Boekbespreking
Prof. dr. H. J. J. M. van Straelen, Abortus, De grote beslissing, 142 blz., Buijten en Schipperheijn, Amsterdam, 1972.
Er zijn gelukkig nog heel wat stemmen, die protesteren tegen een verdergaande legalisatie van de zwangerschapsonderbreking. 'De publieke opinie wordt bewerkt door pers, radio en televisie, die bitter weinig wensen mee te delen over de bezwaren tegen de abortus provocatus en die door vóór zwangerschapsonderbreking te zijn, pleiten voor een gedragslijn volgens de weg van de minste weerstand', aldus prof. Plate in een voorwoord in dit boekje, dat een ernstige aanklacht en een gegronde waarschuwing bevat.
De auteur, die vele jaren in Japan woont en werkt beschrijft de ontwikkeling, die zich daar heeft voltrokken na 1948, toen de abortus gelegaliseerd werd. Het aantal abortussen wordt van jaar tot jaar groter; de schrijver spreekt van een abortus-explosie, waarbij hij cijfers geeft van een officiële statistiek, die er niet om liegen. In 1968 verzocht de ministerpresident om toch spoedig maatregelen te nemen om de abortus in te dammen. Ook gaat hij in op de ervaring van Engeland waar de abortus-wet in '67 werd aangenomen. 'Maar de vrouw heeft toch het recht om te beslissen wat met haar lichaam gebeurt? ' Maar men kan het ongeboren kind niet gelijkstellen met een stuk van het lichaam van de vrouw, zoals een galblaas of een blindedarm. Het kind in de moederschoot heeft recht om te leven! Ziehier, wat met klem van argumenten in dit boek wordt betoogd. Hij spreekt van moord op het ongeboren kind. En met deze woorden kan hij zich geheel aansluiten bij wat theologen als Bonhoeffer en Barth zeggen: 'Het ontluikende leven doden, willens én wetens, dat is niet anders dan moord'.
Uit een overvloed van publikaties uit de laatste jaren aanhalende, wijst de schrijver op de mogelijke fysische en psychische gevolgen van de abortus voor de vrouw. Dit gedeelte besluit de schrijver met een opmerking van dr. Gardiner, die zegt dat alle statistieken en alle research waardeloos zijn, als wij er niet in de eerste plaats bij insluiten de verhouding van de vrouw tot haar Schepper, Verlosser en Rechter.
Dat een dergelijk werk verschijnen moet spreekt van een benauwende inzinking van het zedelijke leven. En met de abortus hebben we geen eindpunt bereikt; het volgende stadium is de euthanasie en wat daarna? De mens neemt alles in zijn hand en wil niet erkennen, dat ons leven in Gods hand is!
H. Bt.
Rachel Mackenzie, Risico, 64 blz., Amboboeken, Bilthoven, 1972.
Dit boekje bevat het verhaal van een vrouw, die een hartoperatie ondergaat. Zij begrijpt de ernst van haar toestand en de spanning wordt groter als telkens weer nieuwe complicaties zich voordoen. Als zij maanden later informeert, hoeveel van dat soort operaties gedaan zijn, dan verneemt zij: tussen de vijftien en twintig, met een risico van dertig procent. Het was voor haar een nachtmerrie: zij eindigt met — en dat is de slotzin van het geschrift —: O, goede God, het wonder.
Als geheel kan dit werk mij weinig bevredigen. Wat een gedraaf van mensen, specialisten komen en gaan en verpleegsters en nog vele anderen; wat een onrust. — De lezer krijgt beschrijvingen te verwerken met vele onverklaarde medische termen, die wel een diepe indruk op een leek moeten maken, maar verder niets doen dan onrust zaaien. Hoe de patiënte dit alles verwerkt, dat komt m.i. onvoldoende aan de orde. Ik vroeg mij ook af, hoe het mogelijk is, dat men een patiënte van wie men (nog) niet wist, wat zij had ondanks vrij hoge koorts naar huis liet gaan.
Ik vind het een oppervlakkig werk, waarbij ik mij niet kan voorstellen, dat iemand met dit boek echt geholpen wordt.
H. Bt.
Dr. J. C. A. de Meij: De Watergeuzen en de Nederlanden 1568—1572. Uitgave van de North-Holland Publishing Company, Amsterdam, 1972 362 blz. ƒ 55, —.
Een proefschrift over een historisch onderwerp is vaak erg droog, alleen goed voor de mensen van het vak. Maar dat geldt beslist niet van deze studie van dr. De Meij over de Watergeuzen. Mij althans heeft dit boek bijzonder geboeid; en ik heb er ook veel van geleerd.
Het gaat over een volkje, de watergeuzen, dat menigmaal verguisd en soms ook hooggeprezen is. De glorietijd der watergeuzen is geweest de jaren 1568, toen Alva in het land kwam, tot 1572 toen door hen Den Briel werd ingenomen. Ook nadien hebben zij nog wel van zich doen spreken maar toch hadden zij hun tijd gehad. Hoe men ook over hen oordeelt, het staat vast dat het Nederlandse volk veel aan hen te danken heeft.
Dr. De Meij heeft een uitvoerige beschrijving gegeven zowel van hun daden als van hun herkomst, motieven en mentaliteit. Alle mogelijke bronnen heeft hij geraadpleegd. In hun gedachtenwereld binnen te dringen is bepaald niet gemakkelijk geweest voor de schrijver. Alles konden de watergeuzen beter hanteren dan de pen, zodat zij geen geschriften nalieten. Er zijn evenwel andere bronnen die ons aangaande hen informeren. Dr. De Meij heeft ontdekt dat er onder hen overtuigde calvinisten zijn geweest. Het verzet tegen het Spaanse gezag is dus niet alleen maar gekomen, zoals weleens beweerd is, alleen van calvinisten uit de Zuidelijke Nederlanden. Het was evenwel een verzet waarin het ging om religie en vrijheid, om beide, maar de religie allereerst. Natuurlijk niet bij allen, maar bij de besten!
Het oordeel van dr. De Meij over de watergeuzen is zakelijk en mild. Hij heeft getracht ze te begrijpen. Ik heb er alleen bezwaar tegen dat hij ze revolutionairen noemt, al schijnt hij zelf wel het dubieuze van deze titel te beseffen. Het zou nodig eens goed uit de doeken gedaan moeten worden van welke aard de zogenaamde opstand van onze vaderen in de 16de eeuw tegen Spanje is geweest. Dan acht ik de term als 'revolutionair' niet adequaat.
Wij leven thans, in de zeventiger jaren van onze eeuw, volop in een tijd van herdenken. Aangezien 4 eeuwen geleden beslissende dingen voor land en kerk hebben plaatsgevonden. Daarbij verdient het alle aanbeveling om ook een boek als dit ter hand te nemen en te lezen. Men zal er gewis geen spijt van hebben. En ieder kan het lezen. Ook om het te zien is het aantrekkelijk: het is een kloek boek, voorzien van een aantal afbeeldingen. Ik heb zowel voor de inhoud als de uitgave niets dan lof.
K. Exalto
Dr. B. Wentsel: De koers van de kerk in een horizontalistisch tijdperk II. Theologie en. Gemeente 4. Kok, Kampen 1972, ƒ 7, 90.
Al eerder besprak ik het eerste deeltje van dr. Wentsel over dit onderwerp en ik heb er eigenlijk niet veel aan toe te voegen. Voor mij ligt de waarde ook van dit werkje in twee dingen. In de eerste plaats in de bijzonder heldere en kundige wijze waarop dr. Wentsel ons inleidt in de ideeënwereld van de nieuwe theologie. Men moet de stof toch wel goed beheersen om er zo duidelijk over te kunnen schrijven. Wie weleens ooit een boek ter hand nam van een der vooraanstaande nieuwe theologen voelde zich te staan aan het begin van een doolhof. Hier heeft men een gids. In de tweede plaats, dr. Wentsel maakt aan het adres van de moderne theologen vele goeder kritische opmerkingen. Zo neemt hij het tegenover hen op voor de oude volgorde: scheppingzonde-verlossing, handhaaft hij tegenover hen een staat der reentheid, enz. Volkornen terecht stelt hij ook Barth al aansprakelijk voor tal van moderne dwalingen. Hierin kunnen wij de schrijver geheel volgen. En toch bleven er ook nu bezwaren leven. Misschien zijn zij het best onder woorden te brengen met te zeggen: liever wat minder wereld en wat meer geestelijk leven! De plaats die ook Wentsel aan de wereld toekent in de theologie is onzes inziens te breed; wat in de breedte lijkt gewonnen te worden verliest hij dan in diepte..
Niettemin, gaarne bevelen wij dit boekje aan. Vooral predikanten die geïnformeerd willen worden kunnen hier goed terecht.
K. Exalto
Liefde en sexualiteit. Pastorale handreiking, aanvaard door de generale synode der Nederlandse Hervormde Kerk op 20 juni 1972. Boekencentrum, 's-Gravenhage, 76 blz., prijs ƒ 5, 70.
Dit geschrift is het alternatieve rapport, dat als het definitieve, behoudens een enkele wijziging, door de synode werd aanvaard in haar zomerzitting. Zoals de titel aangeeft handelt het over liefde en seksualiteit.
In het eerste hoofdstuk geeft het een tekening van de huidige situatie. Op verdienstelijke wijze worden we in de gedachtenwereld en de probleemstellingen van vandaag ingeleid. Het tweede hoofdstuk handelt over de boodschap van de kerk. Wie zou verwachten dat hier reeds materieel de bijbelse gegevens over het thema aan de orde komen, wordt teleurgesteld. Hij moet daarvoor zijn geduld bewaren tot het derde hoofdstuk. In het tweede hoofdstuk gaat het meer over de hermeneutiek van de Schrift, met name voor wat het gebod betreft. Ik betwijfel of men dit nu onder de titel de boodschap der kerk ter sprake moet brengen. In het laatste hoofdstuk wordt een overzicht van de Schriftgegevens geboden. Op meermalen verrassende wijze wordt de Schrift opengedaan en blijkt ze voor moderne problemen een boodschap te hebben. We waarderen het dat duidelijk gesteld wordt dat de Schriftgegevens terzake van voorechtelijk geslachtsverkeer en homofiele praktijken tot een afwijzende houding moeten leiden.
Er wordt aan dit rapport echter een stuk aangebreid waarvoor geen schriftuurlijke verantwoording wordt geboden. Dat is de gedachte: 'nood breekt wet'. De stelling dat het gebod de nood in aanmerking neemt, verdedigd met een beroep op Matt. 12 : 3, 4, lijkt ons te weinig houvast te bieden om als sluitstuk in de gedachten gang te fungeren. Het blijft geen sluitstuk. Het wordt eigenlijk de hefboom waarmee heel het tevoren gestelde kan worden opengebroken.
Er kunnen allerlei noodsituaties zijn, die het onmogelijk maken dat men het gebod gehoorzaamt. Iemand kan te gepassioneerd van aanleg zijn, dan dat men hem kan verbieden seksuele contacten te onderhouden buiten het huwelijk. Een ongehuwde kan haar situatie als een te zware nood, een homoseksuele zijn aanleg als te zware frustratie ervaren, dan dat men van hem of haar in zijn situatie onvoorwaardelijke onthouding zou mogen vragen. Zo wordt aan het eind in belangrijke mate teruggenomen, wat in het begin en het midden vanuit de Schrift was aangereikt.
Ik zou ook willen pleiten voor begrip en meeleven in noodsituaties. Toch gaat het mij te ver om het compromis zo principieel in zijn ethische beschouwingen en oplossingen in te bouwen, dat men tot een resultaat komt, dat precies het tegendeel is van wat men eerst aan Schriftgetuigenis naar voren heeft gebracht.
Ik acht dit rapport in veel opzichten waardevol. Ik kan niet begrijpen dat men aan het eind zo gemakkelijk heeft teruggenomen, wat men voordien had gesteld. Ik vrees dat de praktijk daardoor dichter bij die van het eerst aangeboden rapport zal komen te liggen, dan men op grond van de weergave van de Schriftgegevens zou verwachten. Dat zou stellig tegen de bedoeling van de opstellers zijn. Toch hebben zij voor dit misbruik zelf de weg niet voldoende afgesneden.
W. H. Velema
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's