De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Adrianus Bruynvisch en zijn ’Heyl des Heeren’ 4

Bekijk het origineel

Adrianus Bruynvisch en zijn ’Heyl des Heeren’ 4

Minder bekende oude schrijvers

8 minuten leestijd

Bruynvisch als praktisch theoloog

De meeste preken die ons van Bruynvisch bewaard bleven zijn Paaspreken; voorafgegaan door een paar Kerstpreken en gevolgd door een paar Pinksterpreken. Deze stand van zaken brengt met zich mee dat veel gesproken wordt over graf en opstanding, over dood en leven. Aan Bruynvisch' boek is een hele stervenskunst te ontlenen.

Naar de gewoonte van die tijd eindigt elke preek met een lering, een vermaning en een vertroosting; maar zeldzaam voor die tijd is de kortheid en zakelijkheid in de toepassing.

In een van zijn Kerstpreken legt Bruynvisch de Engel des Heeren die aan de herders te Bethlehem verscheen deze woorden in de mond: Ik ben 'geen bode des doots maer des levens. lek kome niet, om de wet te verkondigen, die aen de vaderen met groote verschrickingh gegeven is, maer het woort der genade en des vredes'. Hiermee is ook Bruynvisch' eigen prediking te karakteriseren.

Hoe rijk kan hij in deze Kerstpreken de betekenis van Christus' komst naar deze wereld uiteenzetten. Waarom is Hij mens geworden? Om zich te verenigen met ons! Hij kwam in grote armoede, kwam ons nabij in al onze ellende, onze smaad, in alle angst des doods. Verwondert u toch over zijn liefde. Nergens heeft God meer zich in verheerlijkt dan in de geboorte van Zijn Zoon. Hierin heeft Hij zowel zijn barmhartigheid als zijn gerechtigheid getoond. Juist in een tijd toen de mensen erger verdorven waren dan ooit, kwam Hijzelf naar deze wereld om haar te behouden. Broeders, stelt Christus toch boven alles, ge kunt Hem niet missen. Zonder geld, gezondheid en vrijheid kunt ge leven maar niet zonder Christus. Dan zijt ge zonder God en zonder hoop. Kijkt eens om u heen of ge naast Christus ook maar iets op deze wereld kunt vinden dat waardig is om uw hart erop te zetten. Ieder van ons, al is hij nog zulk een onwaardig zondaar, mag tot deze Christus gaan, in de volle zekerheid des geloofs. Niemand wordt door Hem van het heil uitgesloten. 'Niemant wordt uytgeslooten dan die sich selfs uytsluyt en door volherdingh in sijn ongeloovigheyt sigh des eeuwigen levens onweerdigh maeckt'. Om deel te hebben aan Christus' geboorte eist God van u niet uw goederen, uw eer of uw leven, 'maer alleen dat ghy het gelooft en aenneemt'. Maar dan kunt ge niet volstaan met in het algemeen te geloven in Christus' geboorte, neen, dan moet ge ook innerlijk trachten te voelen dat het voor u is. Het ware geloof is een daad van het hele hart en van het hele leven. Het schept een vereniging met Christus die tengevolge heeft dat Hijzelf gestalte in ons krijgt. In Hem zijn wij rechtvaardig en worden wij nieuwe mensen. Een van zijn Kerstpreken besluit Bruynvisch met een citaat uit Luther waarin deze machtige woorden voorkomen: 'Heere Jesu, gy zijt myn geregtigheyt en ick ben uw sonde, gy hebt het myne aangenomen en my het uwe gegeven; gy sijt geworden dat gy niet ep waert, een mensch, en ick ben geworden dat ick niet en was, een Rechtveerdige'.

Sterke nadruk legt Bruynvisch ook op de betekenis van Woord en Sacrament. Enkele van zijn Kerst-en Paaspreken zijn tevens avondmaalspreken. In één daarvan horen wij hem uitroepen: 'Soeckt Christum daer hy te vinden is; en hy is te vinden daer hy het belooft heeft, in syn woordt en gebruyck des Avondmaels'. Ziehier enkele eerste opmerkingen over de aard van Bruynvisch' prediking.

De waarde van het aardse leven

'Van Plato heeft de christen zijn angst voor en zijn verachting van de wereld, van de menselijke waarden en van zijn eigen lichamelijkheid geleerd', dit is een citaat uit een boek van een modern theoloog (H. A. M. Fiolet: De tweede reformatie, JJIZ. 37). Ook de reformatorische christenen zouden na Luther al spoedig in de ban van Plato en het Griekse dualisme (dat lichaam en geest tegenover elkaar stelde) zijn geraakt. Pas de hedendaagse theologie zou ontdekt hebben de waarde van het aardse bestaan en de zin der lichamelijkheid. Enkele tientallen jaren geleden werd hier nog maar aarzelend over gesproken, maar dat is nu wel geheel voorbij. De wereld valt mee! is reeds gezegd (H. M. Kuitert: Terzake, deel 4 blz. 55—91). Zelfs zit de lichamelijkheid de nieuwe theologen zo hoog dat zij niet schromen haar ook aan God toe te kennen. Terecht is hierop kritiek geleverd door: W. H. Velema: Aangepaste theologie, blz. 142.

Nu is het echter alles behalve waar dat de oude gereformeerde theologen Platonisten zouden zijn geweest. Veelzeggend is dat een man als Bruynvisch nadrukkelijk Plato's opvatting aangaande de verhouding van de ziel tot het lichaam en aangaande de geringe betekenis van het menselijk lichaam heeft afgewezen. Wij gevpn hem zelf het woord: De mening 'dat aen dit lichaem niet veel gelegen is, dewijl het toch vergaen moet en voor eeuwigh verderven' is een 'bedriegerye des Satans'. 'Plato noemde 't lichaem animae carcerem, de Gevancknis der ziele', anderen noemden het 'een last der ziele' en 'een lockaes der bekoringe, daer alle quaet van daen quam', doch het is er ver vandaan 'dat ons lichaem geen deel soude wesen van het menschelijcke wesen'. 'Ziel en lichaem zijn met malkander soo nauw vereenight, dat men twijffelen magh of de ziel 't lichaem. dan of 't lichaem de ziele omdraeght'. Elders: Onze lichamen mogen niet veracht worden.

Hoe gebrekkig is de kennis van de gereformeerde theologie en vroomheid als men haar van Platonisme en Grieks dualisme beschuldigt. De werkelijkheid is daarmee allerminst in overeenstemming. Het maakt een groot verschil uit of men ziel en lichaam ziet als twee delen die samen de ene mens uitmaken of dat men, gelijk in het Griekse dualisme het geval is, het kwaad zoekt in het lichaam en de ziel daaraan ontheven acht. In het eerste geval is het mogelijk aan het lichaam de haar toekomende eer te geven en te geloven in een wederopstanding des vlezes, in het laatste geval is noch het een noch het ander mogelijk. Maar wat wil men? Alleen maar het Griekse dualisme afwijzen of tegelijk ook hetgeen de Schrift leert aangaande 's mensen ziel en lichaam'? Om niet minder dan zeven redenen heeft

Bruynvisch met veel waardering over het menselijk lichaam kunnen spreken. In de eerste plaats, het is door God geschapen. In de tweede plaats, Christus heeft ons vlees en bloed aangenomen. In de derde plaats, God heeft zijn verbond opgericht met de gehele mens, dus niet alleen ipiet zijn ziel maar ook met zijn lichaam (Genesis 17). 'Wy dragen Godts Verbont in ons vleesch'. j'Oock onse lichamen' zijn 'binnen de kracht en ommeloop' van Gods verbond, hetwelk wij 'door de doop in ons vleesch dragen' en mogen daarom niet veracht worden. In de vierde plaats, met ons lichaam nuttigen wij in het Avondmaal de tekenen van brood en wijn. Het is het instrument waardoor wij aan Gods geestelijke gaven in Christus deelhebben. In de vijfde plaats, ook onze lichamen zijn door Christus verlost (1 Korinthe 6 : 20). In de zesde plaats, de Heilige Geest heiligt zowel ons lichaam als onze ziel. Ons lichaam is een tempel van de Heilige Geest (1 Korinthe 6 : 19). In de zevende plaats, er is ook voor ons lichaam verwachting. Zelfs in het graf worden onze beenderen door God bewaard; ook ons dode lichaam verlaat Hij niet. Eens zal ons lichaam onsterfelijk en onverderfelijk zijn, gelijk aan het verheerlijkte lichaam van Christus.

Hieruit vloeien als vanzelf vele vermaningen en vertroostingen voort. Woont Christus in uw lichaam, dan moogt ge het niet stellen in dienst van de zonde. Is uw lichaam een tempel van de Heilige Geest, houd het daar dan ook voor. Heeft God het zo hoog geëerd, dan moogt u het niet naar beneden halen, in dronkenschap, hoererij, enz. Heeft God u naar lichaam en ziel opgenomen in Zijn verbond, dan behoort ge Hem ook naar lichaam en ziel te dienen. Is er voor uw lichaam nog een heerlijke toekomst weggelegd, wees dan geduldig in alle lijden. Verlies nimmer de moed, ook niet in dagen van kruis en druk. Houd het oog gericht op wat u beloofd is. Leef getroost al de dagen die God u in dit aardse leven laat doorbrengen. Geef uw leven in Zijn hand. Wees bereid heen te gaan wanneer het Hem belieft. Wanhoop niet wanneer familieleden, zelfs kinderen u ontvallen. Weet dat God zelfs over hun beenderen de wacht houdt. Eens zullen uw ogen Hem zien, het geloof is dan overgegaan in aanschouwen. In een verheerlijkt lichaam zult ge Hem dienen tot in alle eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Adrianus Bruynvisch en zijn ’Heyl des Heeren’ 4

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's