Theologie uit de kindermond?*) 1
In het voorjaar van 1971 verscheen van dr. J. L. Klink: 'Kind en leven' (Amboboeken, Bilthoven). We achten zowel de inhoud van het boek als de methode zo belangrijk, dat we er een wat uitvoeriger bespreking aan willen wijden, temeer daar dit boek van dr. Klink allerwegen grote aandacht krijgt. De schrijfster kondigt het boek in haar inleiding aan als het tweede deel van 'de kleine theologie voor ouders'. Het eerste deel was getiteld 'Kind en geloof'; het heeft in ons land grote bekendheid gekregen. Het derde deel zal heten 'Kind op aarde' en zal gaan over de werkzaamheid van kinderen in het Koninkrijk Gods, zoals dat op aarde gestalte moet krijgen en hun denken over het koninkrijk, de naaste, de Christuspresentie. Uit enkele opmerkingen in dit tweede deel kan men afleiden dat er ook na het derde deel vervolgdelen zullen verschijnen.
Dit tweede deel 'Kind en leven' gaat over wat men zou kunnen noemen de kinderlijke metafysica (leer van het bovennatuurlijke); hoe denken kinderen over aloude 'filosofische' vragen als: 'waar komt alles vandaan? '; 'hoe komt het dat er lieve èn gevaarlijke dieren zijn? '; 'waar kom ik vandaan? '; 'waarom doen mensen verkeerde dingen? '; 'wat gebeurt er als je dood gaat? '; 'hoe kan het dat God alles weet en kan en dat Adam toch de vrije keus had? '
Ieder, die weleens de tijd genomen heeft om met jongere of oudere kinderen te praten, kan deze rij vragen voortzetten. Hij weet ook dat kinderen soms (vooral als ze nog erg jong zijn) heel originele antwoorden op deze vragen bedenken om zo voor zichzelf een theorie op te bouwen die maakt dat 'alles klopt', met andere woorden, die een zekere veiligheid geeft. Dr. Klink heeft een zeer groot aantal vragen en uitspraken van kinderen, voornamelijk kinderen tussen vier en negen jaar, verzameld. Ze heeft de uitspraken in dit boek gegroepeerd om 4 thema's, namelijk: het begin, de mens, het kwaad, de dood en dan. .. ?
Van de meeste hoofdstukken is de opbouw:
a. Een betoog van de schrijfster over theologische en/of ontwikkelingspsychologische (betreft de psychologie van de ontwikkeling van het kind) en/of opvoedkundige aspecten van het thema.
b. Een aantal uitspraken van kinderen.
c. Kortere of langere citaten van romanschrijvers-, autobiografen, ontwikkelingspsychologen, theologen.
Door deze opbouw is het boek erg afwisselend geworden en boeit het veelal sterk. Wel gaat de eenheid van het betoog wat verloren.
De schrijfster kondigt, zoals gezegd, zelf het boek aan als 'kleine theologie voor ouders'. Inderdaad is het geschreven door een theologe en bevat elk hoofdstuk ook een betoog over een 'theologisch' thema, dat 'theologischerwijs' wordt behandeld (b.v. 'paradijs', 'zondeval', 'dood', 'hémei'). Toch kan men de vraag stellen of het juist is te spreken van een 'theologie voor ouders'. Hebben wij als ouders een andere theologie, een andere 'leer omtrent het geloof' nodig dan als beroepsbeoefenaar (met andere woorden, is er ook een theologie voor vrachtwagenchauffeurs? ) of als kerkeraadslid of als belastingbetaler? Of interpreteren we dan de ondertitel verkeerd? Wordt ermee bedoeld dat het boek bedoelt een populariserende uiteenzetting van 'de' (een? ) theologie te geven, speciaal met het oog op het werk dat ouders hebben te doen, nl. kinderen opvoeden tot volwassenheid en hen in die opvoedingsweg te laten leren wat christen-zijn betekent?
Na lezing van het boek neigt men naar de tweede opvatting, hoewel er toch ook enige twijfel blijft of de schrijfster niet ook vanuit de eerste opvatting (voor élke categorie mensen een andere theologie) schrijft. Als we het boek echter inderdaad mogen zien als een populariserende uiteenzetting, rijzen een aantal vragen:
1. Welke theologie wordt gepopulariseerd?
2. Hoe wordt het verband gezien tussen geloof-theologie-filosofie en in welk verband staan de kinderuitspraken hiermee? Hoe hanteert de schrijfster de ontwikkelingspsychologie naar z'n methodische kanten èn: hoe maakt ze gebruik van bestaande ontwikkelings-psychologische gegevens?
3. Hoe legt de schrijfster verband tussen de ontwikkelingspsychologie, de pedagogie en de theologie?
De achtergrond van waaruit de schrijfster theologiseert wordt al meteen in de inleiding duidelijk, waar ze vaststelt dat 'Kind en geloof' een steentje in de christelijke vijver was, omdat het geschreven was tegen de achtergrond van problemen en vragen in de traditioneel-christelijke opvoeding. De schrijfster zegt namelijk:
'Toch zou het mogelijk moeten zijn om deze onderwerpen zo te bespreken dat de barrière van de christelijke vijver doorbroken wordt en wij gaan merken dat wij ons bevinden op het wijde water waar wij allen als mensen proberen te varen, bij tijd en wijle in spartelen of zelfs kopje-onder gaan. Het gaat er dan altijd nog om welke koers wij kiezen op deze wijde wateren ook voor de kinderen en welke hoop wij hun kunnen geven om eens het land te bereiken van echte menselijkheid en vrede'.
In het boek 'Kind en leven' is duidelijk de invloed te onderkennen van een schriftkritische benadering van de eerste hoofdstukken van Genesis.
Aan Anselmus van Canterbury wordt verweten dat hij het dogma van de zondeval heeft geformuleerd en daardoor bewerkt heeft, dat onze kinderen moesten leren dat 'de dood de straf voor de zonde is', dat er 'een alziende straffende God is die je wel krijgen zal', dat 'de schuld betaald moet worden, wat alleen door Christus kan gebeuren'. Ongeveer in dezelfde trant wordt gesproken over de schepping, waarbij kennelijk de opvattingen van Teilhard de Chardin (die ook uitvoerig wordt geciteerd) een grote invloed op de schrijfster hebben gehad. Over het leven na de dood worden alle bijbelse gegevens 'vergeten' en wordt de 'huidige' opvatting dat met de dood alles uit is, als normaal voorgesteld. Toch kan dit niet geheel door de schrijfster worden aanvaard: is dan de hele wereld, zelfs de scheppingsdaad niet zinloos? Ze komt dan (in het elfde hoofdstuk) tot een Teilhardiaanse theorie: in een spiraalgang wordt door 'de' mens het 'Hart van het heelal' steeds dichter benaderd; in ieder geval is met de dood niet alles uit; ook over het heil van het individu (maar deze termen passen niet meer!) is bij de dood nog niet beslist.
*) Dr. J. L. Klink, Kind en leven. Ambo, Bilthoven, 299 p., ƒ 12, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's