De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Willen wij nog kerk zijn?

Vele jaren heeft prof. Van Niftrik meegewerkt aan de kroniek van het bekende driemaandelijkse tijdschrift Kerk en theologie. Lezers van deze periodiek grepen vaak het eerst naar deze rubriek, doorgaans boeiend en actueel, zeer ter zake wat betreft het gebeuren in kerk en theologie. Niet in het minst om deze kroniek van Lekkerkerker en Van Niftrik is Kerk en Theologie een graag gelezen blad. In het enkele weken geleden uitgekomen oktobernummer van dit tijdschrift nu staat de bijdrage afgedrukt die Van Niftrik nog voor dit nummer had klaargemaakt. Hij had deze kopij klaargemaakt eind augustus, kort na de vergadering van de wereldraad in Utrecht en enkele weken na de verschijning van het boekje van prof. Mönnich, Fragmenten. Van Niftrik schrijft dat hij verbijsterd is over de wijze waarop Mönnich de politieke theologie van Sölle opneemt en zich keert tegen de tendens van het Getuigenis. Terecht signaleert hij het feit, dat de theologie waartegen het Getuigenis zich richt, nl. de verpolitisering van het heil en het horizontalisme wel degelijk voorkomt in Nederland. Men heeft de opstellers van het Getuigenis immers verweten tegen windmolens te vechten, ongegronde verdachtmakingen te uiten, de polarisering te bevorderen enz. enz. Mönnichs boekje echter dat in Trouw, in Hervormd Nederland en ook in de Gereformeerde Kerk door sommigen nogal enthousiast ontvangen is is een duidelijk voorbeeld van de door het Getuigenis afgewezen theologie.

In zijn kroniek stelt Van Niftrik de vraag: Wat zijn wij? Willen wij nog kerk zijn? Velen vinden de kerk te eng. Het gaat, zo zegt men. God om de wereld. In dit verband schrijft Van Niftrik dat hij bedroefd is om de wijze waarop in kerk en theologie kapot gemaakt wordt waaraan men jarenlang zijn beste krachten heeft gewijd.

Ondertussen overwint op de beslissende ogenblikken het geloof de boosheid en de droefheid. Houdt Christus Zijne kerk in stand... Christus is een eeuwig Koning, dewelke zonder onderdanen niet zijn kan. De kerk wordt door God bewaard of staande gehouden tegen het woeden der gehele wereld (art. 27 N.G.B.). En Christus is ook machtiger dan de dwaasheid en het onverstand der mensen binnen de kerk. Als alles en allen binnen en buiten de kerk schijnen samen te spannen om een eind aan deze zaak te maken, is het geloof er zeker van dat Christus Zijn kerk in stand houdt.

In het vervolg van deze kroniek spreekt Van Niftrik dan nogmaals over de vraag wat het politieke handelen der kerk betekent. Wij gaan er nu niet verder op in. Het standpunt wat Van Niftrik in deze inneemt is bekend. Maar wie het nog eens helder en overzichtelijk voor zich wil zien, late deze kroniek niet ongelezen. Van Niftrik wil geen politiek-indifferente kerk, d.w.z. een kerk die zich met die vragen niet ophoudt. Maar nog minder een kerk, die het christelijk geloof laat samenvallen met politieke beslissingen. Hij eindigt deze kroniek als volgt:

Steeds nadrukkelijker moeten wij onszelf en anderen in deze tijd de vraag stellen of wij nog wel kerk, lichaam van Christus, gemeente des Heeren zijn. Wij moeten elkander voortdurend aanmanen ons te concentreren op het eigenlijke, de boodschap van verzoening en genade. Wij zullen juist in deze tijd de noodzakelijkheid van bekering en wedergeboorte op de voorgrond moeten stellen. Wanneer de officiële kerken zouden verworden tot politieke pressuregroups, zal de gemeente des Heeren zich terugtrekken en haar leven in de verborgenheid gaan leiden. Ik ben van overtuiging, dat er thans meer dan ooit voor de kerk gebeden moet worden. Niet het één of het ander, hoe belangrijk op zichzelf ook, staat op het spel, maar het kerkzijn als zodanig.. Er zal vurig gebeden moeten worden om de vrede van Jeruzalem.

Wij meenden er goed aan te doen u een kort fragment uit deze laatste kroniek van Van Niftrik aan u door te geven. Nu verschillende mensen zich beijveren de laatste periode van Van Niftriks leven maar over het hoofd te zien of te negeren, is het goed de vinger te leggen bij deze kroniek, die een indringend getuigenis en een bewogen appèl is.

Gereformeerde dubbelzinnigheid

Onder dit opschrift voorziet prof. Van Itterzon in het nummer van 14 december van het Hervormd Weekblad Kuiterts opmerking over het dubbelzinnig karakter van de synodeuitspraak der Gereformeerde Synode van commentaar. Van Itterzon schrijft:

Deze week heeft men in Trouw van 6 dec. 1972 een artikel van prof. Kuitert kunnen lezen, waarin hij openlijk verklaarde, dat de synodale verklaring opzettelijk dubbelzinnig was gesteld en dat zo een scheuring was voorkomen, omdat ieder nu zijn eigen uitlegging kon hebben en het gewone kerkvolk tevreden was gesteld. Hij wees erop, dat daarom ook in verband met de zondeval voor het woord 'gebeuren' was gekozen en niet voor het woord 'gebeurtenis', omdat hij dat laatste niet zou hebben geaccepteerd. Nu mengen wij ons in geen geval in de discussie van de Gereformeerde kerken. We zijn immers 'samen op weg' en moeten tegenover elkaar sportief zijn. Aan de andere kant vraagt een 'samen op weg' gaan toch ook wel weer, dat men weet, wat men aan elkaar heeft. Daarom vragen we toch met enige vrijmoedigheid, of we mogen weten, of de synode der Gereformeerde Kerken inderdaad voor een dubbelzinnige formule heeft gekozen. Dat zou voor een synode van Dordrecht, gezien het verleden, een opmerkelijke zaak zijn. Want Dordrecht herinnert nog steeds aan 1618-1619!

Waaraan we nu toch eigenlijk de vrijheid ontlenen om dit te vragen? De reden is deze: Toen het Getuigenis verscheen waren er verschillende gereformeerde predikanten, die zich min of meer kritisch opstelden. Hun gemeenteleden toonden in elk geval meer instemming dan sommige gereformeerde predikanten, van wie we eigenlijk anders hadden verwacht. Nu zij echter naar onze kant zo duidelijk hebben geuit, achten wij het onze plicht even duidelijk te zijn. Vandaar onze vraag: Was die synodale verklaring echt dubbelzinnig bedoeld? En verwacht u echt iets van dubbelzinnige formules? Leert de kerkgeschiedenis ons niet, dat het altijd gestraft wordt, als we met formules onze verschillen proberen te bemantelen?

Het blijkt dat de gereformeerde kerken ten aanzien van synode-uitspraken in toenemende mate met dezelfde problemen te maken krijgen als de hervormde kerk. Dat is geen kleine zaak. Want, opzettelijk dubbelzinnig of niet, het bevordert de duidelijkheid niet en het ontneemt aan synodale verklaringen ook elk gezag. Wordt toch niet bevorderd dat elk er in kan lezen wat men wil? 

Opzettelijk dubbelzinnig?

Nu is in het Gereformeerd weekblad (Kok, Kampen) van 15 december ook prof. dr. J. T. Bakker op deze kwestie ingegaan. Hij raadt de lezers aan het gehele interview met Kuitert te lezen, en niet enkele zinnen eruit te halen. Voorts wijst hij erop, dat de synode na een moeizame discussie gezocht heeft naar de gemeenschap in belijden en naar de herkenning van elkaar in de kern van de zaak. In dat verband schrijft Bakker:

Als er geen herkenning van elkaar geweest was in de kern van de zaak dan zou het een in de slechte zin van het woord dubbelzinnige uitspraak geweest zijn. De synode zou dan het recht gemist hebben de kerkelijke discussie hierover stop te zetten.

Dat brengt me op een laatste opmerking over wat Kuitert gezegd heeft. In het slot van zijn in Trouw overgenomen opmerkingen zegt hij meer begrip gekregen te hebben voor wat vele synodeleden bewoog, nl. de pastorale zorg voor hun gemeenteleden, die het maar moeilijk allemaal kunnen meemaken. Alweer: ik begrijp wat collega Kuitert bedoelt: Ik ben zelf vaak genoeg ter synode geschrokken van de manier, waarop 'de gemeente' als argument in het veld gevoerd wordt. Je hebt dan geregeld de neiging te vragen: welke gemeente bedoelt u? Toch komen de opmerkingen, zoals ze hier vallen, verkeerd bij mij over. Teveel de indruk: wij zouden wel anders willen, maar we durven of kunnen niet vanwege de gemeente. Dat is zowel te 'goed' als te 'slecht' gedacht van de synode. Als ik de synode zo hoorde — en ik heb daarvoor nu negen weken de tijd gehad — dan zaten ze bepaald niet een achterland te verdedigen, dat ze eigenlijk al 'achter zich' hadden. Was dat zo, dan waren de discussies vaak toch wat minder moeizaam geweest dan nu het geval was. Maar in wezen vind ik het toch ook te 'slecht' gedacht van de synode. Volgens Kuitert hebben we de laatste jaren alsmaar moeizaam naar 'formuletjes', zoals hij het noemt, lopen zoeken om het achterland tevreden te houden. Dat lijkt me gewoon niet waar. Wat deputaten en commissies en synodeleden kerkelijk proberen te doen is: proberen te inventariseren wat er gebeurt, als iemand (of velen) uit haar midden bij hen komt en dan zegt (het zijn de woorden van Kuitert zelf): 'Adam en Eva hebben als historische personen niet bestaan. Wat moet er gebeuren, mag ik erin of niet? '

Een kerk of ook synode, die dan om de tafel gaat zitten en zegt: zeker, zeker, we hebben u gehoord, maar we willen toch eerst wel eens rustig erover nadenken wat voor gevolgen dat heeft voor het belijden en de prediking en we willen óók zelfs nog proberen op een briefje te krijgen waarin we het nu in de kern van de zaak eens zijn, zo'n kerk is niet op een eigenlijk wat kinderachtige manier bezig formuletjes te bedenken om het achterland koest te houden, evenmin om een meetstok ter bepaling van de recht- of onrechtzinnigheid te snijden, maar die probeert er op een kerkelijke manier samen uit te komen. Daarvoor kan men dan als bewijs de talloze nota's van het deputaatschap nalezen, want die staan, net als de opstellen van collega Kuitert bol van de pogingen om te formuleren, hoe het dan zit met 'de goede schepping' en met de 'zondeval'.

Ik had eigenlijk graag nog wat willen schrijven over de vraag, of een kerk in haar poging om bij elkaar te blijven en er samen uit te komen gebruik mag maken van formuleringen, die voor verschillende uitleg vatbaar zijn. Woorden, die zeker niet als lege hulzen met allerlei elkaar tegensprekende inhouden gevuld kunnen worden, maar wèl bewoordingen, waarvan men van te voren zeker weet, dat niet ieder daarbij hetzelfde denkt. Dubbelzinnig dus echt in de zin van: voor verschillende interpretatie vatbaar en zelfs daarvoor bestemd. Het zou denk ik te ver voeren daarover nu nog een heel verhaal op te hangen. In bepaalde situaties in de kerk mag het nl. per se niet, in andere kan het geboden zijn. Als voorbeeld voor het laatste denk ik aan de manier, waarop in de tijd van de Reformatie Calvijn getracht heeft de verschillende opvattingen over het avondmaal kerkelijk onder één dak te krijgen. Zo nu en dan heeft hij bij de poging tot gemeenschappelijke formulering te komen wel een veer moeten laten. Soms ook termen gebruikt, waarvan men zonder meer kan zeggen, dat ze voor meer dan één uitleg vatbaar waren. Dat was alleen geoorloofd, omdat Calvijn ervan overtuigd was dat er zo'n fundamentele noodzaak en mogelijkheid bestond tot kerkelijke eenheid dat hij, om die te bereiken, ook bereid was zijn eigen specifieke wensen, die soms het voor hem meest centrale in zijn avondmaalsopvatting betroffen op fe geven om deze eenheid te verwerkelijken. Hij is daarbij geregeld 'tussen de fronten' van Luthersen en Zwinglianen geraakt en geen van beide hebben hem zijn pogingen in dank afgenomen. Het religieuze, kerkelijke en oecumenische gelijk is daarbij ondanks de verwijten die hem over halfslachtigheid etc. gemaakt werden aan zijn kant geweest. En dit gelijk laat zich niet beschrijven in termen van dubbelzinnigheid of haalbaarheid.

En nu tenslotte nog een woord over journalistieke verantwoordelijkheid. Ik weet het: nieuws is nieuws. En de meest markante kop haalt het. Toch wou ik om een lief ding, dat men een beetje zorgvuldiger omsprong met wat we aan onderling vertrouwen kerkelijk bezitten. Dat is allemaal broos en breekbaar genoeg. Als Trouw er nu werkelijk op uit was een breekijzer te zetten in wat er in Lunteren gebeurde en ook in de geest waarin dat — tenslotte en nog eens: moeizaam genoeg! — tot stand kwam dan hadden ze geen betere kop kunnen uitdenken, geen slechter citaat uit het gesprek kunnen kiezen. Weet men dan werkelijk niet hoe zo'n kop 'synodale uitspraak wilde dubbelzinnig zijn' overkomt? Weet men dan echt niet, hoe de mensen horen en lezen? En wil men dan beslist een stemming kweken, waarin de behoefte aan duidelijkheid, éénzinnigheid en 'het vertrouwde' het wint van de moei­ zame weg van het elkaar blijven vasthouden en herkennen in het wezenlijke, dan heeft men daarvoor een goede aanloop genomen. Dat vind ik na de slotweek van Lunteren een risico, dat niet nodig geweest was.

Dat de journalistieke verantwoordelijkheid in dit soort zaken niet nadrukkelijk genoeg beklemtoond kan worden is juist. Het dagblad Trouw is m.i. op dit punt niet ten onrechte in gebreke te stellen (en niet alleen op dit punt. Men denke aan de klacht van Aantjes t.a.v. de voorlichting rondom de Kamerverkiezingen!).

Overigens is het de vraag of Bakkers artikel een duidelijk antwoord aan Van Itterzon is. Kan men onderscheiden tussen de religieuze dimensie van het gebeuren van Genesis 3, waarin men het dan met elkaar eens is, en de wijze van voorstel­ling overlaten aan de theologen met alle verschillen van dien? Ik meen dat de onduidelijkheid van de synodeuitspraak juist gelegen is in de kwestie van de gemeenschappelijkheid. De door de synode gekozen formuleringen mogen dan niet dubbelzinnig zijn in de slechte zin van het woord, als er kort na een zitting zoveel discussie over komt pleit het niet voor de duidelijkheid en bevordert het nog minder dat je de gemeenschappelijkheid geloofwaardig kunt maken. Dat lijkt me de crisis in het geheel van de gereformeerde kerken. Men proclameert een gemeenschappelijkheid in belijden, terwijl het de vraag is of er toch, ook inzake de religieuze dimensie niet meer verschil is tussen Kuitert c.s. en zijn tegenstanders dan men wil toegeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's