Verbond en verkiezing 1
Het Verbond Gods
Bijgaand artikel verschijnt in een serie over het verbond, waarin naast een algemeen overzicht van wat de Schrift in het Oude en het Nieuwe Testament zegt, allerlei aspecten van het verbond aan de orde komen. De bedoeling is te komen tot een thetische weergave van dit centrale thema en zo de bezinning erop te stimuleren.Het artikel dat thans geplaatst wordt is van ds. C. den Boer, predikant te Wageningen.
Verbond en verkiezing
Bij een onderzoek naar de rijke betekenis van Gods genadeverbond in de heilige Schrift, komt natuurlijk ook meteen de vraag op, of er enig verband is tussen dit verbond en Gods eeuwige heilsraad, de verkiezing van degenen, die eeuwig zalig zullen worden. Hoe verhouden die twee zich tot elkaar?
Vaak zijn zij tegen elkaar uitgespeeld. Dan was daar aan de éne kant een verbondsopvatting, die alle nadruk legde op de weldaden van het verbond in de Middelaar, het Woord, de algemene aanbieding des heils, de doop, de belijdenis des geloofs en het Avondmaal, terwijl de vragen van de persoonlijke verkiezing, van de toepassing des heils in het werk van de heilige Geest en van de heilszekerheid slechts van terzijde of ternauwernood aan bod kwamen. Anderzijds was er een opvatting van de verkiezing, die haast uitsluitend rekenen wilde met wat God van eeuwigheid besloten had ten aanzien van de Zijnen en het werk van de heilige Geest als uitwerking daarvan in de harten der uitverkorenen, terwijl de weldaden van het verbond in de brede zin van het woord of ontkend of als slechts uiterlijke zaken beschouwd werden.
Hoe verhouden verbond en verkiezing in de bijbel zich tot elkaar? Sluiten ze elkaar uit? Staan ze in een onoplosbare spanning met elkaar? Of zijn het twee woorden voor de aanduiding van dezelfde zaak ? !
Het verbond
Uit het voorgaande artikel over het verbond in de heilige Schrift zal duidelijk geworden zijn, dat het woord verbond in de bijbel een aanduiding is van het levensverband tussen God en Zijn volk op aarde. In het verbond geeft de Heere vorm en gestalte aan de gemeenschap, die er krachtens Zijn belofte tussen Hem en de Zijnen bestaat. Zoals het huwelijk er is als een band van onderlinge liefde, zo is het door God plechtig bezworen verbond er als een levensgemeenschap tussen Hem en Zijn volk. Daarin komt de liefde van één kant, van Gods kant, sinds het werkverbond van 's mensen kant verbroken ligt. Het verbond is dan ook de uitdrukking van Gods onverdiende, maar onverbreekbare genade, die in de Borg en Middelaar Jezus Christus uitstraalt en waarmee Hij zondaren naloopt om ze aan Zich te verbinden in een weg van bekering en geloof. Dat verbond kreeg oudtijds gestalte in de gemeenschap van het volk van Israël, terwijl het in de Nieuwe bedeling de gemeente uit jodendom en heidenwereld is, met wie de Heere de gemeenschap sticht en onderhoudt, betekend en verzegeld door besnijdenis en doop. Pascha en heilig Avondmaal. Ondanks het verschil in bediening, is het wezen van Oud en Nieuw verbond één en hetzelfde. Het gaat immers om dezelfde genade, hetzelfde geloof, dezelfde genaderijke God.
De verkiezing
Deze korte en ook onvolledige weergave van de bijbelse betekenis van het verbond zij voldoende om er ons oog voor te geven, dat het verbond onmogelijk losgedacht kan worden van de uitverkiezing. Wat is immers de uitverkiezing anders dan Gods eeuwige raadsbesluit, waarin de Heere van eeuwigheid heeft besloten, dat er in Christus, Zijn Zoon voor gevallen Adamskinderen een weg ter zaligheid zou zijn en dat er voorts zouden zijn, die Hij in deze Zijn eeuwige vrederaad hoofd voor hoofd uit de gevallen mensheid uitverkoor en weer in de gemeenschap met Hem zou terugbrengen, tot glorie van Zijn onvolprezen Naam.
De heilige Schrift spreekt duidelijk zowel in Oud als in Nieuw Testament over Gods welbehagen, waarin Hij van eeuwigheid voor Zijn eigen eer gezorgd heeft. Ook zelfs degenen, die God de genade van de bekering en het geloof niet geven en die God in dat eeuwig welbehagen passeerden, zullen toch in hun eeuwige ondergang Gods majesteit en heiligheid ten toon moeten stellen. 'Want de Schrift zegt tot Farao: 'Hiertoe heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de ganse aarde' (Rom. 9 : 17). Maar de Heere heeft toch niet slechts Zijn eigen eer gered ondanks en ook in het oordeel, dat over Adams kinderen gaat. Hij heeft in Zijn verkiezende liefde Zijn eer ook ten nauwste verbonden met de zaligheid van zondaren. Hoezeer wordt immers de glorie van Zijn Naam verhoogd en hoe schitteren Zijn reddende gerechtigheid en barmhartigheid in de weg, die de Heere van eeuwigheid heeft uitgedacht om zondige Adamskinderen weer in Zijn liefdevolle gemeenschap terug te voeren. Daarom zegt Paulus in Efese 1: 'Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde, die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil, tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde...' (vs. 4—6). God heeft een weg des heils uitgedacht. En in Zijn eeuwige verkiezing staat Christus centraal als het Gode welgevallige Redmiddel. Ook de prediking van de Christus als de weg, waarlangs een zondaar tot zaligmakende kennis van God en van zichzelf komt, is door God uitgedacht: 'En die Hij tevoren verordineerd heeft (om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig, te zijn), dezen heeft Hij ook geroepen en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt' (Rom. 8:30). De roeping van de zondaar tot Christus via Woord en Geest is dus ook een stuk van het welbehagen Gods.
Daarin gaat echter het besluit van de verkiezing Gods niet op. De Heere heeft niet slechts een weg des heils besteld. Hij heeft ook verordineerd, wie daarop zouden wandelen en in hun redding maakt Hij Zichzelf eeuwig groot. Het zijn de gegevenen des Vaders (Joh. 6 : 37, 39), die de Vader van eeuwigheid tot verlossing aan Zijn Zoon gaf en die Hij in de tijd door de onwederstandelijke genade van Zijn Geest naar Christus toetrekt (Joh. 6 : 44). Het is Zijn gemeente, een uit de duisternis van de godsvervreemding dezer wereld weggeroepen gemeenschap van zondaren, waarvan het boek der Handelingen zegt: En er geloofden er zovelen als er ten eeuwigen leven verordineerd waren' (Hand. 13:48).
Deze enkele gegevens uit de heilige Schrift kunnen reeds duidelijk maken, dat het zowel in het verbond als in de verkiezing om dezelfde dingen gaat. Het gaat om de eer van God, om een gemeenschap tussen Hem en gevallen Adamskinderen, om genade, die in Christus triomfeert, om de Kerk Gods uit de oude en nieuwe bedeling.
Het verbond is de historische gestalte van de verkiezing
Verbond en verkiezing moeten dus ten nauwste op elkaar betrokken worden. Als wij het verbond der genade naar zijn wezen beschouwen, is het, om met H. Bavinck te spreken, niet minder dan de historische uitvoering en realisering van de verkiezing. In het verbond krijgt de verkiezing op aarde gestalte. In Magnalia Dei (blz. 256) zegt Bavinck het zo: 'Verkiezing en genadeverbond vormen dus zo weinig een tegenstelling, dat de verkiezing veel meer de grondslag en de waarborg, het hart, de kern van het genadeverbond is. En zozeer is het van belang, dit innig verband vast te houden, dat de minste verzwakking ervan niet alleen het rechte inzicht in de verwerving en de toepassing der zaligheid beneemt, maar ook de gelovigen van hun enige en zekere troost in de praktijk van hun geestelijk leven berooft. Het verbond der genade, dat in de tijd wordt opgericht en voortgeplant wordt van geslacht tot geslacht, is niets anders dan de uitwerking en afdruk van dat verbond (der verlossing), dat vastligt in het eeuwige Wezen (van God Zelf)'. Ook wijlen ds. I. Kievit spreekt in deze zin in zijn boekje Tweeërlei kinderen des verbonds: 'Onder het verbondswezen', zegt hij, 'wordt verstaan de inhoud van het verbond voor Gods uitverkorenen. De goederen, die de Heere hen zeker zal deelachtig maken. Alleen aan Gods verkorenen worden de vergeving der zonden en de vernieuwing naar Gods beeld en de kennisse Gods beloofd, op zodanige wijze, dat de Heere Zich verplicht hen de weldaden des verbonds deelachtig te maken' (blz. 123).
Dat alles betekent nu echter niet, dat we tussen verbond en verkiezing niet zouden moeten onderscheiden. Allereerst moeten we vasthouden, dat de verkiezing iets is van voor de grondlegging der wereld (Ef. 1:4), terwijl over het verbond in de bijbel altijd gesproken wordt als over een zaak in de tijd. Verder moeten we van de verkiezing zeggen, dat ze geschied is buiten de mens, terwijl het verbond door God gesloten wordt met de historische mens en een zaak is in het hart en leven van die mens. Of om het weer met de woorden van H. Bavinck te zeggen (Gereformeerde Dogmatiek, III, blz. 241): In de verkiezing komt de mens volstrekt passief, in het genadeverbond echter ook actief voor'.
Het verbond is de organische gestalte van de verkiezing
Op nog een andere zaak valt trouwens het accent, als wij verkiezing en verbond, hoezeer zij ook in eikaars verlengde liggen, van elkaar onderscheiden. Het verbond is nl. niet slechts de historische gestalte van de verkiezing. In het verbond geeft God ook op een organische wijze gestalte aan Zijn verkiezend welbehagen.
Wanneer wij de verkiezing bezien met het oog op de personen, die uitverkoren zijn, zou de gedachte kunnen opkomen, dat God de Zijnen los van elkaar, als aparte individuen, Bavinck zegt 'sprongsgewijze, individualistisch' wederbaart en zaligmaakt. Het zou er dan zelfs minder toe doen, of een mens zijn bijbel leest en naar de kerk gaat. Want God weet de Zijnen toch wel te vinden.
Met het oog daarop zeggen wij, dat het verbond de organische vormgeving van de verkiezing is. In het verbond maakt God duidelijk, dat het Hem maar niet gaat om een optelsom van individuele uitverkorenen, maar om een mensengeslacht en een wereld, die onder het tweede Hoofd der mensheid Jezus Christus is samengebracht. Hij is de tweede Adam, Die de schepping vertegenwoordigt en Zijn gemeente als representant van die schepping de glorie van God doet verkondigen. In het verbond redt God dus Zijn schepping, ook al zullen vele schepselen aan die reddende genade geen deel hebben en als de Heere dus Zijn verkiezing in het hart van een zondaar uitwerkt, dan doet Hij dat altijd zo, dat Hij hem in de gemeenschap van Zijn genadeverbond laat opnemen en hem langs de weg van de genademiddelen van dat verbond wederbaart en leert geloven in Christus.
We kunnen dus zeggen, dat de eeuwige verkiezing er is geweest vóór het genadeverbond in de tijd, maar moeten anderzijds toch ook vasthouden, dat de toebrenging van de uitverkorenen in de tijd via het verbond geschiedt en dat in dit opzicht het verbond er eerst is, en daarna en daarin de roeping tot het geloof en de zekerheid van de verkiezing in het hart der gelovigen.
Zo is dan het genadeverbond de bedding, waardoorheen de verkiezing zich baanbreekt. En dat genadeverbond is niet opgericht met deze en gene uitverkorene, die elkaar tot onderlinge stichting dan ook op zijn tijd vinden en een gemeenschap met elkaar vormen. Maar het genadeverbond is opgericht met de gelovigen en hun zaad. 'Het is', zegt Bavinck, 'een verbond van geslachten tot geslachten' (Ger. Dogmatiek, III, blz. 243). Het vindt zijn structuur en organische vorm in een gemeenschap, waarin het Woord verkondigd wordt en de sacramenten worden bediend. In die gemeenschap worden de kinderen der gelovigen geboren en ze dragen er het zegel en pand van in het teken van de doop. Dat is van onschatbare waarde. God omringt de Zijnen reeds van hun eerste levensdagen af met al de zegeningen van Zjin verbondsbeloften, laat ze in die weg onderwijzen, kweekt ze op in de kennis van Zijn Naam, trekt ze als met koorden van Zijn liefde tot Zich en werkt aldus het besluit van Zijn verkiezing in hen uit. Wanneer wij deze dingen helder voor ons gekregen hebben, gaan we ook de rijke betekenis van de gemeente des Heeren in haar zichtbare gestalte op aarde zien. En dat is voor allen, die ernaar staan om zeker te zijn van hun eeuwige verkiezing, van groot belang. Als God Zijn verkiezing uitwerkt in de weg van het verbond, laat ons dan beginnen, zoals de Dordtse Leerregels beginnen. Laat ons het groot vinden, dat God, waar Hij het ganse mensengeslacht in de zonde en vervloeking had kunnen laten en om de zonde verdoemen, Zijn liefde heeft geopenbaard in de zending van Zijn Zoon en dat Hij nog steeds goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap zendt, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil. In deze ruimte van Gods liefde, die zich baanbreekt in de weg van het verbond, de geslachten door, opent God Zelf het perspectief naar Zijn eeuwige verkiezing.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's