Het geloof 3
Pastorale overwegingen
De oorsprong van het geloof
Als vanzelf komt nu de vraag aan de orde: Hoe komen we aan het ware geloof? Waar komt het ware geloof vandaan?
Wat het zogenaamde 'historisch geloof' betreft — we zagen het al in het voorafgaande — is er geen enkel probleem. Dat het Woord van God de waarheid is, is een overtuiging die we of van huis uit hebben meegekregen, of ons door onderzoek en studie eigen hebben gemaakt.
Met het zaligmakend geloof is het anders. Dat is niet erfelijk, dat gaat ook niet automatisch van het ene geslacht op het andere over, dat kunnen we evenmin door studie leren kennen.
Eigenlijk is het antwoord op de vraag naar de herkomst van het ware geloof al zijdelings gegeven in de definitie van de Catechismus in Zondag 7: 'Een stellig weten of kennis... en een vast vertrouwen dat de Heilige Geest in mijn hart werkt'. De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt met andere woorden hetzelfde in artikel 22: 'De Heilige Geest ontsteekt in onze haren een oprecht geloof'.
De Heilige Geest is dus 'de Werkmeester' van het waarachtige geloof. In Zondag 2 van de H.C., wanneer nog eens het geloof ter sprake komt in betrekking tot de rechtvaardiging, wordt daarop nog dieper ingegaan. 'Aangezien dan het geloof ons Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt, vanwaar komt dan zulk een geloof? Van de Heilige Geest Die het in onze harten werkt.. .'
Dat is een bijbelse manier van spreken. Denkt u alleen maar aan Efeze 2:8: 'Uit genade zijt gezalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave. Niet uit de werken opdat niemand roeme'. Het zal misschien overbodig lijken, hierop de aandacht te vestigen. Want dat het geloof een gave Gods is, dat blijkt in de pastorale praktijk diep verankerd te liggen. Dat zeggen mensen ter rechterzijde, vanuit een huiveringwekkend passieve houding: 'Maar ik kan het mezelf toch niet geven? Daar moet de Heere toch met Zijn Geest aan te pas komen? ' En dat zeggen mensen ter linkerzijde, soms zelfs mensen die de band met kerk en evangelie praktisch doorgesneden hebben: Het geloof, dat heb je of dat hèb je niet. Daar moet je voor in de wieg gelegd zijn'.
Het is duidelijk, dat ze beide op deze wijze misbruik maken van een bijbels gegeven. Maar in ieder geval is er een vermoeden van het feit, dat het geloof niet uit de mens opkomt, maar dat het van Goddelijke oorsprong is.
Maar als we niet méér zeggen dan dit, dat het geloof gewerkt wordt door de Heilige Geest dan zeggen we toch te weinig. Want de Catechismus zegt er nog iets bij, dat we tot nu toe buiten beschouwing lieten. 'De Heilige Geest werkt het geloof door middel van het evangelie'.
De Heilige Geest werkt dus het geloof niet on-middellijk (d.w.z. zonder middel). De Heilige Geest gebruikt daarvoor het middel van het evangelie, het Woord Gods, als een zaad der wedergeboorte.
En ik ben van mening dat we hierop niet genoeg de nadruk kunnen leggen. Het evangelie, het Woord der zaligheid, is het voertuig van de Heilige Geest. De kerk, waar het Woord wordt verkondigd, is de werkplaats, de smidse van de Heilige Geest. Komen we onder het Woord, dan komen we onder het bereik, in het krachtenveld van de Heilige Geest. 'Zo is dan het geloof uit het gehoor en gehoor door het Woord Gods'.
Het is zonder meer verbijsterend te ontdekken dat mensen die dit alles toch wel weten, zo slordig kunnen zijn in hun kerkgang, zo achteloos kunnen omgaan met het Woord van God, zo weinig verwachting kunnen hebben van de prediking en van het onderzoek van dat Woord. Er zijn er zelfs velen, die trouw zijn in hun kerkgang en trouw zijn in het bijbellezen ('natuurlijk, het is onze plicht'), maar ze doen het allemaal zonder verwachting en zonder vreugde. Ze koesteren heimelijk toch de gedachte dat het geloof iets is, dat op zekere dag zomaar uit de lucht komt vallen. Men gaat de weg der middelen wel, maar men heeft eigenlijk niet veel vertrouwen dat die weg de goede weg is. Ik meen dat predikanten en andere ambtsdragers er niet genoeg op kunnen wijzen, dat we de middelen der genade kostbaar moeten achten, en dat we die middelen ook biddend moeten gebruiken. 'Bidt en u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden'. 'Ontvangt met zachtmoedigheid het Woord dat in u geplant wordt, dat uw zielen kan zaligmaken'.
De werkzaamheid van het geloof
Hoe werkt nu het geloof? Waarop richt zich nu het geloof? Het is niet overbodig ook deze vragen aan de orde te stellen, want ook op dit punt bestaan allerlei onjuiste voorstellingen.
'Ik geloof', dat betekent voor veel mensen: 'Ik geloof, dat ik toen en toen, daar en daar bekeerd ben'. Of: 'Ik geloof dat ik een kind van God ben'. In zulke gevallen is het geloof op z'n minst verkeerd gericht. Het geloof richt zich namelijk nooit op zichzelf, maar op het Voorwerp van het geloof.
Een eenvoudig voorbeeld, dat men niet meer vergeet. David zegt in Psalm 23 niet: 'Ik ben een schaap', - maar 'De Heere is mijn Herder'. En wéér komt Zondag 7 ons voor de geest. 'Wat is dan voor een christen nodig te geloven? Al wat ons in het evangelie beloofd wordt'.
Het geloof richt zich dus op het evangelie en dat evangelie bestaat in beloften. Beloften van vergeving der zonden, van verzoening en vrede met God, van eeuwig leven - en eeuwige zaligheid. Alles wat we missen en wat we toch nodig hebben, wordt ons in het evangelie beloofd met bevel van bekering en geloof. Dat kunnen we op bijna elke bladzijde van de Heilige Schrift lezen: 'Bekeert u en gelooft het Evangelie'.
Ter illustratie een citaat uit de Dordtse Leerregels: 'Voorts is de belofte van het evangelie dat een ieder die in de Gekruisigde Christus gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe, welke belofte alle mensen zonder onderscheid moet gepredikt worden, met bevel van bekering en geloof'. Het geloof is dus helemaal gericht op het Woord Gods, omdat in dat Woord Jezus Christus wordt voorgesteld en aangeboden tot een volkomen verzoening van alle zonden. 'Die in de Zoon gelooft, hééft het eeuwige leven'. 'Dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus'.
Geloven wil dus zeggen: alle eigen maatstaven opgeven, zich afkeren van zichzelf, van de wereld en van de zonde, en zich wenden tot die Christus, Die ons in het evangelie wordt aangeboden. Ik kan het niet beter zeggen dan met de woorden van Calvijn: 'Geloven is de ogen sluiten (niet meer zien op zichzelf) en de oren openen (luisteren naar het evangelie)'.
Ik ben van mening dat hier voor vele mensen het grote struikelblok ligt. Men is soms niet gerust op z'n eigen leven, men heeft wel enige ontdekking aan zonde en schuld, maar men komt niet tot het gelovig aanvaarden van de gewisse beloften Gods. De oorzaak ligt hierin, dat men zich zelf niet wil loslaten, dat men bij zich zelf zoekt naar kenmerken, die men hanteert als voorwaarden, zonder welke men niet tot Christus kan komen. Dat is de omgekeerde volgorde. Want dan zouden we toch nog iets in onszelf vinden dat ons vrijmoedigheid gaf om te geloven. Maar het ware geloof vindt juist niets meer in zichzelf, maar alles in Christus.
Hij is het immers. Die van God gegeven is tot wijsheid, tot rechtvaardigheid, tot heiligmaking en tot een volkomen verlossing. Daar hóeft niets van ons bij, daar kan ook niets van ons bij. Daar kunnen we alleen maar op zeggen: 'Heere, Uw Woord is de waarheid en op dat Woord heb ik gehoopt'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's