Uit de pers
In memoriam prof. dr. A. F. N. Lekkerkerker
In de kerkelijke pers troffen we enkele korte artikelen aan in verband met het overlijden van de bekende Groningse kerkelijke hoogleraar prof. dr. A. F. N. Lekkerkerker. Zo karakteriseert dr. C. P. van Andel in Hervormd Nederland van 6 jan. hem als man van de gemeente. Onder meer schrijft hij:
De Hervormde Kerk heeft veel te danken aan prof. Lekkerkerker. Als hulpprediker en als predikant diende hij de gemeenten Franeker, Noordlaren, Loosduinen en Utrecht. Door goede organisatie en een strak werkschema wist hij in de pastorie theologische studie en gemeentepastoraat op een harmonische manier met elkaar te verbinden. De organisatie van zijn Utrechtse wijkgemeente Oog-in-Al, de liefdemalen die onder zijn leiding gehouden werden en de opzet van het kringwerk stonden voor vele collega's model. Toen dr. Lekkerkerker eenmaal hoogleraar was in Groningen bleef zijn wetenschappelijke belangstelling zich sterk richten op het leven van de gemeente. Zijn publikaties en zijn lidmaatschap van diverse kerkelijke organen bewezen, dat hij in de volle zin van het woord kerkelijk hoogleraar wilde zijn, aan wie het wel en wee van de Hervormde Kerk na aan het hart liggen.
Zijn belangstelling richtte zich in bijzondere mate op de liturgische gestalte van de eredienst. Jarenlang was hij lid en voorzitter van de Raad voor de eredienst. Nauw was hij betrokken bij de voorbereiding van het Dienstboek. De vier deeltjes 'Kanttekeningen bij het Hervormde Dienstboek' geven een goed inzicht in de wijze waarop prof. Lekker kerker zich in de materie inwerkte, wanneer zijn medewerking gevraagd werd aan commissie-arbeid. Ze bevatten een schat aan gegevens, waar ieder steeds naar grijpt als hij nader ingelicht wil worden over de achtergronden van de orden van dienst en de formulieren die in de hervormde eredienst worden gebruikt.
Ook andere publikaties houden verband met theologische arbeid in dienst van de kerk. Toen er in de jaren vijftig onrust kwam over de leer der verzoening en de synode besloot hierover een herderlijk schrijven te laten verschijnen, bleek prof. Lekkerkerker bereid daaraan mee te werken. Ook nu weer verscheen er tezelfdertijd een eigen publikatie van de hoogleraar en leverde hij op deze manier een rijk gedocumenteerde bijdrage aan het gesprek. Bijna zonder uitzondering is elk boek uit de lange rij van zijn publikaties gericht op het leven van de gemeente. Men denke aan prof. Lekkerkerkers geschriften over de doop, het Avondmaal, het ambt, de Heidelbergse Catechismus.
Ook in het orgaan van de confessionele vereniging wordt aandacht besteed aan het heengaan van Lekkerkerker. We begrijpen dat ds. Kooistra schrijft dat de confessionele vereniging opnieuw ernstig getroffen is doordat zo kort na het overlijden van Van Niftrik nu ook deze kerkelijke hoogleraar hen ontvallen is. Met hem achten ook wij het van belang voor onze gehele kerk, dat geestverwante opvolgers gevonden worden. Prof. Lekkerkerker was man van de gemeente, hij was ook voluit hoogleraar met grote wetenschappelijke bekwaamheden. Over zijn betekenis als hoogleraar schrijft in hetzelfde blad prof. dr. A. S. V. d. Woude:
Prof. Lekkerkerker was zowel voor als na zijn benoeming tot hoogleraar nauw betrokken bij de liturgische arbeid van de Ned. Hervormde Kerk. De beslissende stoot tot de instelling van een liturgisch instituut aan de theologische faculteit te Groningen is aan hem te danken. Hij was lid van de Europese liturgische commissie van 'Faith and Order' (departement van de Wereldraad van Kerken). Hij had een groot aandeel in de totstandkoming van het Dienstboek van de Hervormde Kerk. Zijn werkzaamheden binnen 'Faith and Order', waaronder zijn deelneming aan de Gereformeerd-Lutherse consulatie, brachten hem zowel in de Verenigde Staten als in Rusland. Naast zijn ambtelijke arbeid vervulde hij tevens gedurende vele jaren een leidende rol in christelijke vakbonds-, school-, charitatieve en politieke organisaties.
Zijn belangstelling voor de dogmatische vragen van rechtvaardiging en verzoening, voor de liturgie der kerk en voor de Romeinen-brief vond haar weerslag in talloze publikaties.
In het bijzonder was hij de drijvende kracht achter het tijdschrift 'Kerk en Theologie' ('mijn ooilam', zoals hij kortgeleden nog zei, waarin hij naast een groot aantal artikelen en recensies te zamen met prof. Van Niftrik de 'kroniek' verzorgde, die door zeer velen gelezen werd en waaruit men hem leerde kennen als een met het wel en wee van de Kerk verbonden theoloog. Prof. Lekkerkerker was een man van grote bewogenheid en felle emoties: hij kon hemelhoog juichen en ten dode bedroefd zijn; hij kon zich enthousiast mengen in de liturgie der kerk en tegelijk diep over haar bezorgd zijn; hij heeft de hoogten van het geloof gekend en de diepten van de aanvechting; hij kon ontroerd over zijn geloofsbevinding spreken en kritisch theologiseren; hij kon heftig polemiseren, maar wenste niemand te verketteren, al had hij soms moeite zijn emoties de baas te blijven; hij werkte bij nacht en ontij (ook bij de ontij van zijn ziekte), maar kon tegelijk volop genieten van al het goede dat Gods schepping mensen biedt; hij heeft ontzettend geleden onder de slopende ziekte, die zijn krachten langzaam, maar zeker brak en gebeden uit dit leven te mogen worden weggenomen, maar tegelijk gewenst, dat hem nog een paar jaren geschonken zouden, worden; hij heeft soms fel gedebatteerd met zijn studenten, maar hen daarbij des te meer gewaardeerd; hij was dan ook diep ontroerd door de overweldigende belangstelling, die hij tijdens zijn ziekte juist van de kant van zijn studenten ondervonden heeft.
Een markante persoonlijkheid en een leidend theoloog is van ons heengegaan, een vertrouwensman, een vriend en een collega, aan wie velen zeer veel verschuldigd zijn.
Op zoek naar de gemeente
Onder dit opschrift maakt ds. W. R. v. d. Zee in Woord en Dienst van 30 december een aantal waardevolle opmerkingen over de betekenis van het pastoraat. Hij wijst erop, hoe er in de afgelopen jaren op allerlei wijzen een appèl gedaan is op de gemeente, in de vorm van acties, herstructureringsplannen, kerkdagen, vergaderingen etc. Maar, zo schrijft hij:
En toch kan ineens de gedachte je overvallen: er is een primaire vraag die aan dat alles voorafgaat. De vraag, bijbels gesproken, naar het vergaderen van de kudde en het omzien naar elk lid daarvan. Dat, goed geschouwd, was het ook waar Jezus Zelf mee inzette: Hij zag een mens, sprak hem aan, trok hem erbij...
Waar mensen niet meer persoonlijk opgezocht, gekend en aangesproken worden, blijft er van de kerk — hoe politiek geëngageerd, hoe goed gestructureerd, hoe recht in leer en liturgie — niets over dan een frame, een karkas.
Ik-heb-nooit-iemand-van-de-kerk-gezien... Wie zal dat niet dikwijls gehoord hebben. Onbillijk? Gesproken vanuit een verkeerde mentaliteit?
We zijn soms geneigd om er wat schouderophalend op te reageren. De opmerking terug te ketsen met: u bent toch zelf ook kerk... of: u moet er zelf dan maar om vragen..., of: in 1966 is er nog een ouderling bij u geweest, zegt het heilige kaartsysteem...
En we vergeten dan de opmerking te vertalen. Te vertalen als een legitieme vraag om herderschap en om gemeenschap.
Er zal in de komende tijd weer vaak een appèl op de gemeente gedaan worden. Voor mijn gevoel heeft die vraag om herderschap en om gemeenschap hoogste prioriteit. Anders is er straks niet meer om op te appelleren. Dat is niet zonder meer een pleidooi voor het ouderwetse huisbezoek (al kan dat zinvol en waardevol genoeg zijn). Het is wel een vraag naar creativiteit en inventiviteit: nieuwe vormen zoeken om mensen persoonlijk te bereiken. Waar bijv. de actie Trouw-moet-blijken ook pastoraal werd opgezet kwamen verrassende resultaten. Overal wordt gereorganiseerd in de gemeenten. Nou ja, overal... Naar mijn besef moet elke reorganisatie, herstructurering, schaalvergroting, zo opgezet worden dat het opnieuw ruimte maakt voor deze allerkleinste schaalverkleining: contact met een gezin, een mens.
Daarom kan het nodig zijn dat grotere verbanden gevormd worden, waarin predikanten en andere ambtsdragers en medewerkers hun handen vrij krijgen voor het opnieuw contact leggen met wie we uit het oog verloren hebben.
De Hervormde Kerk (en nu overdrijf ik, ik weet het), een kerk waarin de anonimiteit bijna beleden wordt als een geloofsartikel, zou zeg-maar voor 5 jaar alle reorganisatieplannen, structuurnota's, discussiestukken over het belijden, in de ijskast moeten leggen. En we zouden (vergeef me dit beeld uit het agrarisch-ambachtelijk patroon) de boer op moeten gaan. En daarna zou er een moment komen waarop we zeggen: we hebben weer gezien wie onze mensen zijn, wat ze beweegt, wat hun vragen zijn. En dan zouden we de stukken weer uit de ijskast halen en misschien verbaasd zeggen: was dat het nu?
Ik meen, dat hier een belangrijk element gesignaleerd wordt. De noodzaak van een bijbels pastoraat is een eerste vereiste. Tenslotte is dat gemeenteopbouwend: pastoraat naast een bijbels-reformatorische prediking en catechese. Het is goed om telkens weer erop gewezen te worden, hoezeer we gevaar lopen aan organisatieschematiek, vergaderveelheid etc. ten onder te gaan. Als we de waarschuwing ook maar horen.
Naar aanleiding van een oecumenische Avondmaalsviering
In het Hervormd Weekblad vein 21 december levert prof. dr. G. P. van Itterzon commentaar op de brief van een r.k. hoogleraar prof. dr. F. Haarsma aan de centrale kerkeraad van de hervormde gemeente te Utrecht naar aanleiding van de open Avondmaalsviering ter gelegenheid van de vergadering van de Wereldraad te Utrecht. Prof. Haarsma had nl. enkele vragen op zijn hart, die hij in deze brief stelde. We lezen in dit verband:
'Mijn eerste vraag is van informatieve aard; hij heeft betrekking op iets wat mij niet helemaal duidelijk is geworden. Gedurende de uitdeling en communie merkte ik op, dat de bekers op de verschillende punten in de zaal werden bijgevuld. Het was mij niet duidelijk waar de wijn die daarvoor diende vandaan kwam. Mijn vraag — u zult dat van een rooms-katholiek kunnen begrijpen — is of deze wijn onder het voorgaande deel van de dienst op de Avondmaalstafel heeft gestaan. Is dit inderdaad het geval, dan is er voor mij geen moeilijkheid. Is dit niet het geval dan weet ik dat dat niet in strijd hoeft te zijn met de Avondmaalsgebruiken en - opvattingen in uw kerk. Het zal u echter bekend zijn, , dat deze zaak in de rooms-katholieke en verschillende andere kerken anders ligt: bovendien dat het om een zeer gevoelig punt gaat in de beleving van de Maaltijd des Heren. Vanuit oecumenisch oogpunt rijst dan de vraag, of het mogelijk zou zijn met deze gevoeligheid rekening te houden.'
Prof. Haarsma schrijft dan over de voorkeur die hij heeft voor de 3de orde van dienst uit ons Dienstboek, omdat die 'aansluit bij de praktijk van de onverdeelde kerk' en besluit zijn brief met de zin: 'Waar het om gaat, is de vraag wat wij voor elkaar en met elkaar kunnen doen, zonder ontrouw te worden aan onze diepste geloofsovertuiging'.
In het commentaar van Van Itterzon lezen we, dat deze dankbaar is voor de eerlijke wijze waarop Haarsma zijn r.-k. geloofsovertuiging naar voren heeft gebracht. Van Itterzon merkt dan op:
Volgens de officiële rooms-katholieke kerkleer gebeurt er bij de viering van de H. Mis of de eucharistie iets wonderbaars. In de taal der theologen heet dat de 'transsubstantiatie', de 'wezensverandering'. Dat betekent, in het kort gezegd, dat bij de viering van het sacrament, tijdens het uitspreken van de instellingswoorden door de priester, het wezen van het brood verandert in het eigen lichaam des Heren, en dat insgelijks het wezen van de wijn verandert in het eigen bloed van Jezus Christus. Kleur, smaak en geur (we noemen dat de accidenties) blijven dezelfde, maar het wezen verandert. Het brood blijft in wezen geen brood, maar verandert in Jezus' lichaam. De wijn blijft in wezen geen wijn, maar wordt veranderd in Jezus' bloed. In de Nieuwe Catechismus is deze leer in de versluiering geraakt, maar bij prof. Haarsma is blijkbaar deze overtuiging nog levensgroot aanwezig. Dat meen ik namelijk overduidelijk in zijn uitgesproken zorgen te horen. Stond de wijn gedurende de hele dienst op tafel of niet? Dat wil zeggen: stond die wijn op tafel, toen de predikant de woorden sprak: De beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, is de gemeenschap met het bloed van Christus. Of: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis. Voor prof. Haarsma is er dan met die wijn op de Avondmaalstafel iets gebeurd. Laat ons het voorzichtig uitdrukken: dan is die wijn toch minstens 'gewijd'. Hij komt echter duidelijk in de buurt van een ontrouw worden aan zijn diepste geloofsovertuiging, als tijdens de dienst de wijn niet op de Avondmaalstafel stond, toen de instellingswoorden werden uitgesproken. Als de wijn b.v. op dat ogenblik nog in de consistoriekamer stond, eventueel zelfs nog in de fles was, is er voor hem een 'moeilijkheid'. Dan was er in de bij geschonken beker geen gewijde wijn. Wijn zonder enige verandering of heiliging.
De brief van prof. Haarsma is uiterst waardevol. Hij maakt duidelijk, dat er tussen de Avondmaalsopvattingen van 'Rome en de Reformatie' nog steeds 'gevoeligheden' liggen. Het ligt bij beiden 'anders'. Aan r.-k. kant wil men zelfs spreken van een 'diepste geloofsovertuiging'.
Zelfs als het gaat om de plaats van de wijn, als de inzettingswoorden worden uitgesproken. Reformatorische christenen, uit wat prof. Haarsma noemt 'de gescheiden kerken', zullen zich moeten afvragen, of zij zelf ook zulk een diepste geloofsovertuiging met betrekking tot het Avondmaal hebben. Of is het voldoende, als we 'samen' Avondmaal vieren, maar elk voor zich er iets anders bij denkt en beleeft?
Het blijkt telkens weer hoezeer de typisch r.-k. gedachtengangen toch nog voortleven zelfs bij een zo gematigd theoloog als Haarsma. Maar al te gemakkelijk wordt gezegd door velen, dat de oude tegenstellingen afgedaan hebben. Deze brief laat duidelijk het tegendeel zien. Ik meen ook, dat deze duidelijkheid verkieslijker is, dan de vage oecumeniciteit waarbij het Avondmaal wordt tot een zaak, waar ieder het zijne bij denkt en beleeft. Dat betekent immers een uitholling van de gemeenschap des geloofs. En met prof. Van Itterzon zouden we willen onderstrepen:
Weten we als reformatorische christenen nog, waar het om gaat? Of offert men de reformatorische belijdenis inzake dit sacrament op aan een horizontalistische 'geloofsbeleving' die in feite een humanisering van het heil betekent. Als dat het geval zou zijn, zou m.i. in de oecumene met Rome, Rome toch weer, als zo vaak, als de grote winnaar naar voren komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's