De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Doop op het zendingsveld 2

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Doop op het zendingsveld 2

8 minuten leestijd

Hoe wordt de doop ervaren?

Een man van vorstelijke bloede. Hij staat bekend als een bruut en gevreesd man. Hij leeft zijn hartstochten ongeremd uit. Nu komen er in zijn gebied hier en daar overgangen naar het Christendom. Dat staat hem maar slecht aan. Door list gedreven biedt hij de zending een stuk grond aan, vlak bij zijn huis, om er een woning voor de daar geplaatste evangelist op te bouwen. Op die wijze kan hij de evangelist nauwkeurig nagaan in zijn omgang met de mensen. Hij veinst een warme vriendschap met de evangelist en probeert er telkens bij te zijn wanneer er mensen bij de evangelist aan huis komen. Hij praat dan mee doch met de bedoeling op deze wijze de mensen onder zijn macht te houden, zó, dat zij zich niet zullen laten beïnvloeden door de prediking van de evangelist.

Maar God heeft hemzelf op het oog. Zo gebeurt het dat hij op een nacht twee dromen heeft, die hem maar niet loslaten. Hij gaat er over denken wat die dromen toch wel betekenen. In de ene droom ziet hij straks duidelijk wat het geloof van de Islam betekent voor de mensen die daar uit leven. In de tweede droom ziet hij een volkomen overeenkomst met wat de evangelist vertelt uit het Woord van God. Hij beleeft er een roepen van God in om te komen tot het geloof in de door het Woord van God gepredikte Christus. In zijn droom sprak hem een man aan die blijkbaar precies wist waar zijn leven naar uitging. Hij wil groot, machtig en rijk zijn, maar vindt steeds geen voldoening. De man biedt hem een groot en goed vruchtdragend rijstveld aan. Hij kan het in bezit krijgen, wanneer hij bereid is om het in bezit te nemen. Dan ziet hij zichzelf om naar dat rijstveld te gaan. Om er te komen moet hij door een modderig doch breed water. Dat is voor hem geen bezwaar. Hij gaat het water in. Maar dan bemerkt hij dat hij er niet kan komen. In de rivier zijn giftige waterslangen waaraan hij niet kan ontkomen en die hij ook niet de baas kan. Hij begint te schreeuwen van angst en hoort dan een stem van de overkant die zegt: 'laat je redden'. Tegelijk ziet hij iemand de hem bedreigende ondergang ingaan om hem te redden. Bij het nadenken over beide dromen ziet hij zichzelf. Ik ben een vijand van God. Naar Zijn Woord wil ik immers niet horen. Ik haat en vervolg degenen die naar hem horen. Hij komt in schuld voor God en beleidt Gods recht. Straks vraagt hij in zijn nood nog geteld te mogen worden bij hen die zich door Gods Woord willen laten onderwijzen. Na lange tijd het onderricht gevolgd te hebben wordt hij straks gedoopt. Hij gelooft het Woord van God, dat hem wijs maakt tot zaligheid. Jezus Christus heeft Zijn bloed gegeven, óók voor mij! En wat beleeft deze man nu in zijn doop? Na hem gedoopt te hebben in de Naam van de Drieënige God komt hij als 't ware huppelend naar mij toe en zegt: nu weet ik het, God zelf heeft mij het teken gegeven zoals hij eenmaal het teken aan Israël gaf in Egypte. Het Woord van God gelovend, schuilend achter het teken, zou de verderf-engel over hen geen macht hebben. Godzelf heeft mij het zegel gegeven: Christus is voor mij door het oordeel over mijn zonde gegaan en heeft mij gered.

Voor deze man was het doop teken het komen van God zélf tot hem met het zegel van het verbond der genade. Zijn hele leven werd er door omgezet. Was hij voor zijn Christen worden een mens, die leefde uit een grote hartstocht voor zichzelf, vanaf zijn doop vervulde hem een sterk verlangen om ook anderen te roepen tot bekering tot de levende God. Hij heeft meer geijverd voor de verkondiging van Gods Woord dan menig evangelist. Ik ben ook menig keer met hém door de omliggende dorpen gegaan het Evangelie verkondigende. Ik hoorde hem dan vaak zeggen: je moet begrijpen, dat allen, die naar de God van de Bijbel luisteren en in Hem geloven en Hem liefhebben, daarin eeuwig leven ontvangen. Straks geeft de HEERE je dan zelf het zegel van de waarheid, dat Hij je aanneemt en Zijn beloften aan je vervult door het teken van de Doop. Werd dan wel eens gezegd: je wordt toch niet door Godzelf gedoopt maar door de pandita, dan zei hij: die doet het in opdracht van God, zoals de HEERE het aan hem beveelt in Zijn Heilig Woord. De Heere God verzegelt met de doop aan je: Ik neem je aan als mijn kind en zal je verzorgen als mijn kind.

Niet zolang voor zijn sterven vertelde hij, dat zijn familie, onder bedreiging van uitstoting uit de familie, hem nog weer had willen dwingen het Christendom te verlaten. Keerde hij weer tot het geloof der vaderen dan zouden zij er voor zorgen dat hij een begrafenis kreeg zoals hem die toekwam. Maar hij heeft ze afgewezen en gezegd: 'De Heere Jezus heeft met Zijn smartelijke dood mij willen opzoeken en willen maken tot Zijn discipel. Dat heeft de HEERE mij gezegd met het teken van de doop. Zou ik Die mij zo liefdevolle Redder nu verlaten? Ik wil in Hem gelovend sterven. Hij brengt mij in het Vaderhuis met God waar mijn verlangen uitgaat naar God. Die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven.'

Een reeds bejaarde vrouw in Uluai was onder beslag van het Woord van God gekomen. Zij had nu een jaar lang trouw de prediking en het onderwijs gevolgd en vroeg ook gedoopt te mogen worden. Haar man was heidenpriester en was vaak erg boos op haar geweest en soms had hij haar ook ruw behandeld. Maar zij kon de roep des Heren niet loslaten en bleef de HEERE volgen en liefhebben.

Bij het onderzoek blijkt haar verstandelijke kennis van de Schriften niet groot. Telkens moet zij met het hoofd schudden dat zij geen antwoord heeft en zegt dan: ik weet alleen dat God mij, onwaardige, lief heeft en dat mijn verlosser leeft. Op de vraag waarom zij gedoopt wil worden zegt zij: dan heb ik een bewijs voor mijzelf dat God mijn God en mijn Vader wil zijn. Dan weet ik voor altijd dat Hij mij verzorgen en niet verlaten zal. Hij zal mij dan de kracht en volharding geven om met mijn man te blijven leven en hem te verzorgen. Ik bid dat God daardoor ook mijn man zal duidelijk maken dat Hij ons samen lief heeft en dat zó mijn man tot geloof en bekering gebracht wordt.' Klinkt hier mogelijk in door de vraag van de apostel in Fil. 3 : 16: dat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding'?

Een nog betrekkelijk jonge man leeft met zijn vrouw en kinderen trouw met de gemeente mee. Ze lezen ook samen geregeld de Bijbel en hij slaat geen kerkdienst over. Er is echter één nare zaak in zijn leven, hij kan de verzoeking tot deelname aan clandestien dobbelen niet weerstaan. Dat bleef ook niet verborgen zodat hij telkens daar weer over vermaand moest worden. Maar alle berouw en goede voornemens tot verbetering brachten geen verandering. Zo komt hij op zekere dag met de vraag: 'ach schrap mijn naam uit het boek van de gemeente. Mijn naam daarin is een smet en smaad voor de gemeente.'

Aan het eind van ons gesprek zegt hij dan ineens bibberend van mishagen over zichzelf (walging noemt de HEERE dat in Ezech. 6:9): schrap mijn naam, maar ik blijf hopen en vertrouwen op wat de Heere Christus door mijn doop tot mij zegt, dat Hij mij genadig wil blijven en mij redden zal'. Hoor ik hier niet in de vermaning uit het doopformulier: En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonde blijven liggen, overmits de Doop een zegel en ontwijfelbaar getuigenis is, dat wij een eeuwig verbond der genade met God hebben?

Deze ontmoeting was de laatste die ik met hem heb gehad. Een jaar nadat ik in Holland terug was, kreeg ik een brief uit die streek, waar men mij vertelde van moordende en plunderende invallen vanuit het mohammedaanse grensgebied. Ze hebben Markus meegenomen en wilden hem dwingen om zijn Christen-zijn af te zweren en mohammedaan te worden. Dan zou hij vrijgelaten worden. Hij heeft dat niet kunnen doen, zo schreef men mij. Hij bleef zeggen: met Christus kan ik sterven maar ik kan niet zonder Hem leven. Onder veel voorafgaande marteling hebben zij hem toen onthoofd. Hij is, zo zegt de schrijver, om het geloof in Christus vermoord. Ik herinner mij zijn laatste woorden voor zijn weggaan op mijn vraag hoe kunt u blijven hopen op Gods ontferming: 'God zelf heeft door het doopteken aan mij bevestigd de belofte: Ik zal je niet verlaten; Ik neem je aan als Mijn kind. Op de waarheid van Gods Woord blijf ik hopen.'

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Doop op het zendingsveld 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's