De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bij de dood van prof. dr. G. C. Van Niftrik

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bij de dood van prof. dr. G. C. Van Niftrik

9 minuten leestijd

Professor Van Niftrik is niet meer. Op de dag van zijn achtenzestigste verjaardag werd hij getroffen door een hartinfarct, die voor hem het einde bracht van een zeer werkzaam leven. Het bericht van zijn dood kwam — zoals zo vaak het geval is — onverwacht. Berichten van plotseling overlijden, zeker ook van vooraanstaanden in kerk en maatschappij, grijpen meestal diep in. En de verslagenheid is des te groter naarmate de contacten met de overledene intensiever waren.

Ik aarzel niet het overlijden van professor Van Niftrik een groot verlies voor onze kerk in de huidige situatie te noemen en daarin ook voor het gereformeerd protestantisme in ons land. Gezien de contacten, die ik het afgelopen jaar rondom het Getuigenis met hem heb gehad, wil ik bij zijn dood graag enkele persoonlijke impressies neerschrijven.

Professor Jonker geeft in ditzelfde nummer evenals in het 'Hervormd Weekblad' een meer officiële reactie namens de hele kring van het Getuigenis.

De eerste maal dat ik Van Niftrik ontmoette was in mijn studententijd. Hij hield een lezing voor de studentenvereniging C.S.F.R. over het huwelijk. In die tijd was hij de pleitbezorger van de Barthiaanse theologie, die met publikaties als 'Een Beroerder Israels' geen onverdeelde instemming oogstte. Ik moet zeggen dat ik in die tijd gereserveerd stond tegenover zijn ideeën en dat ik zijn publikaties, hoe boeiend en knap ook, met de nodige scepsis bezag. In gereformeerde kring, ook in de onze, had men sterke bezwaren tegen de theologie van Barth, door Van Niftrik nogal eens aangeduid met 'de grote meester'! Terecht merkte onze voorzitter, ds. Tukker, bij het veertigjarig ambtsjubileum, dat Van Niftrik onlangs mocht vieren, dan ook op dat wij voorheen tegenover elkaar hebben gestaan en niet weinig. De eerlijkheid gebiedt dat ook hier op te merken.

Er kwam evenwel een nieuwe fase, die een afbuiging betekende van zijn oorspronkelijke koers. De laatste jaren zijn een tweetal belangwekkende boeken van hem verschenen, die deze nieuwe fase duidelijk markeren, namelijk De hemel en Waar zijn onze doden?

Ze zijn geschreven nadat het levensleed over hem was gekomen en hij gericht werd op die dingen, die in de huidige theologische discussies zozeer verzwegen worden. Over zijn boek Waar zijn onze doden zegt hij onder meer: 'Dit boek moet gelocaliseerd worden ergens terzijde van de grote heerbaan der theologische reflexies en discussies... Terwijl de schrijver van dit boek in de stilte mediteert en ook wel speculeert over dood, graf en opstanding, en bezig is met de overdenking van het eeuwige leven, is de heersende theologie op de grote heerbaan bezig de gemeente mee te krijgen in een sterk activisme, dat door daden van medemenselijkheid Jezus tot opstanding hoopt te brengen. .. Het zou kunnen zijn dat van tijd tot tijd een enkele vermoeide uit de voorttrekkende kolonnes afwijkt van de marsroute en wat wil rusten. Mis­schien komt hij dan precies terecht op de plaatsen waar dit boek geschreven werd. Bovendien is er altijd nog een gemeente, die in de stilte woont, afgezonderd van de wereld. Voor haar is dit boek mede bestemd. .. Misschien is dit boek te vroeg geschreven, al zullen de meesten het een nabloei achten van een voorbijgegane periode. Misschien zal men straks, als de eerste koorts van het activisme is uitgewoed, weer smaak krijgen voor de meditatio futurae vitae, de overdenking van het toekomende leven, van de reformator Calvijn'.

Van Niftrik zei: 'misschien is dit boek te vroeg geschreven'. Nü moeten we zeggen: het is niet te laat geschreven. Met grote indringendheid stelde hij de vragen van leven en dood aan de orde en mediteerde hij over de toekomende heerlijkheid. Inderdaad: naast de heerbaan van de huidige theologische discussies. Want wie heeft voor deze zaken momenteel nog aandacht nu alles gericht is op het zichtbare en tastbare? En door dit boek loopt een draad van piëtisme, klinkt een diep religieuze ondertoon, die warmte uitstraalt.

Ik las dat boek met grote interesse en vanuit een wezenlijke herkenning en heb van daaruit begrepen zijn zorg voor de gemeente, die de laatste jaren kenmerkend voor hem was; de gemeente die thans door allerlei wind van leer wordt uitgeleverd aan de troosteloosheid en de uitzichtloosheid, de gemeente die aan alle kanten wordt bedreigd omdat de zekerheid van de grote daden Gods haar momenteel ontnomen dreigt te worden en de mens wordt teruggeworpen op zijn eigen prestaties en activiteiten. Daarom kon Van Niftrik de laatste jaren, ook bijvoorbeeld als synode-adviseur, geladen betogen houden en in heilige verontwaardiging toornen tegen de verminking van de boodschap van de kerk. Hij roeide op tegen de theologische stroom van dit moment. Hij tornde op tegen de stormen van het huidige barre getij. Zo heeft zijn stem de laatste jaren iets van het profetische gehad, zij het dat het beeld van de roepende in de woestijn zich hier onweerstaanbaar opdringt.

In het Getuigenis, dat voor het grootste deel van zijn hand was, staat te lezen: 'De nood is ons opgelegd'. Dat die nood hem inderdaad was opgelegd hebben we sterk ervaren. De nood dwong tot spreken en getuigen. Het heeft Van Niftrik een ongelofelijke pijn en moeite bezorgd. De anathema's, de vervloekingen — soms letterlijk — zijn over zijn hoofd uitgegoten. Mensen verloren soms al hun waardigheid bij wat ze zeiden en schreven. In zulke situaties is het dan maar een schrale troost te weten dat dergelijke ontboezemingen er te meer op wijzen hoe nodig dit getuigende spreken was, en hoezeer wondeplekken, ontsporingen werden blootgelegd in kerk en theologie. De geweldige deining, die het Getuigenis teweegbracht, bracht de grote nood en verlegenheid, waarin velen verkeren enerzijds, en de haat en kwaadaardigheid anderzijds duidelijk aan het licht. Van Niftrik heeft aan de kwaadaardigheid geleden. Als we niet zouden weten en geloven dat God ons leven een grens heeft gesteld, die wij mensen niet dichter naar ons toehalen of verder van ons afschuiven kunnen, zouden we kunnen zeggen dat wat hem het laatste jaar werd aangedaan zijn dood heeft verhaast. Anderzijds heeft hij ook mogen weten dat de gemeente, die terzijde van de theologische heerbaan legert, de roep heeft verstaan. Van Niftrik koos voor de gemeente, tegenover die stromingen in de kerk, die deze gemeente met enige meewarigheid gadeslaan, en die geen raad meer weten met het volk dat het geklank kent.

Het Getuigenis kwam niet te vroeg. Het kwam ook niet te laat. Van Niftrik heeft een jaar voor zijn dood nog kracht en inhoud mogen geven aan de stem van velen, die in het geschreeuw van onze tijd al lang niet meer worden gehoord.

Is deze stem nü gehoord? Gehoord wel! Maar ook verstaan? In de laatste publikatie, die van zijn hand verscheen, namelijk die over de laatstgehouden vredesweek — deze stond afgedrukt in onze Persschouw van vorige week — klaagde Van Niftrik dat alles op de oude voet doorgaat en vroeg hij zich af hoe het Getuigenis opnieuw aan de orde kon komen in de kerk. Laten we dan echter in de eerste plaats vaststellen dat het waar is wat Hoedemaker zei: 'Voor de waarheid uitkomen is altijd plicht, juist als men haar miskent. De uitkomst gaat de mens niet aan wanneer zijn plicht hem voorgetekend is'. Ik meen dat dit éérst gezegd moet worden, ook waar het het Getuigenis betreft. De uitkomst gaat de mens niet aan. Dat bewaart voor krampachtig zoeken naar vruchten, naar tastbare resultaten. Maar de vraag klinkt wèl na: hoe kan de boodschap van het Getuigenis weer opnieuw stem krijgen in de kerk?

We kwamen één week voor de dood van Van Niftrik als opstellers van het Getuigenis bijeen om ons samen te bezinnen op de huidige situatie. We spraken over een woord van bevrijding, waarnaar in onze tijd zozeer wordt uitgezien. Pas nu, nu Van Niftrik overleden is, realiseer ik me waarom we die avond bijeen waren op de wijze waaróp we bijeenwaren. Het is een afscheid geworden, waarin Van Niftrik liet weten hoezeer die boodschap van bevrijding nodig was, óók voor hemzelf. De kern voor zo'n boodschap van bevrijding heeft hijzelf mijns inziens gegeven toen hij in zijn laatste artikel wees op Efeze 2:17, waarin gesproken wordt over Christus die vrede verkondigt degenen die verre zijn en degenen die nabij zijn. Hier ligt de kern voor de bevrijding, die in de verkondiging mag en moet worden uitgezegd.

Ik zou in een artikel als dit hebben kunnen schrijven over dingen, waarin we met Van Niftrik verschilden, over accenten die anders lagen. Er is over gesproken in de gesprekken rondom het Getuigenis. Maar ik doe het hier niet. Ik mag het niet, omdat ik mij zozeer realiseer dat God onze Hervormde Kerk in dit laatste jaar een stem gegeven heeft die ver mocht klinken. Misschien was het de stem van een roepende in de woestijn. Maar dan toch van een roepende. Wat hij zei en schreef was terzijde van de heerbaan gesproken en geschreven, terzijde van de heerbaan waar de karavaan verder trekt. Maar wat gezegd is is gezégd en wat geschreven is is geschreven. En wat dit laatste jaar door hem gezegd en geschreven is heeft naar ik meen een reikwijdte gekregen als zijn woorden niet eerder kregen. Ik ben het eens met wat dr. Aalders in een herdenkingstoespraak over hem zei, namelijk dat zijn laatste jaren niet de gemakkelijkste zijn geweest maar wel de meest vruchtbare. Hij heeft de laatste tijd vrienden verloren. Hij kreeg er andere bij. Hij voelde zich gesterkt door velen die hem de laatste tijd schreven en opbelden uit kerken en groepen waarmee hij voordien geen contact had. Hij zag daarin weer het ideaal van de Gereformeerde Gezindte. Hij voelde zich gesterkt in het gesprek dat we één week voor zijn dood met ons zessen hadden. Dat was éénvan de laatste dingen die hij tot ons zei. Men zal ongetwijfeld na zijn dood proberen zijn bezig-zijn van het laatste jaar af te zwakken of te verklaren, maar onze herinnering aan hem blijft juist ook door dit laatste gesprek levend als aan de man, die de kerk het Getuigenis meegaf omdat hij van ganser harte geloofde dat wat daarin verwoord is, voor de kerk levensnoodzakelijk was.

God gedenke zijn familie, zijn vrouw en kinderen. God gedenke onze kerk. God gedenke Zijn verbond.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Bij de dood van prof. dr. G. C. Van Niftrik

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's