De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een boos jaar

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een boos jaar

8 minuten leestijd

Wij leven in een tijd van bederf van het woord. Op de oorzaken daarvan ga ik hier niet in, ik constateer alleen het feit. Het woord en de taal zijn de wortel van ons geestelijk bestaan. Bederft dus het woord, dan tast dat ons leven aan. Uit zelfbehoud worden wij daarom in deze tijd gedwongen, geen woord meer vanzelfsprekend te laten zijn, en geen mens meer op zijn woord te nemen. De tijd eist, dat wij critisch luisteren naar elk woord, dat tot ons komt. Het meest critisch uiteraard naar grote woorden.

Het woord biedt de mogelijkheid om een werkelijkheid kenbaar te maken. Het geeft deel aan een werkelijkheid, die nog gesloten en verborgen was. Het woord is dus mededeling. Het is het rijkste middel van geestelijke gemeenschap.

Dat alles is echter alleen het geval voor zover en zolang het woord dienstbaar is aan de werkelijkheid, die het wil meedelen. Vooronderstelling van het woord is, dat het gedragen wordt door de wil tot gemeenschap; door de wil om een bepaalde werkelijkheid aan een medemens mee te delen. 'Hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben' (1 Joh. 1:3). Is dat niet meer het geval, dan bederft het woord. Stel dat een woord niet meer dienstbaar is aan de werkelijkheid, die het uitdrukt; stel dat het woord zich steeds meer van die werkelijkheid verwijdert, en zich als begrip verzelfstandigt tegenover de werkelijkheid. Dan deelt zulk een woord geen werkelijkheid meer mee. In plaats daarvan brengt het ons in een schijnwereld, in de onwaarheid. En nog erger! Stel eens dat het woord niet meer gedragen wordt door de wil tot gemeenschap; door de wil om een bepaalde werkelijkheid aan een medemens mee te delen. Stel dat het woord gebruikt wordt, om een medemens van een bepaalde werkelijkheid weg te leiden, dus om de tuin te leiden. Dan is dat woord geen mededeling meer, maar opzettelijke misleiding, leugen. Het bouwt de waarheid niet, doch breekt die af.

Dat bederf van het woord constateren wij nu alom: in de krant, de opiniebladen, de radio, de televisie. Het woord staat er niet in dienst van de werkelijkheid; het dient de waarheid niet. Het wordt niet gedragen door de wil om een bepaalde werkelijkheid aan een mens mee te delen. Het wordt misbruikt om een idee, een opinie, een mening, een beschouwing op te dringen. Het wordt gehanteerd als een instrument, om de mens een zelfverzonnen, zelfuitgedachte schijnwereld binnen te leiden.

De moderne massamedia geven dat misleidende, leugenachtige woordgebruik een huiveringwekkende verbreiding. Het dringt zelfs door in de huiskamers; dus in de plaats, waar het woord nog betrouwbaar is, en waar de mens nog op zijn woord genomen wordt. Daar dringt dag aan dag, avond aan avond het bedorven, misleidende, leugenachtige woord binnen. Door dat woordbederf wordt het huisgezin geïnfiltreerd met opinies, meningen, opvattingen, die steeds vaster gaan wortelen in de geest, en de mens in een schijnwereld verplaatsen met alle fatale gevolgen van dien. Maar ook is het onvermijdelijk, dat het bedorven woord der publiciteitsmedia het zuivere, woord­ gebruik binnen het gezin gaat ondermijnen en daardoor de onderlinge gemeenschap verwoest.

En wat van het gezin geldt, geldt in nog sterker mate van grotere, en daarom minder beschutte levenskringen. Het geldt stellig ook van de christelijke gemeente. Zij wordt verwoest door het woordbederf.

Er wordt in deze tijd veel gesproken en veel geschreven over de noden van de Kerk. Men zoekt wegen en middelen om de noden te overwinnen. Wat dat betreft, herinnert onze tijd aan de 16e eeuw. Een duidelijk bewijs ervan is, dat toen en nu de noodzaak van reformatie allerwegen benadrukt wordt. Onlangs is in de Hervormde Kerk de werkgroep 'Om de Kerk' opgericht. Die naam drukt uit, wat vele harten beweegt; ook in de Gereformeerde en de Rooms-katholieke kerk. Er worden concilies, synoden, kerkvergaderingen, congressen aan gewijd. Wanneer men echter de balans opmaakt van wat uit zulke samenkomsten voortkomt, overvalt ons een schrik. Horatius' dichtregel drukt het uit: 'Bergen zijn in barensnood, een muisje wordt geboren'.

Maar is ook dat niet een overeenkomst met de 16e eeuw? Iedereen had toen het woord reformatie in de mond: Erasmus en de humanisten, Müntzer en de wederdopers, Rabelais en de libertijnen, de paus en de bisschoppen op het concilie van Trente, monniken en mystieken. Maar wat een baaierd van verschillende meningen, zonder dat het ergens toe voerde! Het leek wel, of er een ban lag op de kerk, die alle hervormingspogingen deed mislukken.

Bij alle overeenkomst is er echter één groot en duidelijk verschil tussen toen en nu. Het is toen toch tot een Reformatie gekomen. En tegenover die Reformatie zijn alle kleine, goedbedoelde, ernstiggezochte hervormingsplannen weggevaagd en in de vergetelheid geraakt. Er is maar één hervorming: die van Luther, Zwingli en Calvijn!

Waarom is nu die Reformatie een werkelijk herstel van de kerk geweest? Waarom betekende zij een overwinning van de noden der gemeente?

Het antwoord daarop is weergaloos belangrijk voor de situatie, waarin wij thans verkeren, en voor de vragen, waar wij thans onder gebukt gaan. De ene Hervorming, die de naam van Hervorming met recht en rede dragen kan, is geweest een herontdekking van het Woord. Vanuit die ontdekking is toen ook het menselijke woord herontdekt. En daardoor is de mens verlost uit de loze en boze schijnwereld van opinies, meningen, beschouwingen, filosofieën, en teruggebracht in de werkelijkheid. Daardoor ontstond er ook weer geestelijke gemeenschap. Dank zij die herontdekking van het Woord, beleefde men de Reformatie als een uittocht uit een babylonische gevangenschap; als een uitleiding uit de duisternis en een komen tot het licht. 'Want het Woord was leven, en het leven was het licht der mensen' (Joh. 1:4).

Die herontdekking van het Woord maakte toen de mens ook weer tot een levende geest, begaafd met het woord. Niet dat voordien de mensen sprakeloos wa­ren geweest. Geenszins, want in de theologie bloeide de dialektiek, en in de literatuur de taalwetenschap, en bij de wederdopers zelfs de profetie. Maar woorden geven nooit de garantie van het Woord. Zonder het Woord te kennen, blijft de mens met zijn woorden geestloos, en daarom in wezen stom. Zijn woorden zeggen geen werkelijkheid uit. Alleen het Woord maakt de mens een levende geest, begaafd met het woord. Alleen het Woord maakt mondig.

Zover is de christelijke gemeente, óók de uit de Hervorming ontsprongen gemeente, door het woordbederf aangetast, dat zij zelfs de noodzaak niet meer inziet, om uit zelfbehoud zich te verweren tegen de penetratie (het binnendringen) van het misleidende en leugenachtige woord, dat van alle kant op haar afkomt. In plaats van (zoals in deze tijd zou moeten) geen woord meer vanzelfsprekend te laten zijn en geen mens meer op zijn woord te nemen, maar critisch onderzoek te doen naar elk woord dat haar bereikt — leeft de gemeente thans met een grotere openheid, een grotere bereidheid tot gesprek dan ooit tevoren. En zo raakt zij ook steeds meer verstrikt in de voze en boze schijnwereld van ideeën, opinies, meningen en beschouwingen, die haar door het bedorven woord worden opgedrongen. Allerlei wind van leer, allerlei ketterijen, allerlei kunstig verdichte fabels dringen zo de kerk binnen, verdringen het Woord, ontwaarden de woorden, en verwoesten de gemeenschap.

Wat baat het om de daardoor ontstane uitholling van de kerkelijke belijdenis, het verlies van geestelijke waarden, de ondermijning van het ambt, de leegheid van de prediking en de verstoring der onderlinge verhoudingen te bestrijden met concilies, synoden, kerkvergaderingen, congressen? De verwarring zal er alleen maar groter door worden.

Wat wij behoeven zijn geen goedbedoelde hervormingspogingen. Het enige, wat de gemeente verlossen kan, is de herontdekking van het Woord als de parel van grote waarde. Van Reformatie is alleen sprake door het Woord.

Zoals ik tevoren zei, is dat het verschil tussen ons en de 16e eeuw, dat thans zulk een herontdekking minstens even dringend is, maar niet heeft plaatsgevonden. Wij kennen in onze tijd vele figuren van gelijke of misschien zelfs grotere portuur als Erasmus, als Müntzer, als Rabelais, als de theologen van Trente. Maar waar is een Luther, een Calvijn, een Zwingli? Waar wordt het Woord gehoord?

Misschien verwerkelijkt zich aan ons thans de beklemmende uitspraak van Luther: 'Dit moet ge weten, Gods Woord en Genade zijn een voorbijtrekkende plasregen, die niet opnieuw komt, waar hij eenmaal geweest is. Zij zijn bij de Joden geweest; maar weg is weg, nu hebben zij niets. Paulus bracht hen naar Griekenland; weg is weg, nu hebben zij de Turken. Rome en Italië hebben hen ook gehad; weg is weg, zij hebben nu de paus. En gij Duitsers moet niet denken, dat gij Gods Woord en genade eeuwig zult hebben. Ondankbaarheid en verachting zullen hen hier niet laten blijven. Daarom grijpt aan en houdt vast, wie maar grijpen en vasthouden kan. Trage handen zullen een boos jaar hebben!' 
Is, wat wij thans beleven in de kerk, niet dat boze jaar? Weg is weg; wij hebben nu de krant, de radio en de televisie!

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een boos jaar

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's