijnen ontsluit voor Zijn roepstem in het Woord. Hij roept Zijn kinderen hoofd voor hoofd, doet ze in verslagenheid des harten buigen voor Hem de Schepper in al de rechten en dreigingen van Zijn heilige wet en leert hen vervolgens al hun zaligheid buiten zichzelf in Christus Jezus zoeken. Dat geschiedt op allerlei wijzen. Paulus is anders getrokken dan Timotheus. 't Kan al zo vroeg in een mensenhart leven, 't Kan ook zo plotseling, als een bliksem vanuit een heldere hemel, ons bestaan binnenbreken. Dat is de vrijheid van Gods Geest. En niemand mag dat werk des Geestes in een systeem brengen. Maar ieder, die er deel aan kreeg, zal vol verwondering belijden: 'De Heere is mij te sterk geworden'. En het zal hem een voortdurende reden van verwondering zijn, dat de goede Herder, die eenmaal begon met het noemen van zijn naam, blijft doorgaan met trekken, heel het leven door: Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken' (Joh. 10:27, 28).
Roeping en verkiezing
Deze inwendige roeping door Woord en Geest nu is een uitvloeisel van de uitverkiezing. Want 'die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen' (Rom. 8 : 30a). En aan Timotheus schrijft Paulus (1 Tim. 1:9): Die ons heeft zaliggemaakt en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen'.
Reeds in het begin van het werk Gods in ons ligt dus een blijk van Gods verkiezende genade. En naarmate deze onwederstandelijke roeping Gods de gelovige hoe langer hoe meer met Christus verenigt, naar die mate klimt de gelovige via Christus ook op tot het eeuwige raadsbesluit van God en tot Zijn eeuwige ontfermingen, zodat hij de grondslagen van zijn zaligheid tot zijn diepe vreugde ziet liggen in Hem, Die voor de grondlegging der wereld reeds het oog op hem had. Calvijn noemt de roeping 'het pand der zaligheid'. Dat wil niet zeggen, dat een gelovige reeds vanaf het moment, dat de eerste roerselen van het werk des Geestes in zijn hart zijn, zekerheid van zijn verkiezing heeft. Vaak wordt hij erover aangevochten. Soms probeert hij in de tekenen der genade zijn zaligheid te gronden. En dan is er een vals rusten in de bevindingen in plaats van in de Christus der bevinding. Die de enige grond en het enige fundament onzer zaligheid is. Dat is bijzonder remmend voor de doorbraak van het geloofsleven. Als Gods kind dan ook in de bemoeienissen van God, die hem tot Christus roept, met een 'innerlijk vermaak' de blijken van Gods verkiezing mag opmerken, dan zal dat, als het goed is, nooit buiten het geloof in Christus omgaan. Met andere woorden: en wordt niet eerst verzekerd van Zijn verkiezing en van zijn aanneming tot kind van God om daarna de openbaring van Christus aan zijn ziel te doorleven. Op welke gronden zou men verzekerd kunnen worden van zijn verkiezing of vertrouwen kunnen krijgen, dat God onze zaligheid bedoelt, buiten het geloof in het enige fundament onzer zaligheid, Jezus Christus, om? Eerst in de geloofsomhelzing van deze enige grond onzer zaligheid komt het hart tot rust en openen zich perspectieven naar de eeuwige verkiezende genade van God. 'Christus', zei Calvijn, 'is de spiegel onzer verkiezing'. En door een steeds nauwere vereniging met deze Zaligmaker komen ook die dingen in het leven van de gelovigen openbaar, waardoor zij hun roeping en verkiezing gaan vastmaken, zoals deugd, kennis, matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde, liefde jegens allen (2Petr. 1 : 5 vv.).
Buiten de uitwendige roeping om?
Als wij nu echter inwendige roeping en verkiezing zo nauw aan elkaar verbinden, lopen wij dan niet gevaar, dat wij in- en uitwendige roeping van.elkaar gaan losmaken? Het komt er immers maar op aan, dat wij inwendig getrokken worden? ! Dat wij gedoopt zijn en de tekenen van Gods genadeverbond dragen, dat wij onder de prediking komen en duizenden keren horen, dat God onze dood niet wil, wat heeft het eigenlijk voor betekenis, als onze ogen niet geopend worden door de Geest van God? Zonder dat laatste is noch de doop noch de prediking ons tot nut. Of, om nog een stapje verder te gaan, brengt het zien van al die uiterlijke voorrechten van het verbond: het gedoopt zijn, de prediking, het kerkgaan niet de verleiding met zich mee, dat wij er vals in gaan rusten en in een oppervlakkige godsdienst menen, dat het daarmee gedaan is? En om dan tenslotte nog één stap verder te gaan: Mogen wij over de uitwendige roeping Gods door het Woord wel zo positief spreken als wij in onze vorige overwegingen hebben gedaan? Komt de roeping door het Woord en de prediking werkelijk wel tot iedereen? Hoe is het mogelijk, dat God ook diegenen ernstig en welgemeend roept via de algemene aanbieding van Zijn heil in de Woordbediening, van wie Hij van eeuwigheid besloten heeft om ze de genade van het geloof in Zijn heil nooit te geven?
Het welmenend aanbod van genade
Het is niet de bedoeling in het kader van onze pastorale rubriek uitvoerig in te gaan op de bijbels-theologische en dogmatische achtergronden, die achter deze vragen schuilgaan. We kunnen volstaan met te zeggen, dat de heilige Schrift ons zonneklaar leert, dat ieder mens van Godswege ernstig en welgemeend geroepen wordt, wanneer hij onder het Woord komt. De tranen van Christus zijn geschreid over dat Jeruzalem, dat Hem aan het vloekhout bracht. Wij komen door de verkondiging van Gods Woord tot eeuwig leven, of we komen daaronder eeuwig om. En dan getuigt zowel de wet in al zijn aanklachten alsook het Evangelie met al zijn liefdesbetuigingen eeuwig tegen ons.
De kerkdienst is, zoals wij zagen, niet maar een samenkomst van mensen, waar een vermanend en opwekkend woord gesproken wordt en waarvan God dan wel eens gebruik maakt. Onder de bediening des Woords zijn we a.h.w. op een magnetisch veld. We worden onder stroom gezet. Het schokt door ons heen of we gaan de kerk uit, zoals we erin gekomen zijn.
Maar in het laatste geval zijn we dan wel als een steen. Verder is ook onze inlijving in het verbond door de doop een hoogst ernstige zaak. Het stelt ons voortdurend onder de eis van bekering en geloof. Het spreekt van een liefde, die van één kant komt, van Gods kant en waarmee de Heere verloren zondaars naar Zich toe wil trekken. Wanneer iemand dan ook tot geloof komt, krijgt het verbond en de doop voor hem rijke betekenis. Het kapitaal gaat rente opleveren. In de tijd van de Reformatie werd gesproken over een 'regressus ad baptismum', een gelovig terugvallen op de doop gedurende het hele leven. Luther schreef op de muren van de Wartburg: 'Baptisatus sum — ik ben gedoopt'. Dat troostte hem in zijti aanvechtingen.
De Dordtse Leerregels zeggen: 'Doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen. Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in Zijn Woord, wat Hem aangenaam is; namelijk dat de geroepenen tot Hem komen. Hij belooft ook met ernst allen, ' die tot Hem komen en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven' (III, IV, 8).
Wij moeten dus in- en uitwendige roeping niet van elkaar losmaken, ook al zullen we die twee op een Schriftuurlijke wijze van elkaar onderscheiden. Wanneer God ons door Zijn Geest innerlijk en krachtdadig roept, dan betekent dat, dat Hij de uitwendige roeping door het Woord in ons hart vastmaakt, zodat wij ons gehoorzaam en schuldbewust gaan buigen onder de plichten, de eisen en vloeken van het verbond en voorts de grote liefde Gods gaan inleven, waarmee de Heere naar ons omzag, toen wij nog zondaars waren.
O, diepte...!
Blijft dan nu nog de vraag, hoe het mogelijk is, dat de Heere Zijn genade welgemeend aan ieder aanbiedt, terwijl Hij toch krachtens Zijn eeuwige verkiezing de genade van het geloof niet aan ieder geeft. Is die aanbieding der genade metterdaad dan wel oprecht gemeend? Als Calvijn in zijn Institutie (III, 22, 10), tot deze vraag komt, zegt hij: 'Laat Augustinus voor mij antwoorden; 'Wilt gij met mij redetwisten? Bewonder met mij en roep uit: O, diepte! Laat ons overeenstemmen in de vrees, opdat wij niet omkomen in dwaling'.'
Gods verkiezing en verbond staan met elkaar in een heilige spanning. We moeten die spanning niet opheffen door alles op de noemer te zetten van de menselijke verantwoordelijkheid, want dan vervallen we tot de dwaling van het remonstrantisme (de vrije wil). En we moeten die spanning ook niet opheffen door logische redeneringen vanuit de verkiezing, waardoor we in de valse lijdelijkheid terechtkomen.
De Kananese vrouw begon niet met te geloven, dat ze uitverkoren was (Matt. 15 : 21 vv.). Zij aanvaardde het, toen Christus haar erbuiten zette en ze een hond noemde. Maar er was nood achter haar rug. Haar dochtertje was een prooi van de duivel. En voor haar uit was de Redder. En wat doet dan een mens, die het echt om Christus begonnen is? Hij houdt aan, totdat God het hem duidelijk maakt, dat zo'n verlorene toch een verkorene kan zijn. En dat laatste wordt dan een oorzaak van eeuwige aanbidding.
Misschien kan ik het nog het beste duidelijk maken met het volgende verhaal. Het gaat over een zoekende man, die een droom had. In die droom stond hij voor een prachtig heiligdom, waarvan de deur nodigend openstond. En boven die deur was geschreven: 'Die wil, kome'.
Toen hij gehoor gegeven had aan deze uitnodiging en binnen was gekomen, kon hij zijn ogen niet geloven. Daar, op één van de muren was een andere tekst geschreven: 'Het is niet desgenen, die wil noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods'.
In het binnenst heiligdom wordt het doorleefd: 'Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's