De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

14 minuten leestijd

Hebben we elkaar nodig?

In 'In de Waagschaal' van 13 jan. komt dr. H. Bartels terug op de uitspraak van prof. dr. H. Berkhof in de november-vergadering van de synode ten aanzien van de voorstanders van het Getuigenis. Berkhof zei toen o.m.: 'Ik heb hen nu eenmaal nodig, ook al zeggen zij dat zij mij niet nodig hebben'. Bartels ziet over het hoofd dat het hier gaat over de voorstanders van het Getuigenis, en dat waren bepaald niet alleen Gereformeerde Bonders. Hij stelt Berkhof de vraag, wat hij precies met zijn woorden bedoelt, en hoe hij dit concreet wil maken ten aanzien van de Geref. Bonders. Hij schrijft in het genoemde IdW-nummer:

1. Wat heb ik van hen te leren, dat ik niet zou kunnen missen? Ik bedoel: dogmatisch? Binnen de gereformeerde theologie ligt hun interesse speciaal op het veld tussen verkiezing en bevinding. Een belangrijk, maar in omvang beperkt gebied. Gecompliceerd in de toepassing, maar niet al te moeilijk om dogmatisch te overzien. Dat komt ook doordat ze het ons ook overigens niet te moeilijk maken. Ze worden niet moede, konsekwent en uitsluitend te verwijzen naar de klassieke gereformeerde theologie en willen er angstvallig voor waken, daar niets aan te veranderen. Wat zij dogmatisch willen is overzichtelijk en helder; iets, dat niet van iedere theologie gezegd kan worden. Het is mij dan ook heel duidelijk, dat en waarom ik zo niet kan dogmatiseren.. Waarin heb ik hen dan 'nu eenmaal nodig'?

2. Waarom willen we hun steeds weer de ideologie van het 'elkaar nodig hebben' opdringen? Als ik het synodebesluit goed begrepen heb, is het de bedoeling, dat er gespreksgroepen komen. Maar daarmee zal het gaan, zoals het met alle gespreksgroepenwerk in de gemeenten is gegaan en gaat: dat daaraan hoegenaamd geen bonders deelnemen. Dat typisch hervormde heen en weer gaan van meningen, en daarna afwegen in het licht van het evangelie, ook wat de centrale vragen betreft, is toch iets anders dan hun wens om te getuigen van de zekerheden, die zij in bijbel en belijdenisgeschriften gegeven achten en die geen afweging behoeven? Waarom proberen we hen steeds in onze schuit te trekken, waar ze niet in willen? Is het niet nodig met te beginnen de ander te erkennen in zijn anderszijn?

3. Je zegt, dat je hen nodig hebt, kennelijk als correctief om je voor eenzijdigheden te behoeden. Maar zo willen ze immers niet gezien worden, ze willen geen randverschijnsel zijn, dat aan een bepaalde kant staat touw te trekken. Ik verheug mij over en met ieder, die van hen 'tot ons over komt' — ik ken er verschillende — zoals dat omgekeerd natuurlijk ook zo is. Maar jij moet zo iemand terugverwijzen naar wat hij was, omdat je stelt, hem in die andere kwaliteit nodig te hebben. Mag je van een andere verlangen, dat die is wat je zelf niet wilt zijn, omdat je die ander aldus — bovendien op een manier, die die ander óók niet wil zijn — zegt 'nodig' te hebben? Maak je dan die ander niet van mens tot jouw slaaf?

4. Van een andere kant benaderd: de fout lijkt mij, dat we de bond hardnekkig brengen onder het hoofd 'modaliteit'. Maar dat wil ze niet zijn en is ze volgens het onder ons gangbare begrip 'modaliteit' ook niet. Noordmans heeft eens (ik weet niet meer, waar) betoogd, dat confessionelen en vrijzinnigen in zoverre verwant zijn, dat ze beide 'formele' geen inhoudelijke richtingen zijn. Beide willen zij kanalen openhouden, de een naar God, de andere naar de wereld. In de hervormde problematiek van nu, hoe de leer geleefd moet worden, en dus hoe wat door deze kanalen stroomt bijeen moet zijn, zijn er allerlei gradaties van zorg om het ene en het andere kanaal open te houden: de modaliteit. Die gradaties bewegen zich tussen de beide polen, die we vroeger met die beide richtingsnamen aanduidden. Nu kun je beter praten van 'van Kooistra tot Septuagint' of iets dgl. Wat mij opvalt is niet, dat er tussen die uitersten en al hun tussenvormen zulke grote verschillen zijn, maar juist dat de overeenstemming zo groot is. De synode kan wel met een heleboel kabaal het meerderheidsrapport-Van Gennep over liefde en sexualiteit verwerpen ten gunste van het minderheidsrapport-Roscam Abbing, maar in feite staan die twee toch heel dicht bij elkaar? We kunnen toch alleen over de ethische aspecten zo heftig kibbelen, omdat we het in hoofdzaak wel zo ongeveer eens zijn? Maar de gereformeerde bond wil wat anders zijn, zij opereren met maar één kanaal. Dat is geen modaliteit. Binnen de bond zijn wel weer modaliteiten, maar dat is binnen een andere denkwijze, het 'één-kanaal-systeem'.

Ik bedoel: moeten we niet beginnen met de bond te erkennen in wat zij zelf wil zijn: een variant, die niet een modaliteit is? Proberen wij niet krampachtig met behulp van de stelling uit de gemeenteopbouwtijd 'we hebben elkaar nodig' de werkelijkheid te verhullen, nl. dat de bond een wezenlijk ander geheel is? Het leven in tal van hervormde gemeenten leert dat toch dag in dag uit? Ik begrijp dat een dergelijke erkenning grote kerkelijke gevolgen zou kunnen hebben, maar komen wij op den duur verder met de werkelijkheid te verhullen?

Over genoemde vragen enkele opmerkingen:

a) Men vraagt zich af wat dr. Bartels beweegt om telkens weer zo stelling te nemen tegen de Geref. Bond. Hoe rijmt hij dit met zijn officiële positie binnen de P.K.V. van Utrecht waar hij toch regelmatig Geref. Bonders ontmoet. Mag een functionaris van de kerk en vooral iemand die er zich zo duidelijk , op laat voorstaan dat hij gewoon hervormd wil zijn zo partij kiezen? Moet dit niet van meet af aan frustrerend werken, als we Bartels horen spreken over Geref. Bonders die 'van hen tot ons overkomen'? Wie bedoelt hij met 'ons'?

b) Dr. Bartels meent van de G.B. in theologisch opzicht weinig of niets meer te kunnen leren. Hun interesse is immers beperkt tot een smalle strook van het dogmatisch landschap, een strook die zo makkelijk te overzien is dat Bartels er kennelijk op uitgekeken is. De fout die Bartels maakt is m.i., dat hij datgene, wat de Bond beweegt tot een soort theologische hobby maakt. Zo'n hobby kan aantrekkelijk zijn, zo'n hobby kan ook vervelend worden. Dat hangt er maar van af, hoe je deze beziet. Wij zouden willen vragen: Weet dr. Bartels dan na zovele jaren nog niet, wat de bond beweegt, nl. 'niet het aan de orde stellen van een bepaalde theologische interesse, maar de zaak van het belijden der kerk in zijn breedte en in zijn diepte.

Dat wij in de doordenking van de aspecten van het reformatorisch belijden vaak tekort schieten en vooral in de beleving van dit belijden, zij volmondig toegegeven. Wij hebben echt geen reden hoog van de toren te blazen. Dat het gevaar van versmalling eveneens op de loer ligt, wie zal het betwisten? Maar dat het de Bond als zodanig zou gaan om een beperkt veld binnen de theologie is m.i. een onbewezen en onjuiste stelling, een caricatuur van wat ons bezighoudt.

c) Dr. Bartels ziet niet veel in gespreksgroepen. Nu, de ervaring heeft geleerd, dat daar niet zoveel heil van te verwachten is. Maar wij zouden toch willen protesteren dat de Bond daar bij voorbaat nee tegen zegt. Als er over allerlei vormen van gesprek onbehagen is, dan betreft dit a )de uitgangspunten (mag je in een kerkelijk gesprek alles, ook de centrale vragen discutabel stellen? ) en b) de wijze waarop de groepen zijn samengesteld (een midden-orthodoxe meerderheid met een linkse en rechtse partner als buitenspelers).

d) Ronduit misselijk is de manier waarop Bartels ook nu weer een wig probeert te drijven tussen Confessionelen en Geref. Bonders. Men zou z.i. moeten spreken over 'van Kooistra tot Septuagint', en de overeenstemming tussen die uitersten en hun tussenvormen zou zo geweldig groot zijn. De gedragslijn ten aanzien van de rapporten over huwelijk en sexualiteit zou dit illustreren. Weet dr. Bartels dan niet dat ds. Kooistra keer op keer zijn verontrusting heeft uitgesproken over het rapport-Van Gennep en dat hij dankbaar is dat de synode dit verworpen heeft? Is het eerlijk en conform de waarheid, juist ook gezien alles wat er rondom het Getuigenis gebeurd is, de G.B. in een isolement te plaatsen en de Confessionelen toch eigenlijk te verbinden met een groepering als Septuagint en dan ook nog te spreken van grote overeenstemming? Heeft dr. Bartels dan nooit iets gelezen van confessionele scribenten als prof. Van Itterzon en ds. Van Roon, om slechts twee namen te noemen.

Maar het is niet onduidelijk waarom dr. Bartels schrijft zoals hij schrijft. De Bond moet met alle geweld tot partij gedegradeerd worden en hoe eerder de G.B. alleen komt te staan in de kerk, hoe liever dat is. Kennelijk is het feit dat velen binnen de Confessionelen vereniging en velen binnen de G.B. elkaar gevonden hebben juist in de centrale vragen van het belijden van de kerk, hem een doorn in het oog. Tragisch is, dat de wijze waarop Bartels schrijft zelf voortvloeit uit een partijdenken, dat slechts één visie duldt, nl. de midden-orthodoxe modaliteitenvisie.

Het antwoord van prof. Berkhof

In hetzelfde nummer van IdW heeft Berkhof Bartels geantwoord. Een antwoord dat zoals we dat van Berkhof verwachten mogen genuanceerd is en duidelijk op de zaak ingaat. Nadat hij erop gewezen heeft hoe Bartels de uitspraak van hem uit het verband licht van de discussie rondom het Getuigenis, merkt hij op dat de door Bar­tels gegeven tekening van de bond eenzijdig en overtrokken is. Ook is Berkhof niet bereid de Geref. Bond als een onbewegelijk blok te beschouwen, getuige de ontwikkelingen die zich ook in de G.B. voorgedaan hebben en voordoen. In dit verband schrijft Berkhof onder meer:

Ook je typering: 'hun interesse ligt speciaal op het veld van verkiezing en bevinding', kan ik zo niet meemaken. Dat geldt van de rechtervleugel en van een groot deel van het kerkvolk, en speelt op de achtergrond van heel de prediking mee. Maar, de voorgrond bij velen en de gemeenschappeUjke noemer van alles is: de aandacht voor de persoonlijke heilstoeëigening. Dat is de hermeneutische kijker waardoor ze naar de Schrift kijken. Alle teksten worden toegespitst naar de vraag toe: hoe word ik een kind van God en een erfgenaam van het eeuwige leven? Ik beschouw die benadering als een grote versmalling en verarming van het Schriftgetuigenis. Ook binnen de G.B. wordt dat wel beseft. Vooral het voortreffelijk geredigeerde 'Wapenveld' is al jarenlang bezig, de blik te verwijden. Maar ook daar treedt naar mijn indruk een zekere verstrakking in, nu men vreest dat bij 'de anderen' het maatschappelijke engagement meer en meer wordt opgebouwd op een theologie waarin voor de persoonlijke kern van geloof een bekering nauwelijks plaats is.

Hiermee wordt je al wel duidelijk, hoe ik de door jou bestreden uitdrukking bedoelde. Wij die willens of tegen wil en dank op de fronten van de secularisatie en de moderne problematiek staan, hebben andere hermeneutische kijkers nodig, om andere verkondigingslijnen in de Schrift te ontdekken, waardoor de mensen om ons heen het Woord van God weer midden in hun eigen leven te horen krijgen. Niemand kan en hoeft alles tegelijk te zeggen. We zijn boos geworden op de mensen van het Getuigenis o.a. omdat wij nooit hebben willen ontkennen wat zij positief te belijden hadden. Maar we moesten het in onze situatie vaak a.h.w. klein drukken. Ik heb het nodig, dat anderen het dan groot drukken. Anders dreigen we het te vergeten. Terwijl juist daar de reserves liggen van waaruit straks weer nieuw naar onze fronten toe zal moeten worden doorvertaald. Dat zij het moeizame werk van doorvertaling niet respecteren, moeten ze zelf voor God verantwoorden. Ik moet weten dat hun waarschuwing niet denkbeeldig is; wij kunnen al doorvertalend in één richting', wezenlijke zaken vergeten of zelfs prijsgeven. Al doorvertalend heb ik de mensen nodig, die mij voor de voeten lopen met de vraag of mijn doorvertaling wel op voortdurende en juiste terugkoppeling berust.

Er zit, hiermee samenhangend, nog een kant aan mijn opmerking ter synode. Voor mij is de grote roeping van het volk Gods in deze diep geseculariseerde westerse cultuur, om de strijd tegen de 'machten in de lucht' aan te binden, zó dat mensen in een godloos levensklimaat de grote dingen van God, verzoening, zonde, genade, gehoorzaamheid en verwachting kunnen vasthouden of ontdekken. Hoe rechtser in de kerk, des te minder doet men aan deze strijd mee. In zoverre beschouw ik deze groepen dus als achterhoede. Men is daar in de kring van gelijkgezinden bezig het geloofsgeheim op eigen wijze te bewaren. Intussen is de voorhoede in zware gevechten gewikkeld. Velen vallen, velen deserteren of raken het verband met de troep kwijt. De strijders worden moede. Aflossing en aanvulling zijn dringend nodig. Mijn indruk is, dat die telkens weer uit deze achterhoede moet komen en ook komt. Er worden daar reserves gekweekt, die vroeger of later in de vuurlinie komen te staan. Helaas erkent de achterhoede hen dan vaak niet meer. Dat neemt niet weg, dat hoe groter het slijtageproces is, des te meer ook hoeders en bewaarders nodig zijn. We hebben niet allen dezelfde taak in het lichaam van Christus. Maar ik moet je helaas daarin gelijk geven, dat dit bij de G.B. niet erkend wordt. (Bij ons wel? ).

Uit dit antwoord van Berkhof blijkt, hoe allerlei momenten uit de discussie van Berkhof en Boer hier terugkeren. Ook hier een paar opmerkingen:

a) Berkhof spreekt over de hermeneutische kijk en van de persoonlijke heilstoeëigening waardoor de G.B. de Schrift zou zien. Hij acht dit een versmalling. Nu meen ik dat men altijd voor het gevaar van versmalling op zijn hoede moet zijn. Dat men de Bijbel leest door een bepaalde bril en voor allerlei facetten geen oog heeft, is een gevaar dat ieder, ook ons, bedreigt. Wanneer anderen ons dus wijzen op facetten van het Schriftgetuigenis die onvoldoende of nauwelijks aan bod komen zullen we dit nooit gemakkelijk naast ons neer mogen leggen. Integendeel, wij zullen hebben te waken voor het betreden van platgetreden paadjes en de Schrift in al zijn verbanden aan de orde hebben te stellen in de prediking. Juist daarom ben ik zo dankbaar voor de Catechismusprediking die immers door de veelheid van onderwerpen de blik verbreedt en ons tot de volle rijkdom van de Schrift wil leiden.

Maar is de door Berkhof genoemde hermeneutische kijker een verarming? Of gaat het daarin niet om de centrale notie van het evangelie, nl. de rechtvaardiging van de goddeloze. Is dit niet het wezenlijke van de Reformatie geweest dat ze ons terug wilde leiden tot het centrum van de Schrift. Dat is geen versmalling. Want wanneer we zien in welke verbanden de prediking van de rechtvaardiging bij Paulus staat, in de Romeinenbrief, dan komt de Schrift in al zijn rijkdom naar voren. Dan lopen er lijnen naar de Christusprediking, de verkiezing, het werk van de Geest, de heiliging, de gemeenteopbouw, Israël, het apostolaat etc.

Wanneer wij voor deze verbanden aandacht vragen en de kerk terugroepen tot dit reformatorisch belijden dan vloeit dit juist voort uit de zorg dat veler prediking aan verarming lijdt, omdat de Schriftgegevens bezien worden door de hermeneutische kijker van een bepaalde maatschappijbeschouwing en sociale visie.

b) Men krijgt de indruk dat Berkhof de middengroep van de kerk aan de fronten ziet staan van de moderne problematiek en dat de Bond zich in de achterhoede bevindt, overigens een zeer waardevolle achterhoede, want zij levert de nieuwe lichting als frontstrijders moe worden of uitvallen. Wel is Berkhof van oordeel dat b.v. de voorstanders van het Getuigenis het moeizame werk van het doorvertalen niet respecteren. Wat bedoelt Berkhof precies met dat doorvertalen? De revolutietheologie van Ter Schegget e.a.? De maatschappijkritische theologie van De Pree? Een ontmythologisering a la Bultmann? Zit hier toch niet de gedachte achter, dat zij die opkomen voor het reformatorisch erfgoed eigenlijk geen boodschap hebben voor de geseculariseerde mens van vandaag? Is dit juist? Of moeten we niet veel meer zeggen dat in het reformatorisch belijden een actualiteit zit, waarmee we juist op de uitdagingen van de moderne tijd in kunnen gaan? Het gaat ons immers niet om het klakkeloos repeteren van het oude.

Maar wij zijn er nl. van overtuigd dat dit reformatorisch belijden voluit actueel is, en dat datgene wat een vernieuwingstheologie op tafel legt, in feite stenen voor brood geeft. Doorvertalen is geen onschuldige zaak. Dat weet ook Berkhof. Hij zegt dan ook, dat hij de achterhoede nodig heeft. Maar het betekent m.i. toch een stuk overschatting van de werkelijke stand van zaken op deze wijze te spreken over 'front' en 'achterhoede'. Op deze wijze werkt men toch zelf mee aan de polarisatie die men wil bestrijden. '

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1973

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1973

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's