Uit de pers
Duidelijkheid gewenst
Naar aanleiding van de verkiezingen van vorig jaar november hebben velen erop gewezen, dat die partijen winst geboekt hebben, die een duidelijk program hadden en hun kiezers niet met vage beloften in het onzekere hielden. Dr. C. Bezemer die dit signaleert in een artikel in het Hervormd Weelblad van 18 januari, wijst erop, hoezeer de kerken er goed aan zouden doen deze les van de politici ter harte te nemen.
De verwarring in de kerk, de onzekerheid bij velen, de kritiek bij buitenstaanders hebben z.i. alles te maken met het feit dat het in de kerk aan duidelijkheid ontbreekt, zowel ten aanzien van het belijden als ook het beleid. Een wilde experimenteerzucht maakt zich van velen meester. Ieder doet wat goed is in eigen ogen, alsof er geen belijdenis en kerkorde zijn.
Terzake van belijdenis, prediking en oecumene schrijft dr. Bezemer:
Allereerst inzake het belijden der kerk. Dat belijden iets anders is dan het reciteren of beamen van een aantal belijdenisgeschriften acht ik een zaak, waarover niet gediscussieerd behoeft te worden, hoewel ik moet toegeven, dat niet iedereen de vanzelfsprekendheid daarvan inziet. Maar dat neemt desondanks niet weg, dat het belijden der kerk in geen enkel opzicht losgemaakt mag worden van de belijdenisgeschriften der kerk, waarin is uitgesproken binnen welke grenzen het belijden der kerk zich op grond van Gods Woord dient te bewegen. Volgens art. 10 van de kerkorde doet de gehele kerk in dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en in gemeenschap met de belijdenis der vaderen belijdenis van de Zelfopenbaring van "de Drieënige God, waaraan nog wordt toegevoegd, dat de kerk leeft in de uit de Schrift geputte belijdenis der vaderen. Waar de grenzen van het belijden der kerk liggen, daarover behoeft dus geen twijfel te bestaan. Onlosmakelijk hiermee verbonden is een tweede, nl. dat duidelijkheid gewenst is ook in de prediking der kerk. Deze zal zich eveneens dienen te bewegen binnen de door de belijdenisgeschriften aan het belijden der kerk gestelde grenzen. Treedt ze daarbuiten, dan is ze in wezen geen prediking der kerk meer. Men kan dit een rigoureuze uitspraak achten, temeer waar inzake het belijden de ruimte in onze kerk (trouwens ook in de Gereformeerde Kerken) ontzaglijk groot is. Maar is die ruimte niet te groot? Men kan over één tekstwoord zo verschillend horen preken, niet zozeer wat de benadering en praktische uitwerking ervan betreft, alswel ten aanzien van het belijden, dat daaraan ten grondslag ligt, dat men zich moet afvragen, hoe het mogelijk is, dat zoiets in één kerk kan gebeuren. In menige prediking is eerder sprake van een ondermijnen van 4e belijdenis der kerk dan van een uitdragen ervan. Daarom is het zo nodig, dat in de prediking wordt verkondigd hetgeen de kerk in gehoorzaamheid maar ook in gebondenheid aan de Heilige Schrift belijdt, opdat de gemeenten en de gemeenteleden weten waarom het gaat en waar ze met de kerk waartoe ze behoren aan toe zijn. De kerk dient een vaste koers te gaan. Maar die zal niet in strijd mogen zijn met Gods Woord en met haar belijdenis. En waar de prediking der kerk niet in overeenstemming is met haar belijdenis, daar is ze als een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is.
Duidelijkheid is ook gewenst inzake oecumene. Het woord 'oecumene' is vandaag aan de dag, zoals dat heet, in. Of dat ook geldt voor de zaak, die volgens de huidige opvattingen ermee wordt aangeduid, is een andere vraag, die nog niet zo direct met 'ja' is te beantwoorden. Of we dan niet vóór de oecumene moeten zijn? Geen enkel bezwaar! Maar dan niet in die zin, dat het gaat om een soort schijneenheid, terwijl er in werkelijkheid van geen eenheid sprake is. Het hoogst bereikbare is volgens sommigen de Avondmaalseenheid. Maar ook dat mag geen schijnvertoning worden. Want eenheid aan het Avondmaal veronderstelt ook een eenheid in belijden. Anderen willen oecumene in de praktijk bedrijven door de pastoor in de (hervormde? ) dienst te laten voorgaan. Weer anderen menen oecumenisch te moeten zijn door niet alleen aan het Avondmaal maar ook ter communie te gaan. Ik vraag me af: Kan dat allemaal zomaar gebeuren? Moet ter wille van een geforceerde eenheid, die in wezen helemaal geen eenheid is, dwars tegen het belijden en de orde der kerk in alles maar stilzwijgend getolereerd worden? Hoe lang moet dit doorgaan? Of is er, nu men eenmaal deze koers is gaan varen, geen weg meer terug?
Terecht ziet de schrijver de duidelijkheid in het spreken en handelen van de kerk in onlosmakelijk verband met haar roeping, getuige te zijn van het heil in Christus. Hoe kan de kerk haar roeping vervullen als zij allerlei elkaar tegensprekende geluiden tolereert?
De nood der kerk
In Opbouw van 19 januari schrijft prof. C. Veenhof over de oorzaken van kerkelijke misère en ellende. Waar hebben we deze te zoeken? Veenhof meent dat deze gelegen zijn in het feit dat zonde en genade zo weinig realiteiten zijn, anders gezegd, dat er zo weinig echte kennis van zonde en genade is. Hij schrijft in genoemd artikel onder meer:
Die grote, diepste nood van de kerk en de kerkmensen is dat zij de zonde, beter gezegd: hun eigen zonde, hun eigen zondigheid, verdorvenheid, verlorenheid niet kennen, niet herkennen, niet erkennen. Nee, het gaat daarbij niet om een juiste 'opvatting' omtrent de zonde enz. Die is op zichzelf waardeloos. Het gaat hierbij om een brok, een fundamenteel moment van de zelfkennis. En omdat er zo weinig van zulke zondekennis wordt gevonden, is er ook geen plaats voor, geen kennis van de genade van God die ons in Christus wordt geopenbaard. Waarom is Jezus Christus in de wereld gekomen?
Omdat die wereld — d.w.z.: de mensenwereld, wij zelf — door en door goddeloos is en het met ons een eeuwig fiasco worden zou, als Hij niet tussenbeide was gekomen. En die zonde is dat wij God niet in ons leven dulden. Onze zonde is dat wij, ondanks misschien allerlei verheven godsideeën, actieve, agressieve vijanden van God zijn. Onze zonde is dat wij met onze handen als met een paar klauwen grijpen naar de overweldigende rijkdom van wat God geschapen heeft — dat Zijn eigendom is en blijft, dat Hij van seconde tot seconde onderhoudt — en er dan mee doen wat wij willen. Onze zonde is dat wij naar ons zelf toe gekromd staan en alles en allen exploiteren voor eigen bezit, macht, genot. Omdat men de echte, werkelijke zonde niet kent, er geen rekening mee houdt, is allerlei kritiek op verschijnselen, machten, structuren veelal zo hopeloos oppervlakkig. Om het zo concreet mogelijk te zeggen: als ik allerlei maatschappijkritiek lees van mensen als Ter Schegget, De Pree, Reckmann, Kuitert enz. dan overvalt mij steeds weer de gedachte: wat zijn jullie toch grenzeloos eenzijdig en oppervlakkig. Jullie kritiek gaat niet diep genoeg. Ze is niet scherp genoeg. Ze richt zich alleen op symptomen van het kwaad, niet op de wortel daarvan. Je merkt dat gemis aan echte zondekennis b.v. ook hieraan, dat vele maatschappij-hervormers en pacifisten vaak zo ongelofelijk intolerant en agressief zijn! In geen enkele partij in ons land hebben ze zoveel ruzie gehad als in die van de pacifisten, de vredemakers! Hun houding, hun gedrag is vaak een vernietigende kritiek op hun woord, op hun leuzen. Omdat er zo bitter weinig echte kennis van de echte zonde is, is er ook zo weinig echte kennis van en plaats voor Gods genade. Nee, ook daarbij gaat het niet om een orthodoxe opvatting daarvan. Ook aan die heeft niemand op zichzelf iets. Het komt aan op die kennis van de genade die geboren wordt uit het overwonnen worden daardoor, uit het leven daaruit. En dat gebeurt alleen als we ondervonden hebben dat genade het meest vernietigende oordeel inhoudt dat over ons kan worden geveld. Zo ontstellend goddeloos en gebonden door Satan, zonde en dood zijn wij dat ons behoud alleen door Gods genade — dat wil zeggen: door Gods volkomen verbeurde liefde — mogelijk is.
Als ik aan Gods genade denk en erover preek staat mij vaak voor ogen wat je op een schoolplein kunt zien gebeuren. Als daar een paar jongens met elkaar vechten is het eind dikwijls zo dat de een de ander op de grond smijt en bovenop hem gaat zitten. En dan zegt hij tegen de overwonnene: 'zeg: 'genade!' Dat is de oproep om de nederlaag te erkennen en zo weer 'vrij' te worden. En als dan de onderliggende partij om genade vraagt, erkent hij daarmee dat hij de nederlaag heeft geleden en wordt hij weer 'vrij'.
Welnu zo is de openbaring van Gods genade in Christus — juist omdat die waarachtig genade-openbaring is — de meest indringende prediking van onze totale verdorvenheid. Maar zij is tegelijk de bewogen, de echt hartstochtelijke oproep om zich door die genade te laten ovenvinnen! Ze is Gods doordringende oproep om daarin de toevlucht te nemen.
Ik meen dat Veenhofs analyse raak is. Doordat zonde en genade zo weinig levende werkelijkheden zijn, doordat een humaniserende visie zich bij velen breed maakt, worden diepe tonen van de rechtvaardiging van de goddeloze zo weinig gehoord in allerlei publikaties en uitingen van de kerk. En laten we ook de prediking niet vergeten
De nood der prediking
Ontbreekt de kennis van zonde en genade, dan is het ook met de prediking niet in orde. In dit verband schrijft Veenhof het een en ander naar aanleiding van zijn ervaringen met radiodiensten, waarop hij meer dan een jaar lang aangewezen was:
Ik heb meer dan een jaar lang alle mogelijke preken en preekjes via de radio gehoord. Maar wat de kern van de zaak betreft was wat ik hoorde veelal allerdroevigst. Ik hoorde wel vaak 'mooie', 'aardige', goed gestileerde en gedeclameerde stukjes. De prekers hadden het ook wel vaak over allerlei gebreken in de mens en in de samenleving. Soms waren ze ook wel eens een beetje diepzinnig en geleerd. Maar er klonk niet in door de donkere diepten van zonde en schuld. En daarom hoorde je ook zo weinig de stralende vreugde over de verlossing. Het was, om een woord van de oude Sikkel te gebruiken werk van tuinharkers en stukadoors, maar niet het machtige woord van de levende God, van Zijn toorn over de zonde en van de wonderbaarlijke verlossing die Hij in Christus ons geeft!
Een van de weinigen van wie ik een heerlijke preek hoorde was bisschop Simonis! Ik ken de man niet. Ik las nooit één woord van hem. Ik weet alleen van de opschudding die zijn benoeming veroorzaakte. Bisschop Simonis sprak over de herders en de geboorte van Christus. De herders geloofden kinderlijk de boodschap van de engel. En ze geloofden op het woord van de engel dat het doodgewone kindje in de kribbe de beloofde Christus en de Verlosser was. En toen kwam in hen de verwondering en de grote vreugde. Maar terwijl de herders met een loflied en grote blijdschap de wereld ingingen staat tegenwoordig de grote meute der theologen bij de kribbe met niets anders dan een levensgroot probleem. Het was heerlijk. Zo'n preek op de Kerstmorgen maakt in zo'n situatie de dag goed.
Dit stukje spreekt voor zichzelf. Het laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De nood der kerk is de nood der prediking. Dat is een veelgebezigde uitdrukking. Het is goed als ieder, waar hij ook staat dit verontrustende geluid van de Kamper hoogleraar op zich laat inwerken. Hoe nodig is het gebed om de Heilige Geest Die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel en Die ons in alle waarheid wil leiden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's