De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De evangelisatorische roeping van de gemeente  3

Bekijk het origineel

De evangelisatorische roeping van de gemeente 3

6 minuten leestijd

Een door God gegeven niethode voor de verkondiging van het Evangelie

De methode, die God heeft gegeven voor de verkondiging van het Evangelie wordt duidelijk beschreven in 1 Thessalonicenzen 1. We vinden daar de volgende principes:

a) De ongelovigen werd het evangelie met kracht verkondigd. 'Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in de Heilige Geest' (vers 5).

b) Be bekeerden werden navolgers van God en van hen die het Evangelie gepredikt hadden. 'En gij zijt onze navolgers geworden en des Heeren' (vers 6). Het praktisch leven van de evangelist moet even heilig en getuigend zijn als zijn prediking. De evangelisten leefden lang genoeg op een plaats om een voorbeeld te stellen ter navolging. 'Gelijk gij weet hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil' (vers 5).

c) De nieuw gevormde gemeente te Thessalonica begon het evangelie te verkondigen. 'Dat gij voorbeelden geworden zijt voor al de gelovigen in Macedonië en Achaje, maar ook in alle. plaatsen is uw geloof dat gij op God hebt, uitgegaan, zodat wij niet van node hebben iets daarvan te spreken' (vers 7, 8).

Het is van groot belang om te zien dat in de evangelie-verkondiging in de nieuw-testamentische gemeente een zaak van alle leden was. We lezen, bij voorbeeld, dat de vervolging van de kerk leidde tot verbreiding van het evangelie in de plaatsen waar de christenen heenvluchtten. 'Te dien dage ontstond een grote vervolging tegen de gemeente die te Jeruzalem was, en zij werden allen verstrooid'. 'Zij dan nu die verstrooid waren, gingen het land door en verkondigden het woord' (Handelingen 8 : 1 en 4).

Als deze christenen zelfs in tijden van ver volging van hun geloof getuigden, mag zeker aangenomen worden dat ze dat een vanzelfsprekende zaak vonden in normale tijden. Trouwens, de Bijbel laat ons op dit punt in het onzekere. Luister naar de Samaritaanse vrouw: Komt, ziet een mens die mij gezegd heeft, alles wat ik gedaan heb; is deze niet de Christus? ' (Johannes 4 : 29). En de vrucht van dit getuigenis is beschreven opdat wij eruit zouden leren en bemoedigd worden. 'En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord der vrouw die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb' (vers 39). Gaf Christus zelf niet de opdracht aan de gelovige schare om persoonlijk het evangelie te verspreiden, als Hij zegt: 'Ga henen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun wat grote dingen de Heere u gedaan heeft en hoe Hij zich uwer ontfermd heeft'. En ook hier bleef het resultaat niet uit: En hij ging henen en begon te verkondigen in het land van Decapolis wat grote dingen Jezus hem gedaan had; 'en zij verwonderden zich allen' (Marcus 5 : 19—20).

De vraag kan worden gesteld of de christenen van de twintigste eeuw niet bijna volledig het gevoel voor het wonder van de redding van hun zielen verloren hebben. Wellicht is dit het gevolg van gebrek aan besef van waarvan zij verlost zijn en waarvoor zij verlost zijn: 'Opdat gij zoudt verkondigen de deugden desgenen die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht' (1 Petrus 2:9).

We moeten in de voetstappen van de apostel Paulus gaan en het evangelie verkondigen overal waar dit niet reeds wordt gedaan. Zoals Paulus schreef aan de christenen in Rome: 'En alzo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fundament zou bouwen, maar gelijk geschreven is: elken van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien, en welken het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan' (Romeinen 15 : 20—21).

Tenslotte kunnen we uit het Nieuwe Testament leren, dat nieuwe bekeerlingen geplaatst werden in een plaatselijke gemeente. Want we lezen in Handelingen: En de Heere deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden' (Handelingen 2:47). Zij werden door de Heere toegevoegd aan de kerk, waarvan we lezen dat ze was 'volhardende in de leer der apostelen' en dat 'allen die geloofden, bijeen waren' (Handelingen 2 : 42 en 44).

Een door God gegeven besturing van het werk

Zoals eerder genoemd, keren we nu terug naar het werk van Filippus, de evangelist, zoals dat beschreven is in Handelingen 8. We zien daar, dat God Filippus leidde naar zijn werkgebied. 'En de engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op de weg die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is' (vers 26). Laten we goed tot ons laten doordringen wat dit Schriftgedeelte ons te zeggen heeft. Filippus zocht niet het gebied uit waar hij werkzaam zou zijn. God deed dat. God gaf hem opdracht Jeruzalem te verlaten, een plaats waar zijn werk zeer gezegend was. Hem werd opgedragen naar een plaats te gaan die woest was. We leren hieruit dat een door God geleid man bereid moet zijn naar elke plaats te gaan, zelfs naar woeste plaatsen. Het is voorts van belang op te merken dat God eerst zegt waar Filippus naar toe moet en als Filippus deze opdracht heeft gehoorzaamd hem de persoon aanwijst aan wie hij het evangelie moest verkondigen. We lezen: 'En hij stond op en ging heen' (vers 27). En eerst nadat hij zich in gehoorzaamheid naar het zuiden spoedde, lezen we: 'En ziet, een Moorman' (vers 27). Filippus zou nooit deze Ethiopiër op die woestijnweg van Samaria ontmoet hebben, als hij niet naar de door God aangewezen plaats gegaan was. We kunnen hier nu niet verder op ingaan, maar we willen nog wel de notitie maken dat Filippus door de Heilige Geest geleid werd. 'En de Geest zeide tot Filippus: Ga toe en voeg u bij deze wagen' (vers 29). Van wat verder volgt kunnen we leren dat, als we Gods aanwijzingen voor de prediking van het Evangelie volgen, we de akker toebereid vinden, de mensen zullen bereid zijn om Gods bevel te horen en om behouden te worden.

Paulus leerde dat God ons zowel kan leiden door de aandringende als door de bedwingende, weerhoudende werking van Zijn Geest. We lezen immers in Handelingen 16: 'En als zij Frygië, en het land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van de Heilige Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken. En aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen; en de Geest liet het hun niet toe. En van Paulus werd in de nacht een gezicht gezien: er was een Macedonisch man staande, die hem bad en zeide: 'Kom over in Macedonië, en help ons!' (vers 6—9). De geschiedenis leert ons dat, hoewel God verhinderde dat Paulus op dat moment naar Bithynië ging, veel later in het jaar 112, er een grote opwekking was in die plaats. Zozeer zelfs, dat de gouverneur aan keizer Trajanus moest schrijven over de groei van het christendom en het gebrek aan belangstelling voor de offeranden en de heidense tempels. Laten wij daarom de aanwijzingen van God volgen en daar het evangelie brengen waar Hij dat wil. Alleen de eeuwigheid zal ons openbaren hoeveel mensen tot het geloof gekomen zijn door het getuigenis van deze Moorman.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De evangelisatorische roeping van de gemeente  3

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's