Het verbond in het Nieuwe Testament 2
Het Verbond Gods
Mensen van Gods welbehagen
Het verzet en de vijandschap van de ongehoorzame kinderen des Verbonds kunnen toch niet verhinderen dat de Heere Zijn heilsplan doorzet. Duidelijk wordt ons dat gepredikt in de gelijkenissen van het bruiloftsmaal (Matth. 22 en Luc. 14). De eerstgenodigden laten verstek gaan. Toch zet de Gastheer Zijn plan met de bruiloft door. Anderen nemen de plaatsen in van de eerst geroepenen: de tollenaars en zondaars, de heidenen. Ja zelfs horen we de Gastheer zeggen: 'Dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde' (Luc. 14 : 23). Het zijn de armen van geest, de treurenden, de zachtmoedigen, zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid die zalig gesproken worden (Matth. 5 : 1 v.v.). Terwijl de Farizeeër de anderen niets acht en roemt in eigen voortreffelijkheid, gaat de tollenaar gerechtvaardigd naar huis (Luc. 18:9 v.v.). Ook in de gelijkenis van de verloren zonen zien we de scheidslijn, al mogen we niet verwaarlozen dat deze gelijkenis een open karakter draagt. De deur blijft ook voor de oudste zoon nog open staan.
Beslissend is het geloof in de Heere Jezus Christus. Met name het Johannesevangelie laat dit zien (vgl. Joh. 3 : 16 v.v.). Wij hebben dus, als we spreken over het verbond in het N.T. op twee dingen te letten:
a) Heel het verbondsvolk wordt geroepen en geplaatst in de lichtkring van het geopenbaarde heil.
b) De bijzondere betrekking tot God, het toebehoren tot het volk van God wordt niet bepaald door uitwendige voorrechten, maar door het geloof en de bekering. Typerend is de uitdrukking 'kinderen des koninkrijks'. Terwijl deze in Matth. 8 : 10 v.v. slaat op de leden van het verbondsvolk, wordt de uitdrukking in Matth. 13 : 38 gebezigd van hen die als het goede zaad in Gods akker Zijn Woord horen en doen. Zij zijn Abrahams kinderen die ook Abrahams werken doen (Joh. 8 : 39 v.).
Zij vormen het volk, voor wie Jezus zich overgeeft in de dood en die het heil reeds aan Abrahani beloofd ontvangen zullen. Zo wordt het Verbond bevestigd. Nu hebben we naast de lijn van de menselijke verantwoordelijkheid in dit verband ook te letten op een tweede lijn, nl. die van de verkiezing.
Zij die het heil ontvangen zijn voorwerp van Gods verkiezend welbehagen. Reeds in de engelenzang wordt gesproken over vrede voor mensen van Gods welbehagen (Luc. 2 : 14). Elders is sprake van de kleine kudde, aan wie de Vader in Zijn welbehagen het Koninkrijk schenkt (Luc. 12 : 32). De kleine kudde is heb volk van God — ook hier de verbondsgedachte! — dat zeker is van zijn verlossing. Want deze berust op het verkiezend welbehagen Gods. Wat aan wijzen en verstandigen is verborgen is aan de kinderkens geopenbaard (Matth. 11 : 25). Ook hier wordt de scheiding die zich voltrekt tussen het verbondsvolk teruggebracht op het weibehagen van God. Voorts wijzen we u op Joh. 10, waar enerzijds de gedachte van het Verbond sterk meeklinkt (de herder, de schapen), anderzijds nadrukkelijk onderscheid gemaakt wordt (vgl. Joh. 10 : 26 v.v.: Mijn schapen). Het zijn de gegevenen des Vaders die delen in het eeuwig leven (zie ook Joh. 17). Ook in Handelingen 13 : 49 beluisteren we dit loflied op Gods verkiezende genade. Ondanks vijandschap gaat Gods werk door. Zij die geordineerd zijn ten eeuwige leven, komen tot geloof.
Nu is het goed hier op de verbanden te letten. De nadruk op de souvereiniteit van Gods welbehagen, en de gedachte van de uitverkiezing kunnen nimmer leiden tot een fatalistische lijdelijkheid. De verkiezing wordt door God verbondsmatig verwezenlijkt. De verkiezing komt openbaar in het geloof in de Heere Jezus Christus en de bekering tot Hem.
Wij zullen deze spanning tussen verbond en verkiezing moeten laten staan en niet mogen oplossen in een evenwichtsconstructie, waarbij men enerzijds het verbond beperkt tot de uitverkorenen, anderzijds de gehele verbondsgemeente beschouwt als uitverkoren tot de zaligheid.
Wij mogen de ruimte en de breedte van Gods verbond niet inperken. Jezus kwam met Zijn heilsproclamatie tot geheel Israël. Anderzijds zullen we niet mogen verwaarlozen dat wie niet gelooft buiten het heil staat en dat in dit alles Gods verkiezend welbehagen zich voltrekt.
De wijnstok en de ranken
Wat geldt voor de relatie van Jezus tot het verbondsvolk is ook van toepassing op de christelijke gemeente. We denken aan de bekende woorden over de wijnstok en de ranken. Er zijn onvruchtbare ranken worden. Er zijn ranken die vrucht dragen die gesnoeid worden en die afgesneden (Joh. 15). Op de ene akker groeit kaf en koren (Mt. 13 : 24 vv.). In de ene bruiloftsstoet lopen wijze en dwaze maagden (Mt. 25:1 v.v.).
En in de christelijke gemeente zullen wolven in schaapskleren huishouden (Matth. 7). Paulus roept in Hand. 20 de ambtsdragers op opzicht te houden over de gehele kudde (!), en de gemeente Gods te weiden. Er zullen immers grimmige wolven komen die de schapen zoeken te verstrooien. Dwaalleer zal de kop opsteken (vgl. 1 Joh.4).
Ook in Openbaring 2 en 3 zien we ditzelfde: Christus komt tot Zijn gemeente, vertroostend en waarschuwend. Wie oren heeft die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Indien de gemeente zich niet bekeert, zal de kandelaar worden weggenomen. Het verbond is geen oorkussen om in valse rust in te slapen. Juist het behoren tot Gods verbondsgemeente en het leven onder Gods beloften, in de Doop betekend en verzegeld, stelt verantwoordelijkheid. Kinderen des verbonds hebben zich te beijveren hun roeping en verkiezing vast te maken (2 Petr. 1), om zo te delen in het heil hun toegezegd.
Dienaar van een nieuw verbond
Dat we in een overzicht over de betekenis van het verbond in het Nieuwe Testament afzonderlijk aandacht schenken aan de brieven van Paulus, zal geen verwondering wekken. Paulus, de grote heidenapostel staat immers op een keerpunt in de heilsgeschiedenis. Smartelijk heeft de apostel op zijn zendingsreizen keer op keer de breuk ervaren met de synagoge, wanneer de kinderen van Abraham de prediking van Jezus Christus, in Wie het verbond met Abraham bevestigd ligt, afwezen. Tegelijk hangt zijn apostolische werkzaamheid nauw samen met de verkondiging van het evangelie onder de heidenen. Ja, de apostel getuigt ervan hoe het geheimenis van Christus geopenbaard is, dat nl. de heidenen mede-erfgenamen, medeleden en medegenoten zijn van de belofte in Christus Jezus door het evangelie (Ef. 3:6). Paulus weet zich dienaar van het nieuwe verbond, dat door de profeten is aangekondigd (Jeremia 31 : 33; Ezech. 11 : 19, 36 : 26), en welker profetie in Christus vervuld is. Dit nieuwe verbond is gegrond in het door Christus vergoten bloed aan het kruis. En Christus heeft de levendmakende Geest verworven die de gemeente vernieuwt, heiligt en haar doet wandelen in de inzettingen des Heeren. Terwijl joodse tijdgenoten van de apostel het nieuwe verbond beperkten tot de nakomelingen van Abraham en de vervulling ervan afhankelijk maakten van de wetsvolbrenging, legt Paulus er nadruk op, dat de letter doodt, maar dat de Geest levend maakt. Zo geldt van de gemeente van Christus het goddelijk verbondswoord bij uitnemendheid: Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mijn volk zijn' (2 Cor. 6 : 16; vgl. ook 2 Cor. 3).
Het voorrecht van Israël
Toch betekent deze nadruk op het nieuwe verbond niet, dat de apostel het werk Gods in het verleden van Israël zou ontkennen. De verwijzing naar Jeremia 31 in 2 en 3 is op dat punt al veelzeggend. En ook de benamingen waarmee de apostel de christelijke gemeente noemt en de bepalingen van haar wezen, haar roeping en haar hoop laten zien, dat zij in Israël is ingelijfd en dat de inhoud van hetgeen de Heere in het verbond met Abraham aan Zijn volk beloofd heeft, haar in Christus Jezus geschonken is. De komst van Christus betekent dat God iets nieuws doet, maar tevens toont dit heilsfeit de onverbrekelijkheid van de beloften Gods aan Abraham.
Al wat Paulus over de verwezenlijking van het verbond van God zegt, staat tegen de achtergrond van de O.T.'ische belofte. Vandaar dat Paulus het voorrecht van Israël, haar genadig geschonken, geenszins ontkent, maar het gedurig weer in zijn brieven tot uitgangspunt neemt. Trouwens ook in Paulus' zendingsarbeid zien we dit bevestigd als we denken hoe de apostel steeds weer eerst contact zoekt met de synagoge, met zijn broeders naar het vlees (vgl. Handelingen der apostelen!). In Rom. 3 : 2 lezen we dat het voorrecht van Israël velerlei is in elk opzicht, vooral dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd. Bedoeld is wel het geheel van de openbaring Gods. Deze openbaring is Israël toevertrouwd als een genadig geschenk. Israels voorrecht bestaat niet in een godsdienstige kwaliteit, vroomheid of wetsgetrouwheid. Het genadekarakter van het verbond komt hier duidelijk uit. In Rom. 9 : 4 v. komt de apostel opnieuw op dit voorrecht terug.
Alleen al het feit, dat de apostel hier zijn broeders Israëlieten noemt is veelzeggend. Groot is Paulus' smart over het ongeloof van zijn volksgenoten. Toch noemt hij hen Israëlieten, mensen van het volk Gods (men lette op het verband van de naam met Genesis 32!). Terwijl het woord 'joden' soms een verachtelijke klank heeft, vooral bij niet-joden, en in het Johannesevangelie meermalen synoniem is met de vijanden van Jezus. Van deze Israëlieten zegt de apostel voorts, dat hunner is de aanneming tot zonen, en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving, en de eredienst en de beloften. Maar vooral noemt hij het feit, dat uit dit volk de Messias geboren is. Daarmee is, zoals prof. dr. Lekkerkerker schrijft in zijn commentaar op Rom. 9 : 5 'zowel de oorzaak gegeven voor zijn droefheid over Israël en.. . zijn verwachting ten aanzien van dit volk'.
Wij laten rusten, hoe Paulus dit laatste aspect uitwerkt in Rom. 9—11. De vele vragen die er zijn ten aanzien van het vraagstuk van de toekomst van Israël gaan het bestek van een artikel te boven. Wel wijzen we erop, dat de aandacht voor Israël, en de verwachting voor Israël niet voortvloeit uit welke vorm van judaïsme ook, maar zijn wettigheid vindt in de vastheid van Gods verbond met Abraham, de trouw des Heeren, die door onze ontrouw niet teniet gedaan wordt.
Niet alles Israël, wat Israël genoemd wordt
Wat we ook in de evangeliën vonden, wordt door het paulinisch getuigenis bevestigd. Het voorrecht tot het Verbonds-volk te behoren, besneden te zijn. Abrahams nakomeling genaamd te worden neemt de verantwoordelijkheid niet weg. Er is een spanning in het woord 'Israël'. Niet allen die van Israël afstammen, zijn Israël. Er is het Israël dat die naam draagt krachtens geboorte, vleselijke afstamming. Er is ook het Israël, dat zich niet alleen drager van de heilsbelofte weet, maar ook in het geloof uit deze belofte leeft. Er is het onderscheid tussen de kinderen van het vlees en de kinderen der belofte, tussen Ismaël en Izaak, Ezau en Jacob. Het geloof in de belofte is beslissend. En deze scheiding binnen het verbondsvolk treedt zonneklaar aan het licht in de reacties op de evangelieprediking van de zijden van de joden (vgl. Rom. 9 en 10). De ongelovige Israëlieten hebben zich gestoten aan Christus, Die voor hen de steen des aanstoots is.
Hoezeer Paulus elke valse roem bij de wortel afsnijdt, blijkt ook uit Rom. 2 : 25 v.v. Daar horen we van een 'jood, die het uiterlijk is' en de 'jood, die het in het verborgene' is. Terwijl de rabbijnen van oordeel waren, dat de besnijdenis op zichzelf de kracht heeft Israël in de Messiaanse tijd te verlossen, en zij spraken over de verdienste van de besnijdenis, veroordeelt Paulus elk roemen op het teken van de besnijdenis als zodanig. Dit sacrament moet in geloof en gehoorzaamheid ontvangen worden. In overeenstemming met Deut. 10 : 16 en Jeremia 4 : 4 spreekt Paulus over de ware besnijdenis welke die van het hart is, nl. de inwendige vernieuwing door de Geest. De natuurlijke, nationale of ceremoniële voorwaarden zijn niet beslissend voor het delen in de zegeningen van het verbond der genade. Alles komt aan op het geloof en de gehoorzaamheid jegens de God van het verbond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's