Verbond en verkiezing 2
Het Verbond Gods
Bijgaand artikel verschijnt in een serie over het verbond, waarin naast een algemeen overzicht van wat de Schrift in het Oude en het Nieuwe Testament zegt, allerlei aspecten van het verbond aan de orde komen. De bedoeling is te komen tot een thetische weergave van dit centrale thema en zo de bezinning erop te stimuleren. Het artikel dat thans geplaatst wordt is van ds. C. den Boer, predikant te Wageningen.
Verbond en verkiezing zijn ten nauwste met elkaar verweven. Wij kunnen die beide nooit van elkaar losmaken. Dat moet wel onze conclusie zijn na alles, wat we in ons vorige artikel naar voren hebben gebracht.
Velen zijn geroepen, maar...
Toch komen eerst nu de vragen pas goed los. Want als wij verbond en verkiezing zo dicht bij elkaar willen houden, betekent dat dan, dat allen, die krachtens hun geboorte uit gelovige ouders en uit kracht van hun doop, voor uitverkorenen moeten worden gehouden? Zijn we dan niet erg dicht in de buurt van de veronderstelde wedergeboorte-leer, die in de praktijk van het kerkelijk leven vaak de prediking van de noodzakelijkheid van persoonlijke wedergeboorte in het gedrang heeft gebracht om niet te zeggen, heeft doen verdwijnen? Is het niet zo, dat een mens een verbondskind kan zijn en inmiddels toch niet uitverkoren?
De heilige Schrift geeft dat overduidelijk aan. Heel Israël was een verbondsvolk. Paulus zegt: Onze vaderen waren allen onder de wolk, ze zijn allen door de zee doorgegaan en gedoopt in Mozes en in de zee, ze hebben allen dezelfde geestelijke spijs gegeten en dezelfde geestelijke drank gedronken... maar in het merendeel van hen had God geen welgevallen; want ze zijn in de woestijn terneder geslagen' (1 Cor. 10 : 1 v.v.).
En in de Romeinenbrief lezen we: Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn...' (Rom. 9:6). In Elia's dagen had God 'slechts' zevenduizend mannen, die de knieën voor Baal niet gebogen hadden. En zo is er van Israël altijd niet meer dan een rest geweest, een overblijfsel naar de verkiezing der genade (Rom. 11:5), dat God uit het grote geheel van dit volk als Zijn uitverkorenen kende en bewaarde. Alle leden van het verbondsvolk waren nog geen uitverkorenen in de zin van dit overblijfsel naar de verkiezing der genade.
En is dat het ook niet, dat Christus Zelf onder woorden bracht in de gelijkenis van de koninklijke bruiloft, toen Hij vertelde van die éne man, die zonder bruiloftskleed aanzat en aan handen en voeten gebonden in de buitenste duisternis geworpen werd. .. ? 'Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren' (Matt. 22:14).
Men kan zelfs geweldig veel verbondszegeningen genoten hebben en toch als een bedrieger voor den dag komen. Hebr. 6 waarschuwt daar ook uitdrukkelijk tegen: 'Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn en de hemelse gave gesmaakt hebben en de heilige Geest deelachtig geworden zijn en gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw en afvallig worden, die zeg ik wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelf de Zoon Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken' (vs. 4—6). De ouden spraken over het nabij-komend werk. In de kring van het verbond zijn er dan toch ook altijd maar de geveinsden, die in gewetensovertuiging en in ogenschijnlijk opgewekt 'bevindelijk' leven de diepgaande werkingen van het verbond hebben ondergaan, maar die toch aan het wezen van dat verbond geen deel hebben en door God niet zijn uitverkoren.
Op dezelfde dorsvloer is er het koren, dat in Gods schuur wordt samengebracht, maar ook het kaf, dat met onuitbluslijk vuur verbrand wordt (Matt. 3 : 12). Aan dezelfde Wijnstok zitten de ranken, die vrucht dragen en gereinigd worden, opdat zij meer vrucht dragen, maar ook de ranken, die geen vrucht dragen, weggenomen worden en in het vuur geworpen worden (Joh. 15 : 1 v.v.). In de gelijkenis van de zaaier lezen we zelfs, dat de kinderen des Koninkrijks kunnen buitengeworpen worden (Matt. 13:3, 21).
Als wij dus verbond en uitverkiezing zo nauw op elkaar betrekken, als we hebben gedaan, moeten we nu toch wel onderscheid gaan maken. We kunnen moeilijk allen, die in de doop het teken van het verbond dragen, ook voor uitverkorenen houden. Daarin hebben we de Schrift tegen. En dat zou ons vreselijk oppervlakkig maken. We kunnen ook niet gelijk de Labadisten dat geprobeerd hebben uit de zichtbare verbondsgemeente een kern van ware gelovigen uitpeilen, van wie we in ieder geval zeker weten, dat ze uitverkoren zijn, zodat verkiezing en verbond dan weer geheel in elkaars verlengde komen te liggen. We moeten onderscheiden. Maar hoe? !
Twee verbonden-leer
Sommigen gingen zover op grond van het bovenstaande, dat ze wilden spreken over twee verbonden, één met de uitverkorenen, een ander met de uitwendige leden der gemeente. Daardoor werd uiteraard de waarde van dat laatste verbond haar kracht ontnomen. Op grond van zijn opneming in dat verbond door geboorte en doop, mocht men belijdenis doen en zelfs ten Avondmaal gaan. Maar 't kwam er dan toch maar op aan, dat men wist, dat men begrepen was in het verbond van Gods eeuwige vredesraad. Zo is het ervan gekomen om te spreken van 'maar een uitwendig verbond'. Zo ontneemt men de rijke waarde aan de heilige instellingen van God in het verbond, als de prediking en het sacrament. Dat waren immers toch maar uitwendige zaken.
Eén ding is echter duidelijk, dat de heilige Schrift zo niet spreekt. Het verbond der genade is één. En het is en blijft de historische en organische gestalte van de verkiezing.
Toch zullen we deze zin nog wat nader moeten preciseren, juist omdat de bedding van het verbond in de tijd breder blijkt te zijn dan de stroom van de verkiezing van Gods kinderen, die zich daardoorheen beweegt.
Wezen en bediening
Ds. I. Kievit heeft ons in zijn eerder genoemde boekje over tweeërlei kinderen des verbonds geleerd in aansluiting aan vele oud-vaders en duidelijk in de lijn van Calvijn en van de heilige Schrift, te spreken over het wezen van het verbond en de bediening van het verbond. Men kan over deze termen twisten. Als men liever gesproken ziet van een inwendige en uitwendige zijde van het verbond, is 't ook goed. Men moet echter, als men de termen afwijst wel voor betere zorgen. En die heb ik tot nu toe niet gevonden. Het verbond is naar zijn wezen één met de verkiezing. Maar in zijn uitwendige bediening is er verschil. Dan zijn er, die wel in het verbond zijn, maar niet van het verbond, in die zin, dat ze gelovig deelhebben aan de vergeving der, zonden en de heiliging door Christus' bloed en Geest, de twee hoofdweldaden van het verbond. Zij zijn ranken. Zij zijn in de wijnstok Christus. Ze leven als bondelingen onder de eis en belofte van het verbond. Elke keer, als ze onder de prediking komen, worden ze onder stroom gezet, maar het schokt niet door ze heen. Want ze zijn zo hard, zo onbekeerlijk. Welgemeend komt de Heere tot ze met Zijn beloften, waarin Hij ze toezegt hen zalig te willen maken in een weg van bekering en geloof. Maar ze willen niet. Daarom zal hun oordeel des te zwaarder zijn, als zij tenslotte als dode ranken zullen worden afgesneden en in het vuur geworpen.
We vinden dat haast nergens treffender uitgedrukt dan in de gelijkenis van de verloren zoon. Hij is altijd het kind van zijn vader gebleven, ook toen hij, zijn goederen in den vreemde doorbracht. Maar toch moest hij de vadernaam opnieuw leren spellen, doordat hij tot zichzelf kwam en zich leerde vernederen zelfs beneden het peil van een huurling van zijn vader. Zo leert een kind des verbonds zich de weldaden van het verbond toeëigenen om werkelijk een inwendig kind des verbonds te zijn en daarmee de wetenschap weg te dragen van zijn eeuwige verkiezing.
Maar ook wat dit betreft trekken verkiezing en verbond één lijn. We moeten b.v. niet zeggen, dat de verkiezing uitsluitend betrekking heeft op degenen, die persoonlijk ten eeuwigen leven zijn uitverkoren en dat het verbond de veel bredere dimensie aangeeft van allen, die gedoopt zijn en onder de prediking leven. Want dan lopen we opnieuw gevaar verbond en verkiezing uit elkaar te rukken.
Ook wat de verkiezing betreft kunnen we spreken over graden. Er is een algemene verkiezing van heel Israël, van heel de verbondsgemeente uit het jodendom en heidendom, in dezelfde zin als er een verbond is, dat heel de uitwendige gestalte van Gods Kerk op aarde omvat. Maar door deze brede bedding van verkiezing en verbond, waarin God met Zijn evangelie tot aan de einden der aarde gaat, loopt de stroom van verkiezing en verbond in de engere zin van het woord, waarin allen begrepen zijn, die van eeuwigheid zijn uitverkoren en in de tijd door Gods onwederstandelijke genade krachtdadig worden geroepen en toegebracht. Of om het tenslotte nog iets anders te zeggen: Er is een aanbieding des heils krachtens verkiezing en verbond, die tot ieder komt, die onder het evangelie leeft. Maar er is ook een aanbieding des heils, waardoor de Heere Zijn Christus Zelf indraagt in het hart door Zijn Geest en dat laatste geschiedt in de weg van het eerste.
Verbond of verkiezing?
De vraag blijft nog over, wat dit alles te maken heeft met de praktijk, ik denk hier vooral aan de praktijk van de prediking. Wij weten, dat hier dan toch vaak de wegen uiteen gaan en dat er onder ons een meer verbondsmatige prediking is en daarnaast en soms ook daartegenover een prediking, die exclusief wil uitgaan van de uitverkiezing in persoonlijke zin.
Als wij het bovenstaande goed tot ons laten doordringen, moet het ons duidelijk zijn, dat we hier niet kunnen spreken van een of-of. Wanneer we dat toch doen, staan onmiddellijk twee gevaren levensgroot voor ons. Als wij nl. uitsluitend willen preken en leven vanuit de verkiezing in persoonlijke zin, vergeten we, dat er aan de verkiezing ook de breedte zit van heel Israël en van heel de verbondsgemeente. We vergeten voorts, dat God Zijn uitverkorenen naar Zijn Goddelijke en genaderijke heilsmethode toebrengt in de weg van de algemene roeping door het Woord, in de weg van het verbond en de genademiddelen van dat verbond. We durven dan ook niet meer te geloven, dat God met de aanbieding van Zijn heil tot iedere zondaar komt. De beloften worden slechts aan de uitverkorenen gepredikt. En dat betekent een versmalling van het evangelie. Bovendien wordt dan zo gemakkelijk het recht om tot Christus te komen gezocht in de kentekenen der verkiezing in het hart in plaats van in het naakte beloftewoord van God alleen. Daarom staan in deze preken vaak de wedergeborenen en uitverkorenen meer in het middelpunt dan de verkiezende en wederbarende God en Zijn Christus. De spanning is eruit. En helaas vaak ook de tranen van Christus over de schare!
Maar er is ook een ander gevaar. Dat is het gevaar van hen, die eenzijdig de nadruk leggen op de bediening van het verbond, maar daarbij vergeten, dat er meer is dan alleen de aanbieding van Gods heil aan iedere zondaar. Een gereformeerde preek kan hier nog geen amen hebben. Een gereformeerde preek komt vanuit de eeuwige ontferming van God op en daarom vanuit verkiezing en verbond in de breedste zin van het Woord. Maar in deze bedding ligt dan ook de stroomversnelling van het eeuwige welbehagen Gods over Zijn uitverkorenen en het toepasselijk werk van God de heilige Geest in het hart van Gods kinderen. Wanneer we vanuit een eenzijdige opvatting van het verbond preken, preken we in feite niet bijbels verbondsmatig. Want dat laatste houdt in, dat we onderscheiden preken, dat we ook de wraak en de vloek van Gods verbond inroepen over alle ongehoorzamen. Het houdt ook in, dat we het wezen van het verbond preken. Én het wezen van het verbond vindt zijn gestalte in de tere verborgen omgang met God. Daarbij komt dus heel het bevindelijke leven van Gods kerk aan de orde.
Op deze wijze komt er een onuitsprekelijke troost voort uit het genadeverbond. Onze vaderen hadden zoveel fiducie in de God des verbonds, dat zij godzalige ouders, die treurden over het verlies van jonggestorven kinderen, bemoedigden vanuit de heerlijke werkelijkheid van het genadeverbond, waarin zij met hun kinderen begrepen waren (Dordtse Leerregels, L, 17). Daarmee is de objectiviteit van het verbond ten volle gehonoreerd. Maar diezelfde vaderen lieten ook niet na erop te wijzen, dat wij alleen in een weg van persoonlijke wedergeboorte, die in haar kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der doden de verbondsweldaden gaan inleven en de verbondseisen gaan inwilligen. En zo komt het tot de troostvolle wetenschap: Wat God in Zijn verbond aan mij schonk, dat heeft Hij van eeuwigheid krachtens Zijn ondoorgrondelijk welbehagen voor mij in Zijn Vaderlijk hart gehad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's