Uit de pers
De eenheid der gereformeerde gezindte
In de Kerkbode van de Geref. Kerken in Noord-en Zuid-Holland van 25 november signaleert ds. J. Meester een herleefde aandacht voor de eenheid binnen de gereformeerde gezindte. Hij wijst onder meer op de bijeenkomst van 6 november in Lunteren. In dit kader vermeldt ds. Meester dan een artikelenserie van prof. dr. K. Schilder waarin ter sprake komt, in hoeverre het vraagstuk van afscheiding en wederkeer benaderd dient te worden vanuit het Verbond. We citeren uit het artikel van ds. Meester:
Het komt mij voor dat wij voor een open, eerlijke aandacht terug moeten naar de jaren 1934 en '36. Het jaar 1934 was de honderdste verjaardag van de Afscheiding. In dat jaar is vanwege het hoofdbestuur van de toenmalige Confessionele Vereniging in de Pieterskerk te Leiden op donderdag 18 oktober een samenkomst belegd ter herdenking van de Afscheiding van 1834. Daar hebben een drietal hervormde sprekers het woord gevoerd. De eerste spreker was ds. A. B. te Winkel, Den Haag. Hij begon met de opmerking dat het eigenlijk beschamend was 'voor ons, hervormden', 'dat er in de honderd jaar, die verlopen zijn sinds de scheiding, nimmer zulk een moment van grote geestkracht bij ons (hervormden) geweest is, dat wij de boodschap hebben doen uitgaan tot de gescheiden broeders in ons vaderland: kom toch samen, kinderen des verbonds om des Heeren zoendood te gedenken; kom toch weder tot de ene avondmaalsdis.'
Het had volgens ds. Te Winkel eerder moeten geschieden. Maar toen zouden deze sprekers het doen. Hun redevoeringen werden via de radio uitgezonden. 'Nu willen wij, nu mogen wij niet langer wachten. Geen moment meer en wij willen door de snelle wegen der lucht spreken tot de harten, tot de consciëntiën der gescheiden broeders', aldus de spreker. Prof. dr. K. Schilder heeft deze 'roepstem beantwoord' in een reeks artikelen in 'De Reformatie' welke artikelen zijn uitgegeven in een brochure. In het 'woord vooraf' zegt Schilder dat hij zelden onder het schrijven van een artikelenreeks zovele tekenen van belangstelling en een zó vaak herhaald verzoek tot afzonderlijke uitgave ervan heeft ontvangen als gedurende het schrijven van déze artikelenreeks onder de titel: 'Kerkelijke gedeeldheid en Verbondsgehoorzaamheid'.
De spits van Schilders kritiek op de in Leiden gelanceerde denkbeelden, richt zich op de z.i. onjuiste visie op het verbond alsof dit een min of meer 'statisch' rust-motief zou zijn zo in de zin van: 'hier is het verbond'; hier bij oris in het verbond. De gescheidenen hebben er de schaar in gezet. Tegen deze statische opvatting van het verbond en tegen de visie dat een gegeven kerkelijk instituut onaantastbaar zou zijn, wat het ook doet en presteert, richt Schilder zijn kritiek vanuit het Nieuwe Testament om te komen tot een 'betere verbondsbeschouwing'. Die betere beschouwing is dat het gaat om verbondsgehoorzaamheid. Schilder wijst erop, dat een kerkelijk instituut niet mag worden beschouwd als een gegevenheid die de belofte Gods so wie so bezit, en blijft bezitten wat het ook doet, maar dat een kerkelijk instituut ook geroepen is tot gehoorzaamheid. Indien het ongehoorzaam wordt dan kan het zijn voorrechten verliezen en dan kan het de belofte kwijtraken welke de Heere Jezus aan zijn discipelen gegeven heeft: zie Ik ben met ulieden tot aan de voleinding der eeuwen.
Er was toen aandacht voor de eenheid van de gereformeerdgezinden, die in verschillende kerkelijke instituten van gereformeerde signatuur gescheiden leven. Nu na ongeveer veertig jaren herleeft deze aandacht.
Het is ons niet te doen om een bespreking van wat Schilder hier zegt. Dan zouden we uiteraard ook niet kunnen volstaan met deze summiere weergave. Wij wijzen er alleen op, hoezeer inzake de vraag naar eenheid en gescheidenheid de theologische visie op Verbond en Kerk meespreekt. In de nieuwe theologie is dat nauwelijks aan de orde. De reformatorische theologie heeft vanouds veel aandacht gehad voor de leer van het Verbond. Het is te hopen dat de reformatorische visie op het Verbond der genade niet overwoekerd wordt door een onbijbelse partnergedachte, waarbij schepping en verbond nagenoeg samenvallen. Bijbels-reformatorische bezinning op de kerk, op de vragen van waarheid en eenheid, leer, leven en tucht zal nooit voorbij kunnen gaan aan wat de Schrift zegt over de relatie van Verbondsbelofte, Verbondsgehoorzaamheid en Verbondsvernieuwing.
Verrechtsing en vermagering
Deze woorden vormen het opschrift van een artikel van ds. K. A. Abelsma in het orgaan van de confessionele vereniging, van 23 november. Abelsma wijst op een uitlating van prof. Jonker, gedaan op de synodevergadering van 15 september, waar Jonker tegenover elkaar stelde de 'finalistische' koers van hen die alle aandacht richten op de acties om het Rijk Gods in deze wereld gestalte te geven, en de 'originalistische' visie waarin sterke nadruk gelegd wordt op het heil Gods dat van boven komt, en dat ver uitgaat boven wat in de maatschappij realiseerbaar is. De 'finalisten' zouden de 'originalisten' verwijten de wereld de wereld te laten, terwijl omgekeerd de laatsten klagen over vermagering in de prediking. Men kan erover twisten of de door Jonker gebezigde termen zo gelukkig gekozen zijn en voor ieder helder zijn, de zaak die hij aan de orde gesteld heeft is wel duidelijk. Het gaat ten diepste om de vraag: Wat bedoelen we in de kerk, als we spreken over het 'heil'. Welke inhoud geven we aan dit woord?
Nu schrijft Abelsma in dit verband het volgende:
Waar het mij wèl om gaat, is dat er in de Kerk mijns inziens in toenemende mate sprake is van een afnemende belangstelling voor 'finalistische' strevingen en experimenten. Men kan dit betreuren of toejuichen, maar ik dacht dat men de feiten niet loochenen kan, getuige ook de klacht over de 'verrechtsing' van de Kerk. Deze 'verrechtsing' zie ik ten dele als een gevolg van het wegvallen van 'middenorthodoxe' piredikantsplaatsen. Zonder de 'middenorthodoxie' met het 'finalisme' te vereenzelvigen, meen ik namelijk dat met name binnen déze groepering de minste weerstand is geboden tegen te eenzijdig benadrukte finalistische tendenzen. Het zou veel méér dan één artikel vergen om mijn zo langzamerliand diepgewortelde overtuiging in dit opzicht nader te adstrueren. Natuurlijk kan men wijzen op de vervlakking, de algemene geestelijke malaise, die vooral in de grote steden de Kerk voor steeds grotere problemen stelt. Maar deze vervlakking werd jaren geleden reeds door professor Berkhof mede geweten aan een vervlakte prediking, nl. in zijn boekje 'Crisis der Midden-orthodoxie'. Bérkhofs vrees dat 'de midden-orthodoxie' op den duur niet langer in staat zou zijn het levend geestelijk centrum der Hervormde Kerk te blijven', aan het einde van dit boekje door hem geuit, dreigt in deze zeventiger jaren werkelijkheid te worden! De vermagering van het midden is thans bezig te resulteren in de door velen gewraakte 'verrechtsing'.
Intussen wordt door diverse oorzaken de werkelijke stand van zaken in de Kerk verdoezeld, althans in de presentatie naar buiten. Eén van deze oorzaken is te vinden in het feit dat officiële organen van de Kerk als 'Hervormd Nederland' en het 'I.K.O.R.' een sterk 'finalistisch' image van de Kerk tonen, al mogen er zo nu en dan ook wel 'originalisten' een woordje meepraten. Een andere oorzaak ligt in het verschil in mentaliteit, waardoor 'originalisten' zich in het nadeel voelen wanneer zij tegen de soms bedenkelijk emotionele beweringen van 'finalistische' opponenten moeten optornen. Het 'tegenspel', zoals een Van Niftrik dit kon bieden, wordt te dikwijls ontlopen, waardoor de schijn wordt gewekt dat de rechtervleugel van de Kerk introvert en irrelevant is. Een hoogst misleidende toestand, waardoor de Kerk veel woordvoerders met een geringe achterban en een grote achterban met te weinig woordvoerders kent.
Voorlopig zie ik weinig symptomen die zouden kunnen duiden op een spoedige beëindiging van het gesignaleerde proces van 'verrechtsing' en vermagering in onze Kerk. Integendeel, de objectiviteit die meer en meer nodig zal zijn om het schip der Kerk voor nog ernstiger averij dan die het tot nu toe heeft opgelopen te behoeden, tref ik bij te weinigen aan. Wat niet wegneemt, dat ook afbraak en vermagering in Gods bestel hun plaats hebben. In deze wereld te getuigen van Zijn Koninkrijk, dat niet van deze wereld is, mag onze opdracht zijn en blijven. Die opdracht vervullend zullen wij ook bewaard blijven voor paniek en moedeloosheid.
Ook hier zou ik willen zeggen: Ik begrijp en onderschrijf de bedoeling van ds. Abelsma ten volle. Inderdaad de Kerk dreigt veel woordvoerders met een geringe achterban en een grote achterban met te weinig woordvoerders te krijgen.
Minder gelukkig ben ik met de door Abelsma gebruikte woorden 'verrechtsing' en 'vermagering'. Het bezwaar is dat deze termen te weinig zeggen en theologisch te enenmale onbruikbaar zijn. Wat is verrechtsing? Het is maar van welke kant je dat beziet. Ik kan me indenken dat 'rechts' in de kerk niet spreekt van 'verrechtsing', maar van hernieuwde aandacht bij velen voor het reformatorisch getuigenis. Want dat is in het geding. De door Abelsma gesignaleerde vermagering van het midden hangt m.i. samen met de theologische koers die velen uit de middengroep van de kerk varen. Men zal uiteraard niet mogen generaliseren, maar men zou kunnen stellen dat de ontwikkeling van het theologisch denken na Barth van dusdanige invloed is geweest op de Midden-orthodoxie dat de door Berkhof geuite vrees, mede daardoor bewaarheid is. De theologie na Barth heeft immers veelal de reformatorische momenten in Barth's denken losgelaten, meent zich in zijn visie op de menselijkheid, de horizontaliteit, de partnergedachte van God en mens op hem te kunnen beroepen en trekt bepaalde lijnen die bij Barth stippellijnen zijn door. Daarnaast is er de invloed van Bonhoeffer en Tillich. Het gevolg is de maatschappijkritische theologie, die sterk horizontaal gericht is op de wereld, de sociale en politieke vragen. Met alle gevolgen voor prediking en kerkelijk handelen erbij inbegrepen!
Men zou hierbij nog de overweging kunnen voegen, in hoeverre de door Abelsma gesignaleerde vermagering in feite neerkomt op verwettelijking van het Evangelie. Te vrezen is dat de belijdenis van de rechtvaardiging van de goddeloze bij velen ingeruild wordt voor een nieuwe werkheiligheid. Dat velen in de kerk daarvan niet gediend zijn, zou ik niet willen betitelen als verrechtsing, maar liever willen zien als een symptoom dat het reformatorisch belijden gelukkig bij vele eenvoudige gemeenteleden nog weerklank vindt. Dat deze stemmen in allerlei officiële organen van de kerk weinig doorklinken, is waar. Het heeft m.i. vele oorzaken. Al zullen we billijkerwijze de schuld niet alleen mogen schuiven op een eenzijdig beleid van de midden-orthodoxie. Dat beleid is inderdaad daarvan niet vrij te pleiten. Gelet op de samenstelling van allerlei raden, commissies, werkgroepen etc.
Anderzijds moet erkend worden dat diegenen die de reformatorische belijdenis liefhebben nogal eens verstek laten gaan. Dat hangt ongetwijfeld ook weer samen met een gebrek aan woordvoerders en deskundigen. Onlangs heeft ir. J. v. d. Graaf er in dit blad op gewezen hoe in de hooglerarenbezetting b.v. het confessionele deel van de kerk maar gering vertegenwoordigd is. Dat is nog maar één gebied. Er zou meer te noemen zijn. Ik weet dat ik hier een vraagstuk aanroer dat in het geheel van de Gereformeerde gezindte speelt. Ook binnen de Gereformeerde Kerken zien we hetzelfde. De middengroep en de progressieve vleugel beschikken over vele woordvoerders die de hoogleraarskatheders bezetten en de publiciteitsorganen voor een heel deel in handen hebben. De verontrusten kampen m.i. ook daar met een tekort.
Dat te signaleren moge tevens een aansporing zijn tot studie en bezinning. Juist wanneer we vanuit het Woord Gods en de belijdenis nee zeggen tegen een bepaalde ontwikkeling in de kerk, zullen we anderzijds naar wegen hebben te zoeken om ons geluid te laten horen. Op een waardige en terzake kundige wijze.
Het gaat immers in de door Abelsma gesignaleerde verrechtsing en vermagering niet om het voeden van tegenstellingen, maar wel om heel de kerk weer te bepalen bij de rijkdom van het reformatorisch getuigenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's