De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

16 minuten leestijd

Reactie op een TV-interview

Onlangs gaf de N.C.R.V.-televisie in de rubriek 'Ander Nieuws' een interview met prof. dr. H. M. Kuitert. Kuiterts uitspraken over Jezus, de kerk, de toekomst hebben ook ditmaal weer heel wat reacties ontlokt. In het Centraal Weekblad voor de geref. kerken in Nederland van 17 februari gaat prof. dr. K. Runia op enkele facetten van dit interview in. Hij wijst erop, hoe velen teleurgesteld waren door de abstract-theologische wijze van redeneren.

Waar kwam nu eigenlijk het evangelie door in deze uitzending? Waarom ging Kuitert niet concreter in op de aan hem gestelde vragen? Runia zelf was nogal getroffen door de wijze waarop Kuitert zich over de grote toekomst uitliet.

Ik heb de tekst van het interview niet voor me, maar als ik me goed herinner, werd het op een gegeven moment zo voorgesteld: Het kan best zijn, dat we straks ineens zullen ontdekken, dat Jezus al bij ons is. Prof. Kuitert drukte het zo uit, dat dan de vraag gesteld zal worden: 'Wil de ware Jezus opstaan', en dan zal blijken, dat Hij er al is.

Om eerlijk te zijn begrijp ik deze uitspraak niet, met name niet na wat op de laatste synode overeengekomen is. Gedurende de laatste week heeft de synode zich nadrukkelijk bezig gehouden met het vraagstuk van de zg. 'consequente horizontalisering van het geloof', mede naar aanleiding van bepaalde uitspraken van prof. Kuitert zelf. De synode heeft na lang beraad, mede op grond van gesprekken van de Deputaten voor het verband met de V.U., uitgesproken: 'De voltooiing van de heilsgeschiedenis ligt voorbij ons tegenwoordig aards bestaan en vindt plaats in de dag van Christus'.

Deze uitspraak werd voorafgegaan door de preambule: 'Uit de genoemde verklaring (nl. van de Deputaten voor het verband) blijkt genoegzaam dat dr. Kuitert zich ten aanzien van de 'realisering van het Koninkrijk Gods' en de 'humaniteit' geheel kan vinden in antwoorden die overeenstemmen! met het belijden der kerk'.

Ik moet eerlijk zeggen, dat ik hetgeen tijdens het interview gezegd wordt in het geheel niet kan rijmen met de uitspraken van de synode. M.i. staan ze gewoon haaks op elkaar. 

Als ik prof. Kuiterts woorden tijdens het interview goed begrepen heb, dan gaat hij dwars tegen het ter synode overeengekomene in en handhaaft hij zijn oorspronkelijke visie. Dan vraag je je toch af: Kan dat allemaal zomaar? Hebben synodale uitspraken dan totaal geen zin meer? Ik vind dat een benauwend probleem.

Hier staat m.i. ons hele synodale bedrijf op het spel, en hoezeer ik ook bezwaar heb tegen de plannen van de verontruste broeders (zie het hoofdartikel in dit nummer), toch moet ik wel erkennen dat ik zo langzamerhand wel kan begrijpen, dat ze moeite hebben om nog veel waarde en gewicht te hechten aan synodale uitspraken.

Dat synodale uitspraken weinig gewicht in de schaal leggen en eerder uiting geven aan de impasse waarin velen zich bevinden, was al eerder gebleken. Denk aan het gesprek met Kuitert in het VU-magazine over de dubbelzinnigheid van de formulering. Ook nu weer bleek: Kuitert handhaaft tegen alle synode-uitspraken in rustig zijn theorieën en neemt geen van zijn uitspraken terug.

Open brief

Inmiddels bleef Kuitert het antwoord niet schuldig. In een open brief, opgenomen in het nummer van 24 februari beklaagt hij zich over de handelwijze van zijn vriend en collega Runia. In dit schrijven zegt hij:

Beste Klaas,

In het C.W. van 17 februari 1973 lees ik dat je , bezwaar hebt tegen uitspraken van mij in de uitzending Ander Nieuws (NCRV) van 6 februari jl. Ik lees dat je bezwaren zelfs zo groot zijn dat je vraagt: Kan dat allemaal zomaar? Hebben synodale uitspraken dan totaal geen zin meer? Je voegt er nog een suggestieve passage aan toe over de zg. verontrusten die je langzamerhand toch wel gaat begrijpen.

Tegen dit stuk van jou in het C.W. heb ik het een en ander op mijn hart. Niet dat je bezwaar hebt tegen sommige uitlatingen die ik gedaan zou hebben. Waarom zou je het eens moeten zijn en waarom zou je aan je gevoelens daaromtrent geen lucht mogen geven?

Maar wat ik onbegrijpelijk van je vind is:

a. dat je een stuk schrijft waarin je de kerkmensen a.h.w. te wapen roept tegen een medechristen, zelfs tegen een collega van je;

b. dat je zoiets doet zonder van te voren met die collega ook maar één woord over deze zaak gesproken 'te hebben; alsof er geen enkele relatie tussen ons bestond en alsof er geen Matth. 18 : 15 bestond;

c. en dat je dit alles dan ook nog doet zonder over de tekst te beschikken van door jou zo verfoeide passage, ja, met zoveel woorden nog erbij zegt dat je over de tekst niet beschikt.

Ik sta werkelijk paf en denk: dan toch zulke dingen schrijven? Of je het goed verstaan hebt, heb je niet eens gevraagd. En als je het al goed verstaan hebt, je hebt evenmin de moeite genomen om te vragen of je het goed hebt begrepen.

Is dit de manier om kerkelijk samen verder te komen? Ik ken deze manier van doen sinds jaar en dag, en heb mij erbij neergelegd dat de meest bijbelgetrouwe leden van onze kerken zich van Matth. 18 : 15 niets aantrekken. Maar jij bent een collega, met wie ik samenwerk in de theologie.'Waar ben je op uit met deze manier van doen, wat wil je eigenlijk met zulke stukken?

Je Harry Kuitert

Het is duidelijk dat Kuitert persoonlijk getroffen is door Runia's reactie. Bevreemdend is, dat waar Kuitert zelf gebruik maakt van één van de massa-media om zijn gewaagde uitspraken te spuien, hij aan anderen dit recht ontzegt om in de pers hierop te reageren, en zich dan beklaagt dat geen rekening is gehouden met Matth. 18 enz. Een goed Hollands spreekwoord zegt: Wie kaatst moet de bal verwachten. En zeker wanneer de zaken zo gevoelig liggen als rondom de theologische inzichten van Kuitert, had de Amsterdamse hoogleraar m.i. zich wel tweemaal mogen bedenken, alvorens zich op deze wijze te uiten in een tv-interview. Om zich dan achteraf te beklagen over reacties in de pers is m.i. hoogst bevreemdend. Kuitert heeft immers zelf deze reactie uitgelokt. Is het zo vreemd, dat velen — want Runia is echt de enige niet — tot de conclusie komen: Kuitert trekt zich van synode-uitspraken niets aan, maar gaat zonder reserves door met het uitdragen van zijn opvattingen, die naar veler mening op gespannen voet staan met Schrift en belijdenis.

Weerwoord

In zijn antwoord wil Runia wel toegeven dat hij de door hem gewraakte uitdrukking over Jezus en de toekomst mogelijk verkeerd heeft begrepen. Niettemin handhaaft hij het bezwaar van onduidelijkheid. Betekent het einde der tijden, dat Jezus die altijd al bij ons was, dan zichtbaar wordt of is er wel degelijk een wederkomst in de zin waarin de Kerk dat de eeuwen door beleden heeft? Runia zou willen dat Kuitert zich daarover eens duidelijk uitsprak. Verder lezen we in dit weerwoord:

Ook zou ik graag nog op een ander punt ingaan, alleen maar om mijn eigen houding in dezen enigszins te verduidelijken. Jij zelf brengt Matth. 18 in dit verband ter sprake. Ik moet je toegeven dat dit een belangrijk punt is. Om eerlijk te zijn heeft mijn vrouw (aan wie ik het stukje voorlas) nog tegen me gezegd: Moet je er Harry eerst nog niet even over bellen? Ik heb dit ook overwogen — en achteraf was het zeker beter geweest als ik het gedaan had — maar ik kon op dat moment de noodzaak er niet van zien, omdat ik dacht dat het zonder meer duidelijk was. Ik kan nog niet goed zien wat dit alles met Matth. 18 te maken heeft. Ik dacht dat het daar ging om een persoonlijke situatie tussen twee broeders binnen de gemeente. In dit geval ging het om een zaak die op de meest publieke wijze (t.v.!) aan de orde kwam.

Waarom ik er dan niet liever over gezwegen heb? Nu dat zou ik ook veel liever gedaan hebben. Ik zit er echt niet om te springen 'de kerkmensen te wapen te roepen tegen een mede-christen', nog veel minder tegen een collega. Mijn stukje was dan ook in het geheel niet bedoeld als een vorm van 'hetze'.

Maar ik ben nu toevallig hoofdredacteur van een kerkelijk blad en ik dacht dat het tot de taak van zo'n blad en in het bijzonder tot de taak van de hoofdredacteur behoort, voorlichting te geven en bepaalde dingen te signaleren die met name de kerk aangaan.

En juist dat laatste was voor mij het kernpunt. Wij zitten samen in de kerk. Daar hebben jij en ik beiden een bepaalde taak. We zijn op dat punt zelfs collega's in de engere zin van het woord. Dat vind ik bijzonder belangrijk.

Maar nog belangrijker vind ik dat we die kerk mogen en moeten dienen. Voor mij persoonlijk is theologie allereerst een kerkelijke dienst. Dat wil niet zeggen, dat we dus maar slaafs moeten herhalen wat de kerk al eeuwen lang heeft gezegd. De theologie heeft ook de taak de kerk kritisch te begeleiden en zelfs vóór te gaan.

Tegelijkertijd moeten de theologen zich natuurlijk aan de 'spelregels' van de kerk houden. Omdat ik eerlijk dacht, dat jij in het interview je niet aan de 'spelregels' hield, heb ik het bewuste stukje geschreven. Het ging me er .gewoon om de situatie in de kerk eerlijk te houden.

Het ging me niet om jouw persoon. Het persoonlijk element speelde geen enkele rol. Dat weet je zelf ook wel. We hebben nooit enige persoonlijke onenigheld gehad. Het ging me alleen maar om de zaak van de kerk, waar we beiden bijhoren en waarin we beiden een bijzondere opdracht hebben. Dit zakelijke gaat mij boven alles. Ook boven het persoonlijke en het collegiale.

Aan het eind van je brief vraag je: 'Waar ben je op uit met deze manier van doen, wat wil je eigenlijk met zulke stukken? ' Ik heb geprobeerd daarop een antwoord te geven. Maar word nu niet boos, als ik deze vraag ook eens retourneer: 'Harry, waar ben jij eigenlijk op uit met jouw manier van doen, waarom lok je toch telkens weer problemen uit (zoals je het zelf voor de t.v. uitdrukte), is het nu werkelijk nodig dat de kerk telkens weer in beroering wordt gebracht? '

Dat is een vraag die niet alleen bij mij leeft, maar duizenden mensen in de kerk zitten met die vraag.

Uit deze briefwisseling blijkt duidelijk dat Runia een middenpositie inneemt tussen Kuitert en de verontrust gereformeerden. Enerzijds wil hij niet de weg van de verontrusten op, getuige zijn eigen uitspraken in het C.W. Voeg daarbij het pijnlijke feit, dat ds. W. van Benthem zijn vragen aan Runia niet geplaatst kon krijgen in het Centraal Weekblad, maar zijn toevlucht moest nemen tot een publikatie in advertentievorm in 'Trouw' van 24 febr.

Des te pijnlijker omdat Kuitert wel in een open brief mocht reageren in het Centraal Weekblad. Des te pijnlijker ook, omdat v. Benthem een aantal bezwaren tegen Kuitert formuleert, die ook Runia heeft. Als buitenstaander moet men dan zeggen: Wordt op deze wijze, ook door prof. Runia de polarisatie niet bevorderd, als verontrusten hun toevlucht moeten nemen tot advertenties om hun bezwaren gepubliceerd te krijgen, terwijl de voorstanders van de nieuwere theologische inzichten hun meningen vrijelijk kunnen uiten in de officiële kerkelijke pers.

Anderzijds blijkt dat ook Runia verontrust is door Kuiterts optreden. Zijn grief is, dat Kuitert zich niet houdt aan de spelregels van de kerk en te weinig de theologie ziet als kerkelijke dienst.

Toch vragen we ons af, of Runia hiermee kan volstaan. Is er niet veel meer in het geding? Gaat het niet om een totaal verschillende visie op de inhoud van de reformatorische belijdenis. Juist de brieven van ds. Van Benthem laten m.i. duidelijk zien, hoe machteloos men is, als men een middenpositie wil innemen. Want wij zien dan gebeuren wat zo vaak voorkomt in de geschiedenis van de kerk: de honden blaffen, maar de karavaan trekt voort. Wij menen dat prof. Runia als het hem ernst is met zijn bezwaren tegen Kuitert deze middenpositie onmogelijk kan volhouden, maar zal moeten kiezen. Anders gezegd: Ook Runia zal niet kunnen ontkomen aan het feit, dat de kerk heeft te weren wat haar belijden weerspreekt. Gebeurt dit niet, dan zullen de geref. kerken hoe langer hoe meer modaliteitskerken worden. Want dat zal hem toch ook wel duidelijk geworden zijn: Kuitert c.s. gaan rustig voort op de door hen ingeslagen weg, alle synode-uitspraken ten spijt.

Rumoer rond Wurmbrand

In Hervormd Nederland van 17 februari publiceerde dr. J. A. Hebly een artikel over Richard Wurmbrand, wiens opvattingen over de situatie van de christenen in communistische landen nogal omstreden zijn. Terecht wijst Hebly erop, dat het gevaar bestaat dat de figuur van Wurmbrand zich schuift tussen ons en de christenen in Oost-Europa. Nu is het voor een buitenstaander erg moeilijk tot een objectief oordeel te komen. Wie heeft er t.a.v. de ondergrondse kerk in Oosteuropese landen nu gelijk? Wurnbrand of zijn tegenstanders? Opvallend is nu dat Hebly in een rustig en sympathiek geschreven artikel uit wil komen boven de vraagstelling: vóór of tégen Wurmbrand. Hebly ontkent het bestaan van een ondergrondse kerk niet; hij wijst erop, hoe veler belangstelling voor het lot van de christenen in Oost-Europa juist gewekt is door Wurmbrand, schrijft met sympathie over de persoon van deze felle prediker, die in zijn leven om des geloofs wil zwaar geleden heeft. Hebly's bezwaren zijn, dat a) de informatie van Wurmbrand gebrekkig en fragmentarisch is en b) dat de aantallen die Wurmbrand noemt geen grond hebben in de werkelijkheid. Over de opvattingen van Wurmbrand schrijft Hebly:

Gelukkig verdiepen vele mensen, wier belangstelling voor de christenen in Oost-Europa is gewekt — en daar heeft Wurmbrand een bijdrage aan gegeven — zich verder in de problematiek van de kerk in de communistische wereld. Het Nederlands Dagblad (18 november, 25 november, 2 december 1972) aanvankelijk nogal onder de indruk van Wurmbrand, publiceerde drie artikelen van prof. dr. J. Kamphuis (geref. vrijgemaakt) waarin hij de boodschap van Wurmbrand op zeer indringende wijze analyseert en zijn verbazing erover uitspreekt dat Wurmbrands vage mysticisme en zijn oproep tot gewelddadig revolutionair optreden zo kritiekloos worden aanvaard in sommige reformatorische kringen. Hij kritiseert scherp de gelijkstelling van Wurmbrands anti-communisme met de waarheid van het evangelie. Voor Wurmbrand is Amerika de burcht der vrijheid en dit land wordt rechtstreeks in het licht van het evangelie geplaatst. Christus en Amerika staan op één lijn.

Kamphuis heeft de moeite genomen de leer van Wurmbrand onder de loep te nemen en spreekt over een 'vreemd vuur'. Het is heel jviist eens wat dieper in te gaan op de theologische vooronderstelingen van Wurmbrand want deze beïnvloeden de informatie die hij verschaft in hoge mate. En dat is juist op dit gebied van de Oosteuropese kerken waarover de mensen over het algemeen weinig weten, heel gevaarlijk. Men kan moeilijk zelf onderscheiden hoe tendentieus de informatie van Wurmbrand is en hoe deze beïnvloed wordt door zijn eigenaardige visie. Wat tendentieuze berichtgeving betreft is hij niet los gekomen van zijn communistisch verleden.

Wurmbrands optreden wordt gedragen door een fel anti-communisme. Hij spreekt over de ondergrondse kerk als de ware kerk, de reine bruid van Christus, die een heldenstrijd voert tegen het communisme. Gaat men echter dit begrip van de ondergrondse kerk nader analyseren dan blijft er weinig van over. In de eerste plaats is het onjuist alle groepen en groepjes die een niet-officieel door de communistische overheid erkend bestaan leiden samen te vatten onder het begrip ondergrondse kerk. Wie iets van de kerkgeschiedenis kent, zal ervoor oppassen oud-gelovige orthodoxen in Siberië, Jehova's getuigen in Roemenië, Pinkstergroepen in de Oekraïne en een hervormde gebedsgroep in Hongarije als één kerk te beschouwen. Bovendien hangt het ondergronds-zijn samen met de erkenning door de overheid en zou dus het ware-kerk-van-Christus-zijn afhangen van de beslissing van een atheïstische overheid.

Erger nog dan deze vreemde theologische stellingname is echter het feit dat Wurmbrand de christenen in Oost-Europa die worstelen om de vrijheid voor hun geloof, als een actieve anti-communistische actiegroep typeert, een soort vijfde colonne van Amerika, die op opstand uit is en daarbij voor geweld niet zal terugschrikken.

Dat is niet alleen onjuist zoals ik ook heb aangetoond in mijn boek over de Protestanten in Rusland, maar daarmee heeft hij al veel leed over deze christenen gebracht en geeft hij de communistische staat wapens in handen de maatregelen tegen hen te verscherpen. In dit verband zal men ook zeer kritisch moeten staan tegenover zijn financiële acties.

De voorzitter van de Zwitserse kerkenbond heeft een ernstige waarschuwing tegen de geldwerving van Wurmbrand doen uitgaan. Ook het Slavisch Zendingsgenootschap in Zweden, dat hem aanvankelijk sterk steunde, heeft zich nu van hem gedistantieerd. Wurmbrand stelt zich fel afwijzend op tegenover de Wereldraad van Kerken en roept allen die tegenstanders zijn van de Wereldraad op zich achter hem te scharen. Maar ieder die zich wat kritisch opstelt — en prof. Kamphuis heeft het aangetoond dient in te zien dat Wurmbrand geen alternatief is voor de Wereldraad. Hij maakt gebruik van een anti-Wereldraadstemming in bepaalde kringen, maar leidt op politieke en godsdienstige dwaalwegen.

Misschien is mijn oordeel voor sommige lezers wat teleurstellend, hun belangstelling voor de christenen in Oost-Europa is voor het eerst gewekt door Wurmbrand en zij zijn door zijn felle (maar vreemde) vuur geboeid.

Ik zou voor willen stellen dat wij wat minder deze man naar voren schuiven, ophouden elkaar te vragen: ben je voor of tegen hem? en hem zo te maken tot toetssteen van de ware orthodoxie en de juiste politieke instelling.

Laten we hopen dat deze felle, rusteloze man die de jaren van zijn gevangenschap nooit te boven is gekomen, nog eens ergens rust zal kunnen vinden. Laten we ons wel intensief blijven bezighouden met het leven van de kerken en christenen in Oost-Europa, laten we ons zo goed mogelijk informeren, helpen waar dat mogelijk is langs die wegen die er zijn en door beïnvloeding van de wereldopinie trachten hun situatie te verbeteren. Het werk van het oude Duitse zendingsgenootschap 'Licht im Osten' kan ons ook leren dat we de voorbede voor hen niet mogen vergeten.

Wij menen er goed aan te doen u dit rustig geschreven artikel voor te leggen. Hoe men ook over de visie van Wurmbrand mag denken, het lot van de christenen in Oost-Europa dient ons ter harte te gaan. Met Hebly wijzen we op het belang van goede informatie, steun waar mogelijk is, en niet te vergeten de voorbede. Want wij zullen er toch oog voor moeten hebben dat de positie van de christenen in communistische landen moeilijk is en dat zij aan den lijve dikwijls het lijden om Christus' wil ervaren!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's