Volwassendoop en/of kinderdoop 1
Herhaalde malen hebben ons de laatste tijd vragen bereikt over de kwestie van de volwassendoop, met name doordat vanuit allerlei Pinksterkringen wordt gesteld dat de volwassendoop naar de Schrift is en de kinderdoop niet. Ds. L. Doppenberg uit Nunspeet gaat in een viertal artikelen op dit onderwerp in. Wanneer er onder de lezers zijn die over dit onderwerp hun vragen hebben dan kunnen ze die richten aan ds. Doppenberg, Oenenburgerweg 23, Nunspeet.
Het is dit jaar precies vijfentwintig jaar geleden dat de synode van onze kerk een rapport behandelde over de kinderdoop. Het vraagstuk van de betekenis van de Heilige Doop was weer aan de orde gesteld door de kritiek van Karl Barth op de leer en de praktijk van de kinderdoop in een brochure die middenin de oorlogsjaren (1943) verscheen.
Volgens Barth is de 'verantwoorde gewilligheid en bereidheid' van de dopeling een onmisbare voorwaarde om de belofte Gods in het sacrament te ontvangen. De dopeling mag niet een 'behandelde' zijn zoals bij zuigelingen het geval is, maar moet ook 'handelende' zijn. De doop is in het Nieuwe Testament een onvermijdelijke vraag van iemand die tot geloof is gekomen: wat verhindert mij gedoopt te worden (Hand. 8 : 36)'?
Geen wonder dat bij dit standpunt de doop van kinderen vallen moest. Tegenover deze opvatting van Barth stelt het rapport van 1947 dat de gereformeerde sacramentsopvatting juist de kinderdoop vordert als de normale praktijk van doopsbediening in een kerk die weet te leven uit Gods genadeverbond. Daarbij gaat het om de vraag wie de ontvanger van de doop is. Voor Barth is dat alleen de dopeling, op zichzelf beschouwd als individueel mensenkind. Dit 'op zichzelf' beschouwen van het kind als de eigenlijke en enige ontvanger van het doopsacrament acht het rapport terecht een gronddwaling van de bezwaarden van de kinderdoop.
Het rapport-1947 dat door de synode met algemene stemmen werd aanvaard zegt dat het teken van de doop wel aan het kind wordt voltrokken, maar dat dit zo moet gebeuren, dat het kind daarbij opgenomen is in de verbondsmatige eenheid van de ouders, de doopgetuigen, ja van de gehele gemeente, het ene grote gezin des Heeren, waarin we volgens Calvijn door de Doop worden opgenomen (Inst. IV, 15).
De ouders, de getuigen en de gemeente ontvangen dezelfde bevestiging en verzegeling der belofte, zij het niet op dezelfde wijze: het kind voorshands alleen passief en onbewust (hoewel ze deze dingen nog niet verstaan, aldus het Doopsformulier), de ouders en de gemeente gelovend, belijdend en verantwoordelijkheid voor de dopeling op zich nemend.
Onder afwijzing van de individualistische tendenzen in het betoog van Barth heeft het rapport-1947 de kinderdoop breed schriftuurlijk in het raam van het Verbond geplaatst. Toch zijn de gedachten die Barth uitsprak niét verdwenen. Ze waren er trouwens ook al lang voordien.
In de eeuw der Kerkhervorming waren het de Wederdopers die de kinderdoop verwierpen. Ze hingen uitsluitend de volwassendoop aan die veel meer de nadruk legt op de geloofsprestatie van de mens, terwijl de kinderdoop uitdrukt dat de genade Gods aan ons geloof vooraf gaat en dat draagt *). Daarom is de volwassendoop altijd een geliefkoosd herkenningsteken geweest van wettische groepen.
Opnieuw in discussie
In onze tijd is de kinderdoop opnieuw in discussie gekomen door de groeiende activiteit van bewegingen die met de Pinkstergroepen verwant zijn. Van die zijde wordt sterk het argument aangevoerd dat de gegevens van het Nieuwe Testament ons niet toelaten dat we aan de kinderdoop een wettige plaats toekennen. Met nadruk wordt gewezen op bekende teksten als Matth. 28 : 19 en Mark. 16 : 16 waar we duidelijk de volgorde vinden van prediking, geloof en doop. Men wijst er verder op dat met name in het boek Handelingen telkens blijkt dat een bewuste bekering aan de doop voorafgaat b.v. 2 : 38 'bekeert u en iegelijk van u worde gedoopt'; 2 : 41 'die zijn woord aannamen werden gedoopt'; 8 : 12 'toen ze Filippus geloofden werden ze gedoopt'; 8 : 37 'indien gij gelooft is het geoorloofd'; 16 : 15 'Lydia gaf acht op het Woord en werd gedoopt'. Zo zijn er nog veel meer teksten te noemen.
Inderdaad valt niet te ontkennen dat uit deze teksten een onlosmakelijk verband blijkt tussen geloof en doop en wel zo dat steeds het geloof aan de doop voorafgaat. Ligt er dus geen andere conclusie voor de hand dan dat er voor de kinderdoop in de Schrift geen plaats is omdat een zuigeling nog niet bewust geloven kan? **)
Voordat we op het Schriftgebruik van de tegenstanders van de kinderdoop verder ingaan merken we op dat kerkeraden na het rapport-1947 bleven aandringen op meer praktische richtlijnen voor de doop. In 1960 liet de synode een pastoraal advies inzake de Heilige Doop verschijnen waarin behalve op andere aspecten van de doopspraktijk zoals het afgeven van consenten ook werd ingegaan op het toenemende verschijnsel in diverse gemeenten dat leden en zelfs hier en daar ook kerkeraadsleden onder invloed van genoemde stromingen in het verband van een buiten de kerk werkende groep de zg. 'groot-doop' begeerden en metterdaad ontvingen.
In het advies van 1960 stelt de synode duidelijk dat de 'her'-doop in strijd is met het karakter van de doop als inlijving in het Lichaam van Christus. Dat het gevaarlijk is de doop afhankelijk te maken van een persoonlijke menselijke wijze van beleving en zo het werk van de Heilige Geest gelijk te stellen met de geloofservaring van de enkele gelovige. In het advies wordt gewezen op het duidelijke feit dat de Bijbel behalve over gedoopte enkelingen ook spreekt over gedoopte huisgemeenschappen. Tenslotte wijst het advies erop dat met pastoraal geduld de gemeenteleden, die de herdoop voorstaan, duidelijk moet worden gewezen op bovengenoemde overwegingen die de kerk de kinderdoop doen handhaven. Betreffende de ambtsdragers die tot de 'groot-doop' overgaan of er sterk aan denken om het te doen moet hun duidelijk worden dat het niet met de uitoefening van hun ambt verenigbaar is dat ze een zo centraal stuk van de leer der kerk niet onderschrijven. Dit pastoraal advies heeft goede diensten bewezen en kan dit nog steeds doen in de pastorale praktijk. Maar daarmee zijn alle vragen nog geenszins opgelost.
*) De dopersen willen een 'gemeente zonder vlek of rimpel' vormen. Zo wordt de kerk ook wel genoemd (Efez. 5:27), maar niet als geloofsprestatie van de mens maar als vrucht van Christus' Zelfovergave. De Wederdopers horen thuis in de rij van stromingen die de kerk door binding aan een streng heiligheidsideaal willen terugvoeren naar de apostolische toestanden.
**) Of hebben we, zeker bij een boek als Handelingen, ook te bedenken dat het hier gaat om de doop op het zendingsveld, die uiteraard begint met de volwassendoop?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's