Rome 3
Rome, de bloedstad
Als het boek van de Openbaring van de goddeloosheid van Rome spreekt, dan is er nog iets anders: Rome de bloedstad, zoals in het Oude Testament Nineve genoemd wordt (Nah. 3:1; in Ez. 22:2 wordt Jerusalem vanwege het onschuldig vergoten bloed zo genoemd). Rome is dronken geworden van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus. Daarbij denken wij allereerst aan de wrede Nero. Deze man, die zijn eigen moeder, zijn vrouw Octavia, vele van zijn vrienden en zelfs zijn leermeester Seneca niet heeft gespaard, heeft niemand ontzien. Hij achtte geen mens (Jes. 33:8). Een grote brand van Rome gaf hem een voorwendsel om een gruwelijke vervolging van de christenen te ontketenen. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus vertelt hiervan het volgende: Nero ging voort met zijn gebruikelijke listigheid. Hij vond een stel losbandige en immorele ellendelingen, die werden overgehaald om zichzelf te beschuldigen en op het getuigenis van deze mensen werd een aantal christenen veroordeeld, niet omdat duidelijk bewezen was, dat zij de stad in brand hadden gestoken maar veeleer, omdat alle mensen hun een norse haat toedroegen. Zij werden ter dood gebracht op een geraffineerde wijze, terwijl Nero door spot en hoon hun lijden nog verzwaarde. Sommigen werden bedekt met huiden van wilde dieren en overgeleverd om door honden te worden verslonden; anderen werden gekruisigd; velen werden met brandbare vloeistoffen overgoten en bij het vallen van de avond aangestoken om als fakkels te dienen gedurende de nacht. Het was duidelijk, dat zij ten offer vielen, niet aan een algemeen belang, maar om de wreedheid en de razernij van een enkele man te bevredigen. (Tot zover Tacitus, die ik aanhaal naar een vertaling van H. J. Schofield). Op eenzelfde wijze schrijft Seneca vanuit zijn verbanningsoord over de gruwzame folteringen: IJzer en vuur heeft de tirannie tot zijn beschikking, ketenen en een troep wilde dieren om zich op de mensen te werpen; door het lichaam werd een paal geslagen, die ten laatste bij de mond van het slachtoffer naar buiten kwam; kleren werden met gemakkelijk ontbrandende stoffen bestreken. Een ding heeft: Temidden van al deze kwellingen was er één, die niet gekermd heeft, die niet gebedeld heeft om zijn leven, integendeel, hij lachte, ja lachte vol vreugde.
De Kerk heeft deel aan de verdrukking en vervolging om Christus' wil. Dat is geen vreemde zaak, zegt Petrus. Indien gij gesmaad wordt om de naam van Christus, zo zijt gij zalig (1 Petr. 4 : 12 vv). Het lijden is de vuurproef voor de kerk. Het lijden betekent toch heerlijkheid: op de vervolgden rust de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods.
De christenen voor de leeuwen
Bloediger taferelen dan in het circus van Nero en daarbuiten hebben zich afgespeeld in het Colosseum. Wie de geweldige ruïnes van deze arena ziet en moeizaam langs één van de grote zware stenen trappen naar boven is geklommen, vanwaar men een overzicht heeft van deze plaats, die door paus Benedictus XIV in 1750 gewijd is aan de nagedachtenis van de martelaren, hoort in de geest het gejoel van het volk, dat bloed wil: 'de christenen voor de leeuwen', het gehuil van de hongerige wilde dieren, de angstkreten van de mensen in doodsnood. Men wordt herinnerd aan het woord over de martelaren in de brief aan de Hebreeën: En anderen hebben bespotting en geselen geproefd, en ook banden en gevangenis, zijn gestenigd, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht welker de wereld niet waardig was. (H. ll:36vv).
Deze arena werd in het jaar 79 van onze jaartelling door Vespasianus ingewijd en later door Titus met een derde etage uitgebreid; ook later onderging het geheel talrijke uitbreidingen. Het was een kolossaal amfitheater met een hoogte van ongeveer 50 meter en een kampplaats waarvan de assen 188 en 156 meter waren. Via één van de tachtig bogen konden de toeschouwers — het kon vijftigduizend mensen bevatten — binnengaan. De ruïne doet denken aan de arena van Nimes in Zuid-Frankrijk, die wel veel kleiner is (aantal toeschouwers ongeveer 24.000), maar die van eenzelfde stijl en opzet is en die nog altijd voor stierengevechten wordt gebruikt. Door opgravingen heeft men de onderaardse verblijfplaatsen van de gevangenen en van de wilde dieren blootgelegd. De hokken maken een lugubere indruk. Hier zou geen wild dier uitbreken, hoe hongerig ook en geen gevangene ontkomen. Met dieren was men niet zuinig. Van alle delen van het rijk werden de beesten aangevoerd om aan het geroep van het volk om spelen te kunnen voldoen. Dio Cassius verhaalt, dat gedurende de honderd feestdagen van de inwijding van het gebouw negenduizend wilde dieren werden gedood, waardoor de gruwelijkheid van de gladiatorenspelen werd verhoogd. In deze 'spelen' moesten de zwaardvechters tegen elkaar in het krijt treden, soms honderd paren tegelijk. Het waren mensen, die een speciale opleiding voor dit vak kregen: krijgsgevangenen, slaven of ook vrijen, die door armoede tot dit werk werden gedwongen. Het was een wreed schouwspel, waartegen maar zelden door heidense schrijvers geprotesteerd is. Constantijn de Grote heeft deze spelen verboden, maar het heeft nog bijna een eeuw geduurd (Honorius 404) voordat voorgoed een einde kwam aan dit onmenselijke bedrijf.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's