'De weg in woorden'*
Ik heb deze weken met buitengewoon veel belangstelling gelezen een boek van dr. C. van de Ketterij, dat tot titel heeft 'De weg in woorden'. Het is een proefschrift dat, zoals de ondertitel zegt, 'een systematische beschrijving van piëtistisch woordgebruik na 1900' geeft. Op zich is deze ondertitel misleidend omdat we onder het piëtisme meestal die stroming verstaan, die verwant is aan het methodisme van bijvoorbeeld een John Wesley in Engeland, aan het Réveil uit de vorige eeuw hier in Nederland, aan personen als Gunning en anderen, of ook aan personen als Johannes de Heer. Over deze stroming handelt dit proefschrift niet. Het gaat over een bepaald deel van de afgescheidenen van na 1900. De weg van de bekering, zoals die in allerlei publikaties van deze afgescheidenen voorkomt, mèt het woordgebruik dienaangaande, is door de auteur nagevorst, met name uit 'De Wachter Sions', het orgaan van de Geref. Gemeenten in Nederland, 'De Saambinder', het orgaan van de Gereformeerde Gemeenten en uit preken of meditaties van voorgangers uit deze kringen of uit de Oud-Gereformeerde Gemeenten. Ik zou deze groeperingen niet als piëtistisch willen aanmerken, maar meer als bevindelijke kringen, waarbij dan nog wel uitdrukkelijk opgemerkt moet worden dat de auteur nogal selectief te werk is gegaan, omdat hij hoofdzakelijk bepaalde predikanten van vroeger aanhaalt die zich in hun wijze van uitdrukken nauw aansloten bij 'ongeletterde oefenaars'. Ik zeg hoofdzakelijk, want er zijn ook andere voorbeelden. Bovendien dient bedacht te worden dat het element van de bevinding of als men dan per se wil, het element van het piëtisme — maar dan van het piëtisme dat op de Nadere Reformatie teruggaat — niet beperkt mag worden tot genoemde groeperingen maar ook in de hervormde kerk en andere kerken dan de genoemde bepaald óók aanwezig is. Deze opmerkingen moet ik noodzakelijkerwijs aan de verdere bespreking van het boek vooraf laten gaan omdat de ondertitel van dit lijvige proefschrift in bepaalde opzichten verwarrend werkt. Wat in dit boek aan de orde komt gaat bovendien bepaald ook niet zonder meer terug op de Nadere Reformatie. Het is woordgebruik 'na 1900'.
De woorden
Op systematische wijze geeft de schrijver een zeer uitvoerig overzicht van de woorden die bij de beschrijving van 'de weg', dat wil dus zeggen de weg van de bekering gebezigd worden. Hij rubriceert de woorden onder verschillende hoofdstukken, zoals de genade, de standen in het genadeleven, het geloof, de bekering, de wet, waarbij bovendien het geheel in aparte hoofdstukken is verdeeld, die achtereenvolgens handelen over het stuk van de ellende, van de verlossing en van de dankbaarheid. Bij elk van de uitdrukkingen zijn citaten afgedrukt, waarin die uitdrukkingen voorkomen.
Vele van die woorden hebben een bijbelse achtergrond, vaak ontleend aan het Hooglied, de Psalmen of de profeten. Andere woorden zijn eigen vindingen, die niet direct in de Schrift of de belijdenis te vinden zijn. Het is ondoenlijk hier al die terminologieën weer te geven, maar die woorden hebben vaak een sterke gevoelswaarde. En allerlei uitdrukkingen hebben een sterk contrasterend effect, dat wil zeggen ze scheppen sterke tegengestelde gevoelswaarden. Ik zet hier wat gezegden op een rijtje: God bekeert Zijn volk nog net zo als Hij Adam bekeerd heeft; of: God bekeert Zijn volk om onbekeerd te worden; of: Adam niet geleerd, is Christus niet begeerd; of: een voorkomende waarheid is nog geen inkomende waarheid. En dan de bekende uitdrukkingen als dat de genade zó genoten en zó toegesloten is of dat de ervaring van de genade 'uurtjes van korte duurtjes' zijn. Verder uitdrukkingen als: geleid worden in het werkhuis, het rechthuis en het wijnhuis. Of: een ronde wereld die een driehoekig hart niet kan vervullen. In vele van deze uitdrukkingen, waar dit boek vol van staat, zit iets van een ongekunstelde originaliteit, terwijl ook vaak deze uitdrukkingen een diepe geestelijke achtergrond hebben.
En toch zit er in vele van deze terminologieën ook een groot gevaar. Maar al te vaak is een buitenbijbels spraakgebruik het bijbels taalgebruik gaan overwoekeren. En dat kan gevaarlijke geestelijke ontsporingen geven. De bevinding, de taal ook van de bevinding, ligt in de Schrift zélf en behoeft er niet bijgevoegd te worden. Welk een taalschat ligt er niet in de Schrift zelf om de geestelijke ervaringen te verwoorden en ook te toetsen. Daar staat dit boek van dr. v. d. Ketterij overigens óók vol van. Er is — dat wil ik eerst zeggen — een taalschat in de bijbel die we alleen maar op straffe van geestelijke verschraling kwijt kunnen raken. Uitdrukkingen als: de tijd der minne, het ingeplant worden in Christus, een mishagen aan zichzelf hebben, de deur der hoop die ontsloten wordt, het sterven aan de wet, liggen diep in de Schrift en in het belijden van de kerk verankerd. Er is een tale Kanaans die in de Schrift zelf zijn wortels heeft. En bovendien, zoals de omgangstaal tussen mensen een levende taal is, zo is ook de omgangstaal met de Heere, in de verborgen omgang des geloofs, een levende taal. Daar mogen best woorden ontstaan, die zó niet in de bijbel voorkomen maar die toch iets verwoorden van de liefdesrelatie tussen God en Zijn volk, mits de zaken die door deze woorden worden uitgedrukt maar op de Schrift zelf teruggaan, en mits deze woorden toch maar niet zó ervaren gaan worden, dat ze 'inniger' of 'dieper' aandoen dan de Schriftwoorden zelf. Ik geloof echter dat veler prediking aan diepte en warmte zou winnen wanneer een stuk taalschat dat met name ook in het Oude Testament ligt opgetast en waarin de verborgen omgang tussen God en Zijn volk in alle diepte wordt uitgezegd méér zou functioneren. Ik weet bepaald wel dat de verkondiging niet mag blijven steken in een archaïstisch woordgebruik en dat het er ook steeds weer om gaat de boodschap van de bijbel eigentijds te verwoorden, maar laten we ook niet vergeten dat een bepaalde bijbelse woordenschat onvervangbaar is. De woorden hebben ook alles te maken met de zaken; zaken die in de bekering van zondaren hun plaats hebben.
Ontsporingen
De andere kant is evenwel dat woorden gebezigd worden die een andere gevoelswaarde hebben dan de Schriftwoorden. Ik denk aan de vele verkleinwoorden, waarvan het boek dat we thans bezien ook vele voorbeelden geeft. Als gesproken wordt over het oogje des geloofs, over een weinigje kennis der zaligheid, over een hoopje op God — en ga zomaar verder — dan is dat een verarming, een reductie van de boodschap der Schriften. We hebben de zonde niet te kleineren en óók de genade niet. Ik heb wel eens de indruk dat het eindeloos gebruiken van verkleinwoorden de prediking berooft van enerzijds het ontdekkend karakter en anderzijds tekort doet aan de radicaliteit van de genade. We moeten niet wijzer zijn dan de Schrift. Men leze Romeinen 5: de liefde Gods die uitgestort wordt in de harten; Christus voor ons gestorven toen wij nog zondaars waren. Geen verkleinwoorden, geen misschientje, maar proclamatie van de grote liefde Gods van grote zondaren. Zo is het door alle diepten van aanvechtingen en twijfel hier te vinden in het hele Nieuwe Testament. Een drieënig God doet in de verwerving en toepassing van het heil grote dingen. Die mogen in de prediking of waar dan ook niet gekleineerd worden. Anders wordt het kleine al spoedig voor het volle aangezien, en de aanvechtingen voor geloof.
Zo kon er ook een eindeloos onderscheiden zijn van toestanden in het geestelijk leven, die in de Schrift ook niet terug te vinden zijn. Uitdrukkingen als: 'eerst vóór het recht, daarna onder het recht', 'hebbelijkheid en dadelijkheid van het geloof', 'een toegepaste Christus is nog geen geschonken Christus' en dergelijke zijn niet aan de Schrift ontleenden daarom levensgevaarlijk voor de geestelijlce opbouw van de gemeente. Welke goede bedoeling er ook in de kern achter moge zitten.
Het derde gevaar van ontsporing is dit, dat sommige woorden bepaalde bijbelse woorden zijn gaan vervangen, die zelf of niet meer gebruikt worden of van toevoegingen worden voorzien om ze échter te laten klinken. Dat bijvoorbeeld het woord geloof vervangen wordt door 'invloeiende genade' of iets dergelijks, of voorzien wordt van de toevoeging waarzaligmakend. Paulus doet dat niet. Geloof is geloof en alles wat geen geloof is is ongeloof. Ook al spreekt de Schrift wel van historisch, tijd- en wondergeloof, wanneer Paulus over geloof spreekt, is het geloof zonder meer.
Zo ook het woord gelovige, dat in het N.T. veelvuldig voorkomt: het kan voorkomen dat het in bepaalde kringen niet meer gebruikt wordt maar wordt vervangen door 'kind van God' (en dat is dan nog bijbels) of het 'lieve volk'. Laten we ons ook in de woorden die gebruikt worden houden aan hèt Woord als de openbaring van Godswege. Dan alleen wordt de gemeente geleid in de grazige weide van het evangelie van Gods genade.
De weg van de woorden of van het Woord?
Dr. Van de Ketterij schrijft over de weg in woorden. Hij geeft in een slothoofdstuk deze weg, zoals hij die in zijn bronnen vond, weer. Een beschrijving van de weg dus: van de lokkenstijd naar de vindenstijd, van het werkhuis naar het rechthuis en dan naar het wijnhuis, van de klaagtijd naar de zangtijd, van de overtuiging naar de overbuiging en de overname door de Borg. Wie dit hoofdstuk van het boek van dr. v. d. Ketterij leest ontdekt daarin de vele bijbelse momenten, die in de bevinding van het geloof gestalte krijgen. Daar ïs de overtuiging van zonde, daar is het roepen om genade, het zoeken ook om door eigen werken behouden te worden. Daar is de diepe ervaring van de genade in Christus, de instorting van de liefde Gods in de harten, het sterven aan de wet, en de ervaring van het geopenbaard worden van Christus in ons. Maar is het alles één weg? Of is er de veelkleurige wijsheid van God? Zijn er niet meerdere wegen die wel uit de ellende van de mens en naar de verlossing lopen, maar langs verschillende hoogten en diepten? Men krijgt al lezende de indruk dat allerlei statisch op de weg geplaatst worden die de weg zelf onbegaanbaar maken, die de vrije doortocht door de Heilige Geest belemmeren. Ik geloof dat er soms veel kwaad gesticht is door het prediken van een wèg, die dan bovendien nog aan de woorden te kennen was, en waar slechts enkelen aan toekwamen.
Erger nog is het als alleen de woorden overschieten en zelfs de weg niet meer gezien, laat staan betreden wordt. Dat wordt de dood in de pot in de gemeente. De termen, de stations ook, zijn dan de laatste resten van wat eens nog een weg was. Maar waar Christus als dé Weg, dé Waarheid en hèt Leven gepredikt wordt tegen de achtergrond van de hemelhoge schuld van de mens en de onafzienbare afgrond waarlangs hij gaat, daar gaat God Zijn vrijmachtige gang met een mens, langs de diepten van zijn verlorenheid maar ook langs de hoogten van de verlossing die in Christus is. Daar liggen de stations niet bij voorbaat vast en wordt de route niet door ons bepaald. Daar is alleen ruimte voor de aanbidding: O, diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen. Daar wordt het leven niet doodgeklemd door de weg, maar daar is de weg de baan voor onze voeten. Daar werkt de bevinding hoop, een hoop die niet beschaamt omdat de liefde Gods is uitgestort in onze harten.
Ik heb het boek van dr. Van de Ketterij met veel vreugde gelezen. Een knap boek over zaken van het hart. Een boek waarin je door alles heen toch een stuk leven proeft dat blijvend is, en waarvan ik dan mèt de auteur zeg: 'geen toekomende macht zal dit volk vernietigen omdat hun taal niet uitgeroeid zal kunnen worden'. Maar dan moet dit boek toch ook wel met onderscheid gelezen worden. Het bevat goud, maar ook hout, hooi en stoppelen.
Dr. C. v. d. Ketterij; De weg in woorden; uitgave Van Gorcum en Co., Assen, 1972; 458 pagina's; ƒ77,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's