God en mens als bondgenoten?
Dr. Buskes over het Getuigenis
Ik herinner mij dat enkele jaren geleden, tijdens een conferentie van een studentenvereniging, aan dr. Buskes, die een referaat over wereldgelijkvormigheid had gehouden, door één van de aanwezigen de vraag werd gesteld hoe het kwam dat onder de rechtzinnige prediking altijd nog de meeste kerkgangers kwamen. Het antwoord van dr. Buskes was dat hij iemand had gekend die ook onder de orthodoxe prediking kwam maar aan de gaskraan terecht kwam.
Ik moest aan deze ontwijkende en tendentieuze beantwoording denken bij vele passages van het boek van dr. Buskes 'Het humanisme van God'*. Dit boek is een antwoord zijnerzijds op het Getuigenis, maar vaak is dr. Buskes in dit boek geheel op zijn eigen golflengte afgestemd en spant hij rookgordijnen rondom het Getuigenis, zoals we dat ook al eerder moesten signaleren bij artikelen van hem in Hervormd Nederland over het Getuigenis.
Het Getuigenis stelde bijvoorbeeld, dat de kerken in deze jaren niet leeglopen omdat de prediking zo orthodox en onverstaanbaar is en omdat de prediking zo weinig met de problemen van onze tijd rekening zou houden, maar omdat de prediking zich alleen en uitsluitend met deze problemen bezighoudt en niet of slechts zwak verkondigt wat in alle tijden de rots van het behoud der mensen is.
Het antwoord van Buskes daarop is een tegenbeschuldiging, namelijk dat de mensen niet meer komen omdat ze niet meer verwachten in de prediking iets te horen wat ze nog niet weten, namelijk rechtzinnige of vrijzinnige waarheden. Waarbij hij en passant even opmerkt dat hij de Westerkerk in Amsterdam vol heeft en Billy Graham dat niet zou hebben als hij niet een jaar lang voorbereidingen daarvoor zou treffen wanneer hij een zondag in Amsterdam zou moeten preken.
Deze methode van beantwoording zint me niet. Ze doet me denken aan het antwoord aan bovengenoemde student. Ze maakt een karikatuur van wat het Getuigenis bedoelde. Alsof met rechtzinnige prediking ooit bedoeld kan zijn een herhalen van waarheden. Dat is inderdaad de dood in de pot. Maar rechtzinnige prediking is trinitarische prediking. Het werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest moet worden geproclameerd. Bij de rechtzinnige prediking gaat het erom — en beoordeel deze prediking dan s.v.p. naar z'n beste vertegenwoordigers — dat ernst gemaakt wordt met de individuele schuld en nood van de hoorders. En dan gaat het er juist om dat in elke generatie de oude boodschap nieuw wordt gehoord. Dat nieuwe horen is het werk van de Heilige Geest die levend maakt. Er is echter veel prediking, die door dr. Buskes als rechtzinnig wordt aangemerkt, die bloedarm is omdat het vernieuwende werk van de Heilige Geest ontbreekt. En dan lopen de kerken leeg. Door het te doen voorkomen alsof het Getuigenis een prediking van herhalen van oude waarheden bedoelde maakt dr. Buskes een karikatuur. In dat woord 'waarheden' schuilt die karikatuur. Het gaat namelijk intussen wel om de oude boodschap. En die is er bij velen vaak uit. Dat bedoelde het Getuigenis!
De ark
Dr. Buskes maakt ook bezwaar tegen de wijze waarop in het Getuigenis wordt gesproken over de kerk als ark. Het Getuigenis zegt: 'De kerk zal weer moeten worden een ark van Noach die veiligheid en redding biedt als de golven van het oordeel Gods over de wereld gaan'. Niet het beeld van de ark als zodanig roept het verzet van Buskes op, maar het gebruik van dit beeld in nauwe samenhang met 'de oordelen Gods die over de wereld gaan'. Zelf gebruikt Buskes nota bene het beeld dat de prediking zal moeten functioneren als 'een vast gebouw van Gods gunstbewijzen'. Dan kan hij er moeilijk bezwaar tegen maken dat het Getuigenis over een ark spreekt. Want de hele context waarin dat beeld wordt gebezigd maakt duidelijk dat niet de kerk als instituut met de ark vergeleken werd, maar de kerk in haar verkondiging. De kerk biedt in haar verkondiging hoop en uitzicht, geborgenheid, maar dan alleen in Christus die de rots van de eeuwen is, de rots van behoudenis.
Prediking van Christus als de enige grond van behoud kan dan ook nooit herhaling van waarheden zijn, omdat Hij alles is en Hij alléén. Dan gaat het om de volle raad van God tot onze verlossing.
Maar het geding tussen dr. Buskes en het Getuigenis op dit punt gaat dieper, het gaat namelijk, zoals gezegd, om de directe verbinding tussen het beeld van de ark en het noemen van de oordelen. Waarom maakt Buskes daartegen bezwaar? Omdat hij intussen toch uit een andere visie denkt. Buskes zegt dat het verlossende woord voor de wereld in Jezus Christus gesproken is. De oordelen Gods zijn derhalve al over de wereld gegaan. Nu is er alleen nog maar het geduld van God dat voortvloeit uit de vastheid van Zijn rijk. God is de bondgenoot van de mens. Het hopen van christenen is plaatsvervangend voor de wereld. Hopen, zegt Buskes, betekent daarom 'onvoorwaardelijk erop rekenen dat de dag van het komen van Christus de dag zal zijn waarop niet ik, rnaar Christus ook alle anderen — de nu nog ontoegankelijke meerderheid van de mensheid — zal weten te bereiken en allen die vóór en na Christus' geboorte kwamen en gingen. Zijn stem zullen horen'. En: 'ons hopende leven is het in de tegenwoordige wereld verborgen zaad der eeuwigheid, het zaad van het komende heil voor de hele wereld'. Hier lopen — dunkt me — de wegen wel heel fundamenteel uiteen. Zo bezien behoeft de kerk inderdaad geen ark meer te zijn, die in haar verkondiging redding en veiligheid biedt als de golven van het oordeel Gods over de wereld gaan. De wereld zelf is in feite ark geworden. Alleen, wij weten het en de wereld nog niet. Het geloof is niet meer van beslissende betekenis voor het beërven van het koninkrijk. Wij hopen plaatsvervangend voor de wereld. Het is echter juist deze gedachtengang die de prediking berooft van de laatste ernst inzake de laatste toekomst en die de wereld niet meer bewust maakt dat redding nodig is uit de golven van het oordeel Gods, redding in de Ene, de Gekruisigde.
We zeggen mèt Buskes dat we 'getroost en bemoedigd' getuigen van Christus hebben te zijn. Getroost en bemoedigd, omdat Hem gegeven is alle macht in hemel en op aarde. Maar dan ook getuige zijn van de redding die alleen in Hem ligt. De kleine kudde beërft het koninkrijk (Luc. 12 : 32). Wie in Hem gelooft zal eeuwig leven, maar wie Hem ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien maar de toorn van God blijft op hem (Joh. 3 : 36). Daarom is prediking en getuige zijn een zaak van de laatste ernst, van leven of dood. Daarom is de kerk als het goed is in haar verkondiging een ark. Wee de prediker die de deuren van deze ark dichtwerpt.
Verzoening
We zitten nu intussen wel op een lijn waar Buskes duidelijk verschilt met het Getuigenis. Datzelfde geldt ten aanzien van de verzoening. Buskes rekent af met vraag 9 tot en met 17 van de Heidelbergse Catechismus, waar het over de straffende gerechtigheid van God gaat. Deze vragen en antwoorden diskwalificeren volgens hem de vragen 18 en 19, waarin over de Middelaar wordt gesproken. Die vragen doen teveel aan Anselmus denken. Dan houdt Buskes het liever bij het proefschrift van dr. Wiersinga over de verzoening, waarin ook met 'de onbijbelse scholastiek van de zondagen 4 tot 6 wordt afgerekend'. Buskes is daar Wiersinga dankbaar voor.
Hier speelt dus de bekende kwestie van de verzoeningsleer van Anselmus. Anselmus ging ervan uit, en de catechismus met hem, dat wij Gods eer hebben aangetast, dat dat niet met gehoorzaamheid is goed te maken, dat God de zonde of straffen moet of genoegdoening moet ontvangen. Velen vinden dat dit 'genoegdoening ontvangen' beneden de maat zou zijn van Gods liefde. Maar is dit nu juist niet dé ergernis van het evangelie, die ook daarin ten diepste tot uitdrukking komt dat niet wijzelf kunnen betalen maar dat een Ander voor ons betalen moet? En komt nu juist daarin de liefde van God niet op het diepst openbaar dat Christus als Middelaar in onze plaats wilde staan, de straf dragend? Dat Hij voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren? Men kan zich afvragen of de gedachtengang van Anselmus wel van meet af aan op de Middelaar betrokken is, maar zijn denken ook over de toorn Gods, over de wrekende gerechtigheid is diep in de Schrift verankerd. Calvijn laat eveneens, in tegenstelling intussen tot Karl Barth, de toorn van God niet door de liefde Gods omspoelen. Maar de toorn van God en de liefde van God vinden bij hem beide hun concentratie in de Middelaar. Verzoening tussen God en mens werd mogelijk door Zijn offer. De oorzaak van de grote vervlakking van de prediking ligt vaak juist hierin dat de mens in de ruimte van Gods liefde wordt gezet zonder dat de spanning tussen de toorn en de liefde van God, die opgelost werd in de Middelaar, wordt uitgezegd.
Intussen laat Buskes inzake de verzoening het Getuigenis ook buikspreken als hij zegt dat het Getuigenis de verzoening uitsluitend als een rechtsgeding tussen God en mens ziet. Ten diepste is dat zo, omdat dit rechtsgeding al het andere overheerst en beheersen moet. Maar er wordt in het Getuigenis ook bij gezegd dat dit rechtsgeding 'vanzelfsprekend gevolgen heeft voor de ethiek'. De verzoening, zo wordt ook gezegd, wordt in het mensenleven tot een levende werkelijkheid tegenover God en tegenover de medemens. Waarom las Buskes dit laatste niet, althans waarom laat hij dit liggen bij zijn beoordeling en praat hij op eigen golflengte verder? Ligt in deze bewoordingen dan niet opgesloten dat het in het leven van christenen ook heeft te gaan om de verzoening tussen mensen onderling? Waarom laat Buskes in de behandeling van dit punt het Getuigenis het tegendeel zeggen van wat het wilde zeggen, door dit te verzwijgen?
Of zit de kwestie toch dieper? Ik meen van wel als we zien hoe Buskes herhaaldelijk de 'waarheidselementen' bij moderne theologen als Wiersinga, Dorothea Sölle en anderen op het spoor wil komen. Bij Buskes is verzoening tussen God en mens en tussen mensen onderling of tussen de volkeren één zaak, of liever het zijn zaken die op hetzelfde niveau liggen. Het Getuigenis beleed de verzoening tussen God en mens door het offer van Christus als het allerbelangrijkste, het unieke en de verzoening tussen mensen als het noodzakelijke gevolg hiervan. Bij Buskes is in principe de lijn aanwezig, die bij de moderne theologen nog veel verder doorgetrokken is, namelijk dat wij niet deel krijgen aan de verzoening maar dat we eraan deelnemen. Dit deelnemen aan de verzoening is bij de moderne theologen één en al. Het Getuigenis wees dat nadrukkelijk af. Buskes neemt het daarvoor op, ook al laat hij uitkomen dat voor hem de verzoening niet in het menselijk handelen opgaat.
De kerk in de wereld
Dit brengt me op het laatste wat ik wil noemen uit het boek van Buskes, namelijk de roeping van de kerk in de wereld. Voor Buskes ligt de naaste toekomst in één lijn met de laatste toekomst, waarin Christus 'heilbrengend voor heel de wereld' weerkomt. Hij zegt: Wij verwachten de stad van het eeuwige recht. Deze stad zal echter naar het getuigenis van het laatste bijbelboek niet op de puinhopen van onze steden worden opgebouwd. Alle eer en heerlijkheid der volkeren zal voor deze stad een bijdrage zijn (Op. 21 : 24 en 26).'
Ik meen dat ik hiermee de conceptie van Buskes' boek wel gegrepen heb. Het is toch één doorgaande lijn. De mens neemt deel aan het verzoenend handelen van God. Wij hopen plaatsvervangend voor de wereld. En zo leven we toe naar het Rijk 'dat niet op de puinhopen van onze steden gebouwd wordt' maar in het verlengde ligt van deze bedeling. Op deze wijze wordt echter aan het menselijk handelen een onbijbels en intussen topzwaar gewicht toegekend. Maar nu begrijpen we ook de titel van Buskes' boek 'Het humanisme van God'. Deze titel is ontleend aan de brief van Paulus aan Titus, waarin Paulus spreekt over de 'goedheid en mensenliefde' van God. Deze goedheid en mensenliefde vertaalt dr. Buskes in navolging van Karl Barth met humanisme. Een titel voor de verkoop schreef iemand. Zo ver wil ik niet gaan, maar wel een titel die blijkens de ondertitel gevaarlijke consequenties heeft. God en mens als bondgenoten. Door dit boek ligt een draad van overspannen menselijke activiteit, waarin God en mens als bondgenoten schouder aan schouder staan, samen geschiedenis maken, samen het Rijk verwezenlijken door de menselijkheid te bevorderen. Het humanisme van God en het humanisme van de mens liggen in elkaars verlengde. Daartegen heeft het Getuigenis neen gezegd. Het getuigenis heeft, wetend van de verantwoordelijkheid ten aanzien van wereldse taken' gesproken over 'het besef van voorlopigheid van deze wereld en dit leven', waardoor christenen innerlijke reserve koesteren tegenover elke politieke en sociale druk om het heil in het 'hier en nu' te leggen. Zo niet dr. Buskes, die Groen van Prinsterers 'Ongeloof en Revolutie' alsmede Da Costa's 'Bezwaren tegen de Geest der eeuw' afvalt en een theoloog als dr. Ter Schegget bijvalt, die volgens hem 'het meest bijbels verantwoord over de revolutie heeft gesproken', omdat het in de geschiedenis om de toekomst gaat; waarbij — zo blijkt intussen — de toekomst van het Rijk in deze geschiedenis verwezenlijkt wordt, in déze bedeling.
Op dat vlak zaten de opstellers van het Getuigenis niet. Zij spraken inderdaad in de lijn van Groen van Prinsterers 'Ongeloof en Revolutie' en Da Costa's 'Bezwaren tegen de geest der eeuw'. Het is bepaald treffend dat bij het eerste gesprek van de opstellers een gespreksnota van Van Niftrik ter tafel lag, die uitgerekend met deze twee publikaties uit de vorige eeuw begon. De reserve, die de opstellers van het Getuigenis koesterden tegenover elke politieke en sociale druk om het heil in het 'hier en nu' te leggen is dezelfde reserve als die Groen en Da Costa hadden. Buskes mag dat conservatisne noemen. Het zij zo. Als hij dan maar wel weet dat deze instelling niet in mindering komt op de roeping om getuige te zijn en te leven uit de verwachting, die gespannen is en geladen is van activiteit. Want al wat gedaan werd uit liefde tot Jezus houdt waarde en zal blijven bestaan. God vergeet niet de werken die in Christus' Naam bedreven werden. En inderdaad, de koningen brengen de eer en heerlijkheid van de volkeren in het nieuwe Jeruzalem. Er zijn in al het bezig zijn in Christus' Naam elementen die meegaan de eeuwigheid in. Hoe weten we niet. Maar we geloven het wèl. Maar intussen is er toch het besef van de voorlopigheid, omdat het Rijk komt door het gericht heen, door de breuklijn heen aan het eind van de geschiedenis. Dan pas zal God alles in allen zijn. Maar dan ook: niet door ons, al uit Hem, zo gaat het naar Jeruzalem. Wij verwezenlijken het Rijk niet. We komen niet verder dan de tekenen.
Uitleiding
Dit artikel viel wat lang uit. Het was nodig. Toen ik het boek van dr. Buskes begon te lezen zag ik alleen de rookgordijnen, die rondom het Getuigenis gespannen werden. Al lezende ontdek je echter de lijn, die duidelijk maakt dat er meer aan de hand is. De titel en de ondertitel van het boek wijzen in een richting, die door de inhoud bevestigd wordt, namelijk de richting van het politiek messianisme waartegen het Getuigenis neen zei, ook al zegt Buskes niet zonder reserves ja.
* Dr. J. J. Buskes: Het humanisme van God. Uitgave Ten Have, Baarn, 203 pag., ƒ 17, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's