De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De evangelisatorische roeping van de gemeente 4

Bekijk het origineel

De evangelisatorische roeping van de gemeente 4

9 minuten leestijd

Een door God gegeven geloof voor het werk

We leren van Christus' voorbeeld dat we als gemeenten en als individuele christenen, een door God geopend oog moeten hebben voor de verlorenheid van de mensen. 'En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen' (Mattheüs 9 : 36). We moeten mensen zien als Christus hen ziet, want zonder geloof zullen de mensen omkomen. We leven in een bezeten wereld en het is zo gemakkelijk voor ons om alleen mensen te zien en geen zielen. Christus zag altijd de velen maar nooit ten koste van de enkele. Hij ziet het hart aan en daarom wordt Zijn hart tot hen getrokken. Hij zag hun geestelijke nood. Misschien is het meest verbazingwekkende hier dat nergens is vermeld dat de discipelen de scharen zagen. Zij zagen blijkbaar alleen maar mensen en niet de ziel die ze te verliezen hadden. Zij zagen de scharen niet zoals Christus ze zag. Nergens lezen we dat zij met ontferming bewogen waren, zoals hun Meester was. We moeten hiervan leren dat het mogelijk is om predikant te zijn, ambtsdrager of welke functionaris in de kerk ook zonder oog te hebben voor de zielen die verloren gaan als ze geen Zaligmaker hebben. Het is mogelijk dat onze gemeenten actief bezig zijn met hun eigen zaken, terwijl de wereld net buiten de kerk onopgemerkt blijft en naar de hel gaat. God opene onze ogen hiervoor. God geve ons hetzelfde inzicht als Hij gaf aan Zijn discipelen toen Hij hun de volgende opdracht gaf: Zegt gij lieden niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uwe ogen op en aanschouwt de velden; want zij zijn reeds wit om te oogsten' (Johannes 4 : 35). Laten wij nooit denken dat de tijd niet geschikt is om het evangelie te verkondigen. Hier is een door God gegeven en tegelijkertijd een door God bevolen uitzicht: Ziet ik zeg u: Heft uwe ogen op en aanschouwt de velden...'

We zullen ongetwijfeld de situatie herinneren. De discipelen waren weggegaan om voedsel te kopen. Christus was achtergebleven en verpoosde bij een bron. De discipelen komen terug en bemerken dat Christus geen honger meer heeft, maar daarentegen spreekt over een onverzadelijke begeerte voor de zielen van mensen als resultaat van het winnen van de ziel van een samaritaanse vrouw. De discipelen denken duidelijk alleen aan het lichamelijke en begrijpen niet Zijn geestelijke begeerte, uitgedrukt in de woorden: Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet' (Johannes 4 : 32). De discipelen hebben kennelijk nog niet hetzelfde geestelijke inzicht als Christus. Daarom als Christus de schare aan ziet komen, die op Hem afkomt als gevolg van het getuigenis van de samaritaanse vrouw, wijst Hij naar hen en roept uit: Ziet, heft uw ogen op en aanschouwt de velden, want zij zijn reeds wit om te oogsten'. Hoe gemakkelijk is het om net als de discipelen onze blik naar beneden gericht te houden op ons eigen leven en ook op de zaken die onze kerken bezighouden. Zei Christus immers niet: Een iegelijk zie niet op het zijne maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is' (Filippenzen 2:4). Geen wonder dat er verder staat: Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was. Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn, maar heeft Zichzelf vernietigd. ..' Waarom, zouden we kunnen vragen? Het antwoord is eenvoudig, omdat Hij altijd met de nood van anderen bezig was. Gods' Woord toont ons dat Christus van eeuwigheid het oog heeft gehad op de verloren zielen van de mensen. Er is van Hem geschreven: Toen Hij de grondvesten der aarde stelde, toen was Ik een voedsterling bij Hem en Ik was dagelijks Zijn vermaking, te allertijd voor Zijn aangezicht spelende. Spelende in de wereld Zijns aardrijks en Mijne vermakingen zijn met de mensenkinderen' (Spreuken 8 : 29 - 31).
Zijn blik was niet op de rollende golven van de Atlantische oceaan of de schoonheid van de Grand Canyon noch op de verlaten woestijn van Arabië maar zijn blik was op de stippen, de verloren mensen. Deze blik moet de blik worden van de kerk in het midden van de twintigste eeuw.

Een door God gegeven bewogenheid voor het werk

Terugkerend naar het evangelie van Mattheüs lezen we daar: En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen' (Mattheüs 9 : 36). Christus' ontferming was geboren uit Zijn oog voor het verlorene en dit moet ook bij ons het geval zijn. Hier is niets minder dan het hart van God reikend naar de verloren mens. Het woord ontferming in de grondtekst betekent dat Christus was bewogen tot Zijn ingewanden of tot het diepste van Zijn wezen. Om de betekenis hiervan ten volle te verstaan is het goed te verwijzen naar het woord dat de apostel Paulus gebruikt voor Onesimus, de weggelopen slaaf, die door hem tot bekering was gebracht en nu op de terugweg is naar zijn meester. Paulus zegt tot Filemon dat Onesimus is 'mijn ingewanden' (vers 12). Het betekent: als dierbaar, als bemind, als mijzelf'. Dat is nu Christus' ontferming voor zondaren. Hij bemint ze even dierbaar als Hij Zichzelf bemint. Hetzelfde woord gebruikt Paulus weer wanneer hij tracht zijn gevoelens te beschrijven voor de gemeente Gods in Filippi. Paulus zegt: Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen, met innerlijke bewegingen van Jezus Christus' (Filippenzen 1:8). Paulus roept zelfs God de Almachtige tot Getuige om te getuigen van de diepte van zijn liefde voor deze christenen. Laten we ons realiseren dat het hier niet Paulus' natuurlijke liefde betrof. Hij had hen lief met Christus' liefde, want het was 'met innerlijke bewegingen van Jezus Christus'. Christus' hart moet onze harten in beslag nemen vóórdat we ooit in staat zullen zijn om innerlijk bewogen te zijn over de verlorenen.

Wij zullen alleen de bewogenheid van Christus kennen als we de verlorenen zien zoals Hij hen zag. En wel als 'voortgejaagd en afgemat als schapen die geen herder hebben' (Mattheüs 9 : 36). De zonde heeft de geestelijke en morele kracht van de mens afgezwakt en daarom is hij afgemat. De zonde heeft de zondaren verstrooid, 'wij dwaalden allen als schapen; wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg' (Jesaja 53:6). En tenslotte, een zondaar is verloren, omdat hij de Goede Herder niet kent, de Heere Jezus Christus als zijn Zaligmaker.

Toch zijn zelfs een overtuiging en een bewogenheid zoals Christus die had, niet genoeg. Wat we moeten hebben is:

Een door God gegeven drang tot gebed.
We hebben nodig:

a) Een door God gegeven drang tot gebed voor de arbeiders

Het is verrassend te zien dat Christus niet onmiddellijk mensen uitzond om het evangelie onder de scharen te verkondigen, toen Hij de discipelen confronteerde met de velden die wit waren om te oogsten. Neen, Hij zegt eenvoudig de volgende woorden: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige. Bidt dan de Heere van de oogst dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote' (Mattheüs 9 : 38). Merk op, dat Christus hier niet zegt dat de christenen weinig waren, maar dat de arbeiders weinig waren. Hoe betrekkelijk weinig zijn er die erop uit zijn om het evangelie te verspreiden en zich voor Gods zaak in te zetten. Christus liet geen twijfel over de noodzaak van gebed voor de uitstoting van arbeiders. Zijn gebod wordt zoals steeds ook hier ondersteund door Christus' eigen voorbeeld. Hij beschouwde de keuze van medewerkers als zo'n belangrijke zaak, dat we van Hem lezen: En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar de berg om te bidden en Hij bleef de nacht over in gebed tot God. En als het dag geworden was, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos twaalf uit hen' (Lucas 6:12, 13). Laat ons deze avond, dit voorbeeld navolgen en voorrang geven aan het gebed voor de werkers in Gods wijngaard en laten we niet verrast zijn als na zulk een gebed Christus onszelf uitkiest om voor Hem werkzaam te zijn.

b) Een door God gegeven drang voor gebed om kracht

Steeds vervult het mij met verwondering dat Christus Zijn discipelen, nadat Hij hen had uitgekozen en de opdracht had gegeven om het evangelie over de gehele aarde te verkondigen, tot hen zegt: maar blijft in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte' (Lucas 24 : 49). Dat vertoeven en wachten was duidelijk een opdracht om te bidden voor de kracht van de Heilige Geest om hun leven en prediking te inspireren. Want we lezen: Deze allen waren eendrachtiglijk volhardende in het bidden' (Handelingen 1 : 14). Dat feit alleen verklaart Pinksteren en de drieduizend zielen die behouden werden. Deze les is door de eerste gemeente nooit vergeten. In Handelingen 4 : 31—33 lezen we immers: En als zij gebeden hadden, werd de plaats, in welke zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid'. De vrucht van het gebed was kracht die uiteindelijk tot uitdrukking kwam in de uitbreiding van Gods Koninkrijk door de prediking van het evangelie. We lezen verder: En de menigte van degenen die geloofden, was één hart'. Zij waren toegerust om te spreken over de machtigste gebeurtenis in de wereldgeschiedenis, de opstanding uit de doden. 'De apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van de Heere Jezus...'

Een door God gegeven doel van het werk

Het uiteindelijke doel van de evangelieverkondiging is niet het behoud van zielen door Gods genade, maar de eer van God. Laten wij in staat zijn om aan het einde van onze levens te zeggen wat Christus zei: Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen' (Johannes 17 : 4).

Als we als christenen en als kerken falen om de blijde boodschap te verbreiden), zullen we falen om het werk te voltooien dat God ons gegeven heeft om te doen en daardoor zullen we falen om God te verheerlijken. Laat ons luisteren naar wat Paulus zegt: doet het alles ter ere Gods' (1 Corinthe 10:31).

Kunnen we beter eindigen dan met Christus' eigen woorden 'Ik moet werken de werken Desgenen, Die Mij gezonden heeft zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan' (Johannes 9:4).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De evangelisatorische roeping van de gemeente 4

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's