Ingezonden
Reactie op 'Geen boodschap de kerk in'
Ik voel mij gedrongen te reageren op het artikel van ir. J. v. d. Graaf in de Waarheidsvriend van 30 november jl. over bovenvermeld onderwerp. Ik vat mijn reactie samen in de volgende vragen en opmerkingen:
1. Kan de heer v. d. G. niet wat blijer zijn met het verzoenende gebaar van de synode (incl. de commissie van ontwerp), die de concept-boodschap niet in stemming bracht terwille van de minderheidsgroepen in de N.H. Kerk? Waarom b.v. zo'n wantrouwende zin over een opmerking van prof. Berkhof? ('Welke achtergrond deze opmerking ook moge hebben...').
2. De heer Van der Graaf leest slecht en luistert slecht als hij mij in zijn artikel noemt. Mijn betoog in de synode hgt volstrekt in de lijn van de concept-boodschap en in het bijzonder van hoofdstuk 3 'De verantwoordelijkheid van de christen in de wereld'. Als prof. Jonker en de heer v. d. G. zelf (hij heeft mij dat persoonhjk medegedeeld) zich in mijn betoog op de synode hebben kunnen vinden, dan kunnen zij beslist niet ver afstaan van de inhoud van de concept-boodschap.
3. Waarom wordt althans de hoofdinhoud van de concept-boodschap niet door de heer v. d. G. weergegeven? Nu polemiseert hij tegen een stuk, dat zijn lezers niet kennen; die manier van met elkaar discussiëren werkt door haar eenzijdigheid verharding van de fronten (= polarisatie) in de hand.
4. De heer v. d. G. maakt bezwaar tegen de onevenwichtige samenstelling van de commissie. Ik ben stom verbaasd! Weet hij dan echt niet, dat verschillende van zijn geestverwanten hebben geweigerd mee te doen? Zijn redenering over een eenling uit zijn groep, die zou worden overspeeld, spreekt mij totaal niet aan; het is welhaast een beschuldiging. Overigens weet hij misschien inmiddels dat ik mij in de synode uit volle overtuiging bereid heb verklaard aan een vertegenwoordiging uit zijn groep in de raad voor de zaken van overheid en samenleving mee te werken.
5. Het spijt mij dat ik het moet zeggen, maar ik voel mij èn in mijn werk voor bovengenoemde raad èn in mijn zorgen temidden van de harde praktijk van het sociaal-economische leven door de heer Van der Graaf en zijn geestverwanten in de steek gelaten. Ik en anderen vragen ook aan de voorstanders van het getuigenis vanuit het Evangelie mee te denken en te helpen bij het normeren van het concrete handelen in het dagelijkse leven. Wij worden echter afgescheept met typeringen als rode christen of als aanhangers van het neo-marxisme of het communisme. U en de uwen, heer Van der Graaf, laten veel verontruste en in de nood, van hun praktisch handelen verkerende christenen met lege handen staan! Dat klinkt hard, maar ik moet dit u om der gewetenswil zeggen, omdat uw reactie op de synode mij oprecht verdriet doet!
4 dec. 1972 R. Wijkstra
Puntsgewijs wil ik reageren op de opmerkingen van de heer Wijkstra naar aanleiding van mijn beschouwingen over de synodale boodschap inzake het Getuigenis.
ad. 1. Ik noemde in mijn artikel de woorden van professor Berkhof over het niet laten overstemmen van een minderheid door een meerderheid 'een toch wel heel erg verrassend woord', nadat ik even tevoren geschreven had, dat zijn advies om niet tot stemming over de boodschap over te gaan een 'verlossend woord' was. Me dunkt, waardering genoeg voor wat Berkhof zei. Mag ik er nu ook bij zeggen 'welke achtergrond deze opmerking ook moge hebben'? We hebben tot nu toe niets anders meegemaakt dan dat op de meest essentiële punten, juist ook inzake het belijden, een minderheid in de kerk doorging onder 'het juk van de repressieve tolerantie van de midden-orthodoxie'. Ook bij de benoeming van de nieuwe secretaris-generaal was dat zo, zelfs onder sterke druk van prof. Berkhof. Dan mogen we toch wel naar de achtergrond peilen? Hopelijk is deze opmerking van professor Berkhof een aanzet voor een nieuw begin. Maar dat zal dan de toekomst moeten leren.
ad. 2. Ik heb volgens de heer Wijkstra slecht gelezen en geluisterd. Zo ook professor Van Itterzon, die naar aanleiding van zijn artikel over de conceptboodschap in het Hervormd Weekblad, van de heer Wijkstra hetzelfde verwijt kreeg. Mag ik deze bal naar de heer Wijkstra zelf terugkaatsen? Ik heb positief geschreven over zijn betoog ter synode. Ik heb hem daar inderdaad ook over gesproken. Ik neem aan dat de heer Wijkstra die passage ook gelezen heeft (er was helaas wel een regel weggevallen in de tekst, maar de bedoeling kon duidelijk zijn). Ik stelde daarin dat de heer Wijkstra de spanning duidelijk maakte, waarin christenen zich bevinden die in de maatschappij voor ethische beslissingen worden gesteld, waar de kerk duidelijk op zal moeten ingaan. Maar ik moet zeggen dat de heer Wijkstra slecht geluisterd heeft, als hij niet gehoord heeft dat professor Rasker, medeopsteller van de boodschap, direct bij zijn eigen woorden aanknoopte en een goed woordje deed voor het neo-marxisme, evenals ds. Van Veen van de Raad voor de Zaken van Overheid en Samenleving, een raad waartoe de heer Wijkstra evenééns behoort. Moet ik nu paragraaf 3 van de concept-boodschap, waarin het gaat over 'de verantwoordelijkheid van de christen in de wereld', lezen door de woorden van de heer Wijkstra heen of door de woorden van mede-opsteller professor Rasker heen? Kennelijk hebben beiden zich in de tekst van de boodschap kunnen vinden. Moet ik me nu gaan afvragen van wiens hand dit stuk was? Of moet ik het stuk als een stuk van de hele commissie zien? Ik meen het laatste. Maar dan moet gezegd worden dat de boodschap alle ruimte laat voor neo-marxistische visies, terwijl het Getuigenis nu juist hier noodsignalen gaf. De tekst van de concept-boodschap was zodanig dat de conclusie moet zijn dat de opstellers die signalen uit het Getuigenis niet hebben opgevangen. En intussen blijft de vraag van diaken Windig ter synode recht overeind staan: laten de maat schappij-critici nu eens open kaart spelen, willen ze naar een marxistische maatschappij of niet? Ik neem aan dat de heer Wijkstra goed geluisterd heeft toen diaken Windig aan het woord was en ook toen prof. Rasker en ds. Van Veen hun antwoord daarop gaven. Toegegeven dat ik wat meer informatie had kunnen geven over de inhoud van de concept-boodschap. Ik moet echter zeggen dat ik in het vorige nummer daarover al één en ander meedeelde. Bovendien mag dan hier ook eens gesignaleerd worden dat de synode zelf wel bijzonder angstvallig heeft gedaan over de inhoud door aan de opstellers van het Getuigenis, die wèl voor de synodevergadering waren uitgenodigd, niet de boodschap toe te sturen! Uit de inhoud van mijn beide stukken kon intussen wel duidelijk geconcludeerd worden wat de inhoud was.
ad. 4. Ik ben op mijn beurt stomverbaasd over het feit dat de heer Wijkstra zo'n onvolledige en dus onjuiste voorstelling geeft inzake het niet meedoen van onze geestverwanten in de commissie. In de eerste commissie zat één van onze geestverwanten. Eén lid van de zes werd aangetrokken uit de kringen van hen die duidelijk congeniaal waren met het Getuigenis. Dat ene lid moest onder sterke innerlijke spanning tegen de stroom oproeien en zag zijn visie in de eerste concept-boodschap nauwelijks verwoord. In de tweede ronde mochten er twee 'geest-' verwanten' in de commissie. Is het nu reëel, dat een commissie van zes, die zich moet bezinnen op een boodschap inzake het Getuigenis, slechts twee leden telt die uit de kring van het Getuigenis komen? Geeft men zo het Getuigenis een echte kans in de boodschap? Ik kan mij indenken dat de gevraagden het onder deze omstandigheden lieten afweten. Hier hebben we een symptoom van de 'repressieve tolerantie van de midden-orthodoxie'.
ad. 5. Op de beschuldigingen in het laatste punt kan ik nauwelijks verweer hebben. Ik kan hoogstens vragen waar de heer Wijkstra bewijzen kan dat wij niet willen meedenken over de ethische vragen, die hij op de synode aanroerde. Maar wel graag binnen het kader van het evangelie, en niet binnen het kader van neo-marxistische visies. Mag ik verder dat woord neo-marxisme gebruiken als er op de synode tot tweemaal toe door de geestverwanten (? ) van de heer Wijkstra nogal vriendelijk over dat neo-marxisme wordt gedaan? Op de opmerking inzake de rode christenen behoef ik niet in te gaan omdat ik bij mijn weten nooit deze uitdrukking heb gebezigd. Een beetje ondeugend zou ik hier kunnen vragen: heeft de heer Wijkstra wel goed geluisterd?
We willen graag meedenken over de vragen van de samenleving. Maar we verzetten ons tegen een theologie, die opkomt uit buiten-bijbelse ideologieën, en die als achtergrond van de maatschappij-kritische benadering van de samenlevingsvragen moet dienen. Jammer dat de heer Wijkstra, èn blijkens zijn felle reactie vorig jaar op het Getuigenis, èn blijkens zijn reactie nu voor de gevaren van die maatschappij-kritische stromingen geen oog heeft.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's