De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verbond en verlossing 1

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verbond en verlossing 1

Het Verbond Gods

7 minuten leestijd

Bijgaand artikel verschijnt in een serie over het verbond, waarin naast een algemeen overzicht van wat de Schrift in het Oude en het Nieuwe Testament zegt, allerlei aspecten van het verbond aan de orde komen. De bedoeling is te komen tot een thetische weergave van dit centrale thema en zo de bezinning erop te stimuleren. Het artikel dat thans geplaatst wordt is van ds. J. van Sliedregt, predikant te Bilthoven. 

Het verbond, dat van geen wankelen weet

In één greep had God Zijn mensheid, die eeuwig de Zijne zou zijn, voor Zich. Toen er zich geen schepsel nog roerde, voor alle dingen, in de stilte der eeuwigheid, was God — de Drieënige — in Zijn eeuwige Raad des heils en des vredes In verbondsonderhandeling en - leven in Zichzelf.

De Vader had Zijn Zoon verkoren tot Borg en Middelaar van de in Hem verkoren Gemeente en droeg Hem de vleeswording en dienst der verzoening op; de Zoon aanvaardde de opdracht en aanschouwde Zijn toegezegd loon; de Heilige Geest bleef niet achter en nam op Zich om Zijn aandeel te vervullen in toepassing van het door Christus verworven heil in Zijn wederbarende arbeid.

Volmaakter verbondsleven dan er van eeuwigheid in God was is niet denkbaar. In Hem verbonden Zich Vader, Zoon en Heilige Geest tot eeuwige zaligheid van Zijn Kerk, de nieuwe en verloste mensheid, die onder haar Hoofd Jezus Christus met Hem voor eeuwig leven zou, om Hem te kennen, lief te hebben en te dienen tot eeuwige heerlijkheid.'

Zo kende God Zijn Kerk van eeuwigheid af. Hij was in Zijn Wezen (in de Binnenkamer Gods) in onderhandeling tot haar verlossing. Hij zag haar weg door de schepping der wereld en de duistere diepten van zondeval, totale verlorenheid en verdorvenheid heen, om haar in het verbond der genade krachtdadig te vergaderen en tot de heerlijkheid te voeren. Zo mogen we het genadeverbond verstaan als de uitvoering van het eeuwig verbond des vredes en de raad des heils.

Aan God zijn al Zijn werken van eeuwigheid af bekend. — Christus, het onbestraffelijk en onbevlekt Lam, is voorgekend geweest vóór de grondlegging der wereld (1 Petr. 1:20). — De Zoon is in der eeuwigheid geheiligd (Hebr. 7:28). En Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit één (Hebr. 2 : 11). — De gelovigen zien op Christus, in Welke zij een erfdeel geworden zijn, zij, die tevoren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil (Ef. 1 : 'll). — Al deze woorden wijzen op verbondsonderhandeling in God, waarin dus de drie Personen betrokken zijn. — In Zijn hogepriesterlijk gebed duidt Jezus daar eveneens op: Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen (Joh. 17 : 4). En Hij erkent de Zijnen te zijn de gegevenen van de Vader: Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven (vs. 6). Ja, het verbond der genade weet van geen wankelen. Het rust in het eeuwig welbehagen van de drieënige God en is er de zekere uitvoering en vervulling van in de tijd. 

Heerlijk boven alles

Daar de verlossing van de nieuwe mensheid verankerd ligt in het verbondshandelen der drie Personen in God met elkaar, zal zij ook in de weg van een verbond — het genadeverbond — ontvangen en gekend worden.

Waarom? — God schiep immers de mens naar Zijn beeld en dat houdt toch ook in, dat de mens van stonde af aan is aangelegd op verbondsleven met God. Vandaar, dat God Zijn mens bij de schepping stelde in het werkverbond. En toen het werkverbond verbroken werd openbaarde God het genadeverbond tot herstel van de verbondsbetrekking. Maar dan in Christus, de Middelaar Gods en der mensen. We zouden zelfs kunnen zeggen: God zag van eeuwigheid Zijn nieuwe mensheid in verbond met Hem in Christus en werkte op haar aan, vanuit het verbond des vredes, via het werkverbond en de verbreking door de mens daarvan, in de weg van het genadeverbond.

Zo beschrijft dus het genadeverbond de weg, waarlangs de verkorenen tot hun bestemming zullen geraken. En dan valt er de nadruk op, dat deze weg een verbondsweg is. Enerzijds wordt Gods souvereiniteit wel in alles gehandhaafd (alles uit Hem en alleen Zijn werk), maar anderzijds blijkt daarbij toch de redelijke en zedelijke natuur van de mens geheel tot zijn recht te komen (hij bekeert zich, hij komt tot geloof enz.). Christus treedt in het genadeverbond wel op als het Hoofd der Zijnen en werkt zo tot hun zaligheid, maar zij komen tot de kennis van Hem en de genadige God in Hem door het geloof in Hem als de Middelaar van het genadeverbond.

En door het stellen en openbaren van dit genadeverbond heeft God ook tevens ruimte geschapen voor het handhaven van het organisch verband der geslachten, waarin de mensheid haar weg door de eeuwen gaat.

Immers, dat God in de weg van het genadeverbond de Zijnen verlost, zegt ons, dat Hij het organisme van de mensheid niet ter zijde schuift. Dat kan ook niet, want dan zou God Zijn eigen schepping aanranden. God werkt daarom in de weg der geslachten, in de weg van het 'Ik ben uw God en de God van uw zaad'.

De nieuwe mensheid onder haar Hoofd Christus is een organisch geheel. Zoals de oude mensheid in Adam begrepen was, zo de nieuwe mensheid in Christus. In Adam in de band des bloeds, in Christus in de band van de wederbarende genade van de Heilige Geest, dus in de band van het geloof. Hierbij is echter het organisme der mensheid niet vernietigd, maar wordt het gered, gelouterd en verheerlijkt; het wordt tot zijn eeuwig doel gevoerd.

Daarom heeft het genadeverbond ook een bediening van God meegekregen, die ingesteld is op de voortgang der geslachten. Er is in gegeven een weg voor opvoeding en oproep tot bekering in het raam van de bediening van het genadeverbond, naar de belofte Gods: Ik ben uw God en de God van uw zaad.

In wezen is het eeuwig verbond des vredes en het verbond der genade één. Het genadeverbond is echter in de tijd en heeft een eigen bediening. Deze bedding der bediening is breder dan de stroom der verkiezing, die erdoor gaat. Maar tegelijk blijkt de verkiezing toch ook weer verwerkelijkt te worden in de lijn der geslachten. Tevens wordt de mens in zijn verantwoordelijkheid gezet. Zo is het genadeverbond aangelegd op het hoogste en heerlijkste wat voor de mens kan weggelegd zijn, nl. verbondsomgang met God. De mens kan en mag levenspartner van God zijn. '

Het verbond is maar niet een testamentaire uitvoering van het eeuwig raadsbesluit, waarbij de mens behandeld wordt als een stok en een blok; maar het is er in zijn bediening op aangelegd, dat de mens zijn verbroken relatie met God krijgt te zien en in te leven, veroordeeld wordt, zich schuldig keurt, om genade worstelt, zich bekeert, komt tot geloof in de Middelaar en zo het verbond omhelst. Dit aanvaarden van het verbond door het geloof in Christus ontsluit de schatten der rijkdom der genade in de kennis van Christus als ons eeuwig Hoofd in het verbond des vredes, en dat in gemeenschap met de ganse Kerk.

Ja, als we het hebben over het genadeverbond hebben we het over een heerlijkheid, waarop nooit een mensenverstand had kunnen komen. Alles is uit God, door God en tot God. En toch is het zo, dat de mens in zijn eigen wilsleven en verantwoordelijkheid geheel serieus wordt genomen.

Eén- en tweezijdig in één

Daar het genadeverbond de uitwerking en toepassing is van het verbond der drie Personen in God, weerspiegelt het deze heerlijkheid Gods. ledere Persoon vervult Zijn eigen aandeel in de uitvoering van het verbond. Wel behoort aan de Heilige Geest toe de toepassing van het heil, maar Hij doet dat als de Geest van Vader en Zoon. Dezen zijn er mede bij betrokken en nemen hun eigen plaats in. Daarom zal niemand tot Christus (de Zoon) komen, indien niet de Vader hem trekke (Joh. 6 : 44). En dat kan niet anders betekenen dan dat de Geest als Geest des Vaders de zondaar ontdekt aan de verbroken relatie met God (het verbroken werkverbond en — nog erger — het verachten van het genadeverbond) en het oordeel daarover, en zo heenwijst op en leidt naar de Zoon als Middelaar Gods en der mensen.

Maar tevens doet de Geest als Geest des Zoons de Christus kennen in Zijn lokken en trekken tot overgave aan Hem, opdat we door Hem tot de Vader komen (Joh. 12:32; 14:6).

En de Geest zal de vrede uitroepen en de rust bevestigen, alleen in de kennis van God in het aangezicht van Jezus Christus, de verzoende God en genadige Vader in Christus.

Zo leert de gelovige ondervindelijk kennen de onderscheiden betrekking van God in de drie Personen tot hem. (Ned. Geloofsbelijdenis, art. 9).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Verbond en verlossing 1

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's