Karl Barth en het Getuigenis 2
Met wat we in het vorige artikel aan het eind stelden zijn we beland bij het kernpunt van ons onderwerp. Want het is duidelijk, dat het uitgangspunt van Barth (en dus van alle barthianen!) een wezenlijk ander uitgangspunt is dan van het Getuigenis. Ik meen zelfs, dat het mogelijk is om het Getuigenis te zien als een protest van de confessionele en reformatorische groeperingen in de kerk tegen de steeds verdere doorwerking van de barthiaanse theologie. In het Getuigenis werd over die theologie in haar consequenties het 'onaanvaardbaar! ' uitgesproken.
Dat het Getuigenis zó moet worden geïnterpreteerd, is sterk aan het daglicht getreden in de boeken, die rondom en tegen het Getuigenis zijn verschenen; en niet minder in de wijze, waarop de volgelingen van Barth zich als een meute op prof. Van Niftrik hebben geworpen, omdat hij, als een barthiaan van het eerste uur, zich van de grote meester distantieerde. Daaruit blijkt, dat de eigenlijke kwestie in de zaak van het Getuigenis is: vóór of tegen Barth. Ik dacht, dat het het peil van de discussies ten goede zou komen door het zó te stellen. Maar als het er dan om zal gaan, of de evangelie-vertolking, zoals die in Barths verbondsleer tot ons komt, verenigbaar is met het reformatorisch belijden onzer kerk, dan is het theologisch noodzakelijk, dat de diepte van de tegenstelling tussen Barth en Calvijn ons duidelijk wordt. Daarover wil ik dus nu nog iets zeggen, voorzover dat tenminste in het raam van een weekblad-artikel mogelijk is.
Wij zagen, dat voor Barth het verbond de menselijkheid van God tot uitdrukking brengt. Het verbond geeft de 'mensenliefde Gods' (Titus 3 : 4) een mogelijkheid van uitbreiding in de wereld en in de geschiedenis. Gods genade vindt zo een bedding in het historische mensenleven. Door het verbond is er heilsgeschiedenis!
Wie nu echter enigzins op de hoogte is van het verleden van de reformatorische theologie, weet, dat het de verbondsleer geweest is, die een invalspoort was voor allerlei onbijbelse gedachten. De verbondsleer was er de oorzaak van, dat hét evangelie onderging in het historische proces. Zij is één van de belangrijkste oorzaken geweest van het verval van de reformatorische theologie. Al bij Melanchton en Zwingli is dat aanwijsbaar. En hoe nauw is het drama van de Wederdopers verbonden met een onbijbelse verbondsleer!
De Hervormer, die over het verbond zuiver bijbels-nieuwtestamentisch heeft gesproken, is Calvijn. En met hem Bullinger, Olevianus en Ursinus. Het opvallende bij Calvijn is nu, dat hij het verbond niet werelds, historisch opvat. Het verbond is immers gegrond op Jezus Christus; dus op Zijn dood, opstanding en hemelvaart. Dat wil zeggen, dat het ons voert 'buiten de aarde, buiten de uitgebreidheid dezer wereld, buiten deze vergankelijke tijd', en ons richt op 'de zaligheid van het toekomstige geestelijke leven' (Inst. II, 10, 20). Calvijns verbondsbeschouwing is vooral bepaald door de brief aan de Hebreeën (/n5^. .II, 11, 4).
Om Calvijns gedachten hierover te leren kennen, kan men niet beter doen, dan het oude Doopsformulier te lezen: 'Daar in alle verbonden twee delen begrepen zijn, zo worden ook wij weder van God door den Doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. ..' En vooral geve men dan grote aandacht aan wat er volgt. Men vindt er niets in terug van de christocratische broederschap van de medemenselijkheid, van de wereldse humaniteit. Integendeel: 'God liefhebben, de wereld verlaten, de oude natuur doden, en in een Godzalig leven wandelen'. Geen woord dat ook maar in de richting wijst, dat het Rijk Gods op de lijn der geschiedenis het volkerenleven binnenbreekt, en dat geschiedenis, cultuur, kunst, wetenschap voor God 'interessant' zouden zijn.
Maar is het nu niet mogelijk hier het één met het ander te verbinden? Is het niet denkbaar, dat Barth een synthese tot stand gebracht heeft tussen Calvijn en Blumhardt, tussen Luther en Münzer? Behoefden de reformatoren geen aanvulling? Waren zij niet even eenzijdig als Barth in zijn eerste periode?
Het zijn diepe geloofsvragen, die hier aan de orde zijn. Het gebinte van de genade en de scharnieren van het heil zijn erbij in geding. Daarom is het zaak, om ons van deze dingen terdege rekenschap te geven. De toekomst van de kerken der Reformatie staat erbij op het spel. Want wie kan ontkennen, dat de verbondsleer op het allernauwste samenhangt met de leer der rechtvaardiging, die voor de hervormers het meest fundamentele geloofsstuk was? Zowel in de rechtvaardiging als in het verbond gaat het om de verhouding van God en mens. Maar als de rechtvaardiging nu een werkelijkheid voor ons is, zoals Luther en Calvijn daarover hebben gesproken; een werkelijkheid, zoals die in Zondag 23 van de Heid. Catechismus als kerkelijke belijdenis wordt uitgesproken; — wat blijft er dan voor ruimte over voor een verbondsbeschouwing als van Barth?
Zeker, er is dan nog wel heiliging en er zijn goede werken; maar het is niet mogelijk meer, om de mens met zijn bestaan en geschiedenis als een eigen, zelfstandige en 'interessante' inbreng, in het verlossingswerk te benadrukken. Immers in de rechtvaardiging wordt ons ook de heiligheid en het leven van Christus als onze heiliging en ons leven toegerekend. Zo lezen we in de Institutie: 'Daar wij dan zien, dat de gehele hoofdsom onzer zaligheid, en ook de delen afzonderlijk in Christus begrepen zijn, zo moeten wij ons ervoor hoeden, dat wij zelfs niet het geringste deelte op een ander overdragen. .. Daar alle schatten in Christus zijn, moeten ze tot verzadens toe uit Hem geput worden en niet van elders...' (II, 16, 19). Maar dan is er van een synthese tussen de barthiaanse verbondsleer en de reformatorische rechtvaardigingsleer geen sprake! Dan geldt het hier: of Barth, of Calvijn. En tot die onvermijdelijke en duidelijke keuze heeft nu het Getuigenis kerk en theologie opgevorderd. De discussies en polemiek der laatste maanden hebben dat steeds, duidelijker aan het daglicht gebracht.
In zekere zin doelde prof. Van Niftrik daar ook op in zijn laatste kroniek in het theologische tijdschrift: Kerk en Theologie. Maar misschien kwam het nog duidelijker naar voren bij de vragenbeantwoording op de conferentie van de Vrienden van Kohlbrugge te Utrecht in het voorjaar van 1972. De nadruk, die prof. Van Niftrik toen legde op de betekenis van Kohlbrugge was voor de goede verstaander veelzeggend. Want als er iemand geweest is, in wie de reformatorische belijdenis van de rechtvaardiging-door-het-geloof zich tegenover alle afdwalingen van rechts en links vernieuwd heeft, dan is het Kohlbrugge geweest. En wat hij uitsprak tegen Da Costa's heiligingsleer, zou hij met nog groter nadruk hebben uitgesproken tegen de verbondsleer van Barth en tegen diens beklemtoning van de menselijkheid van God. Hij zou met Paulus gezegd hebben: Ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde' (Rom. 7 : 14).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's