Uit de pers
Begraven of cremeren?
De laatste jaren komt telkens weer het vraagstuk van de crematie aan de orde. Oorspronkelijk opgekomen uit beslist niet godsdienstige kringen, en bepleit vanuit atheïstiche motieven, wint de gedachte van het cremeren de laatste jaren ook aanhang onder hen die toch vast willen houden aan het leven na dit leven en crematie daarom niet onverenigbaar achten met het christelijk belijden.
Oud en Nieuw Testament hechten grote betekenis aan het begraven worden. Maar men meent, dat hierin de zede van de tijd meesprak, en dat we er nu niet aan gebonden zijn. Dat alles schept pastoraal een aantal vragen: Mag de kerk hierin meegaan? Kunnen ambtsdragers ambtelijk aanwezig zijn bij een crematie? Hoe hebben we als christenen hiertegenover te staan.
In Hervormd Utrechf van 18 februari schrijft ds. A. Kool een aantal overwegingen, die m.i. ons kunnen helpen in de bezinning op deze dingen.
Wij zijn tot nu toe uitgegaan van de begrafenis. Maar dat is tegenwoordig niet meer vanzelfsprekend, ook niet voor velen die tot de gemeente behoren. Vooral niet nu er ook in Utrecht een crematorium gekomen is en men crematie gewoon gaat vinden. Hoe moeten wij over deze ontwikkeling oordelen? Men kent de voornaamste argumenten vóór de crematie. Het ruimte-probleem, crematie is hygiënischer en, zeker op den duur, goedkoper. En wat doet het er eigenlijk toe? Wij moeten er even aan wennen. Over 25 jaar zal crematie voor iedereen heel gewoon zijn. Voor het geloof in de opstanding der doden maakt het wezenlijk niets uit of ik na mijn dood begraven of verbrand word. Ook de graven worden na verloop van tijd geruimd. En zo zou er nog wel meer te noemen zijn.
Toch vraag ik mij af of deze zaak zo simpel en onschuldig is. Natuurlijk hangt mijn zaligheid niet af van de vraag wat er na mijn dood met mijn lichaam gebeurt. Maar dat betekent niet, dat het mij onverschillig is. Door iemand die mij lief is te begraven of door de wens te kennen te geven dat ik later zelf begraven wil worden, breng ik iets tot uitdrukking. Het is een stijl, een handeling die ten diepste samenhangt met mijn denken over en beleven van mijn bestaan, met mijn geloof en mijn hoop.
Dat het in de bijbel vanzelfsprekend gevonden wordt dat iemand na zijn dood begraven wordt, is niet toevallig of bijkomstig. In het Oude en in het Nieuwe Testament lezen wij dat men zeer zorgvuldig omging met het lichaam van de gestorvene. Niet begraven worden was heel erg. Het lichaam is maar niet het minderwaardige omhulsel van de ziel. Neen, het is door God Zelf uit de aarde genomen. En als het lichaam na de dood tot de aarde wederkeert, dan is dat enerzijds iets afschuwelijks, het is een ontluistering, een vloek vanwege de zonde. Maar anderzijds ligt er voor een christen toch iets hoopvols in. Paulus vergelijkt de begrafenis met het zaaien van graan, in 1 Cor. 15. Wat gezaaid wordt vergaat weliswaar; helemaal! Maar een nieuw lichaam wordt opgewekt. Onze waarborg daarvoor is de Heere Jezus Christus Die gestorven is en begraven, maar ook opgestaan als Eersteling uit de doden.
Daarom stuit crematie, die kunstmatige vernietiging van het lichaam, mij tegen de borst. Vanwaar toch die drang naar snelle vernietiging? Een dode teraarde-bestellen wil voor een christen zeggen: ondanks alles wat er in het leven gebeuren kan, toch geloven dat het lichaam oorspronkelijk goed bedoeld is toen het uit de aarde genomen werd en dat het uiteindelijk nieuw uit de aarde herrijzen zal. Door de begrafenis breng ik dat op zinvolle wijze tot uitdrukking. In de voorkeur voor begrafenis zit iets van een geloofsbelijdenis en een stukje levens-stijl. Daarom moet men de kist mijns inziens ook niet boven het open graf laten hangen maar hem in het bijzijn van de familie en kennissen laten neerdalen in de aarde. Daar zit om zo te zeggen iets van de navolging van Christus in.
Bij begrafenis denk ik aan de aarde. Het is een 'teraarde-bestelling'. Bij crematie denk ik aan vuur. Het is 'n 'lijk-verbranding'. Voor wie in de bijbel thuis is ligt er een enorm verschil tussen de woorden aarde en vuur. De aarde behoort tot de goede schepping. En ondanks alle gebrokenheid door de zonde, ondanks de vloek en de vervuiling van de aarde, spreekt de bijbel toch van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; vergelijk Genesis 1:1 met Openbaring 21 : 1.
Maar bij vuur hoort verteren en ondergang. Vuur geeft associaties met de hel en met het oordeel. Een graf is: open aarde onder de blote hemel, een opgeploegde vore. Maar een crematorium is een fabriek, of liever, een vernietigingsbedrijf, met een rokende schoorsteen.
Bij een begrafenis wordt de kist neergelaten in de aarde. Bij een crematie daalt hij door een opening in de betonnen vloer naar een lagere etage, waar het vernietigingsmechanisme klaar staat.
Is dat alles maar een kwestie van smaak, van persoonlijk aanvoelen? Wie geoefend is in het lezen van de bijbel weet dat er ook over smaak heus wel te twisten valt!
Bovendien geloof ik dat een predikant die de dienst leidt in de aula van een crematorium wel erg moet letten op zijn woorden. In wezen is hij beperkt in de keuze van zijn woorden. Bepaalde bijbelse begrippen slaan in die omgeving nergens op of zijn pijnlijk voor de familie. Ik spreek hier uit ervaring.
Daarom vind ik crematie een verschraling in onze levensstijl, een gewoonte die niet opkomt uit de omgang met de bijbel maar uit efficiency en steriele hygiëne. Het verbranden van een lijk wordt in de bijbel niet verboden op dezelfde wijze als bijv. het doodslaan van een levende; maar het is wèl een bedenkelijke ontwikkeling. En de ruimte dan en de kosten? Ik geloof niet dat daar het probleem ligt. Wij hoeven onze begraafplaatsen niet zo mooi en zo duur te maken. Van de graven zou ik zeker geen stenen bunkers maken zoals vroeger wel gebeurde. Ook geen bloementuin. Zo mooi is de dood niet en wij hoeven de graven niet te vereren. Het kan toch zo eenvoudig en stijlvol. Een klein stukje grond, waar gras en bomen groeien. Dat hebben wij in onze dichtbevolkte streken zo nodig: verfrissend groen. En op het graf zou ik een eenvoudige opgerichte steen willen zetten met een naam en een paar data.
Dit artikel spreekt voor zichzelf. Inderdaad, allerlei bijbelse begrippen doen in een crematorlunn pijnlijk aan. En in de begrafenis zit iets van navolging van Christus, van Wie wij belijden, dat Hij gestorven is, begraven en ten derden dage opgestaan.
Blijft over de vraag, of de kerk, ook wanneer zij nee zegt tegen het cremeren, zich wel aan de pastorale verantwoordelijkheid mag onttrekken, wanneer op ambtsdragers in deze gevallen een beroep gedaan wordt.
In het antwoord op de vraag zullen we onder ogen hebben te zien: Welk karakter draagt de rouwdienst? Het is merkwaardig dat b.v. een huwelijksbevestiging een officieel kerkelijk karakter draagt, een begrafenis is veel meer een zaak van de familie en de begrafenisondernemer, waarbij dan de predikant wordt uitgenodigd. Is dit juist? En wanneer het een crematie betreft, kan de betrokken predikant dan zijn pastoraat beperken tot een dienst in het sterfhuis en niet meegaan naar het crematorium? Maar, hoe moet het dan, als er alleen maar een dienst in de aula van een crematorium is? Me dunkt, dit zijn vragen, die in een gezamenlijk beraad eens doorgesproken moeten worden, opdat we zonder persoonlijke vrijheid aan te tasten, toch ook hier verantwoord mogen handelen.
De Avondmaalsviering
De vragenbus in het Hervormd Weekblad van de confessionele vereniging is soms interessante lectuur, niet slechts door de aard van de vragen, maar vooral door de antwoorden van prof. dr. G. P. van Itterzon. Zo stelt in het nummer van 8 maart iemand een vraag over de wijze van Avondmaal vieren. We citeren uit dit nummer:
Een broeder in X schrijft: In een kerkdienst met bediening van het H. Avondmaal waaraan ik kort geleden deelnam, werd eerst medegedeeld, dat de Avondmaalsbediening in deze dienst 'lopend' zou zijn en werd het daarna in deze vorm gehouden. Bij de bediening stond de predikant aan het ene eind van de tafel en hij reikte aan iedere deelnemer(-ster) een stukje brood toe en aan het andere einde van de tafel reikte hij aan iedere deelnemer(-ster) de beker met wijn.
Mijn eerste vraag is of deze vorm van viering in onze kerken meer voorkomt. Zelf heb ik dit verder alleen gezien per televisie bij de gezamenlijke Avondmaals-Eucharistieviering onlangs te Rijswijk. En ook — natuurlijk zonder beker — bij een huwelijksinzegening in een r.k. kerkdienst.
Dit laatste brengt mij tot een tweede vraag, en wel of deze vorm, bewust of onbewust van Rome overgenomen wordt (al is er ter plaatse geen r.k. kerk). En of de predikant, evenals bij Rome, hierbij terecht een centralere plaats inneemt, door persoonlijk aan iedere deelneem(-ster) het brood uit te reiken. Terwijl bij de normale gang van zaken in onze kerken, evenals m.i. bij de inzetting, zoals we die in de evangeliën beschreven vinden, zowel het brood als de beker door de deelnemers(-sters), na door de predikant uitgereikt te zijn, aan elkaar doorgegeven worden.
Antwoord: Wat de eerste vraag betreft: Ik weet niet, of deze vorm van viering in onze gemeenten meer voorkomt. Misschien kunnen onze lezers ons aan de nodige informatie helpen. Wel weet ik, dat tegenwoordig veel met het Avondmaal geëxperimenteerd wordt, dat ik me afvraag, of experimenteren met het Avondmaal geoorloofd is en of het gaan naar het Avondmaal door allerlei experimenten in wezen wordt verdiept en verrijkt.
Als we bedenken, dat het Avondmaal oorspronkelijk een maaltijd is geweest, waarbij Jezus en de discipelen, naar Oosterse gewoonten aanlagen, dan ligt het voor de hand, dat we, als we ook in dit opzicht Jezus willen navolgen, aan de wijze van viering, zoals Hij ermee is begonnen, vasthouden. Het Oosterse aanliggen is er in het Westen niet bij. Wij zitten aan, als we een maaltijd houden. Lopende eten is (dat hebben we van huis uit gehoord) niet gezond. Ik weet wel, dat er partijen zijn waar men lopende eet. Daar heeft men een buffet staan, waar men telkens met zijn bord heen kan om nieuw voedsel te halen en lekker eten uit te zoeken. Maar met zulke lopende buffetten, zoals ze genoemd worden, zal toch volstrekt niemand het Avondmaal des HEEREN willen vergelijken.
De officiële bedoeling zal wel zijn, dat het een beetje vlugger gaat en de dienst dan spoediger is afgelopen. Dat lijkt me, eerlijk gezegd, toch een verlies. Waarom zouden we de vorm van het aanzitten aan een maaltijd prijsgeven? Ik vermoed dan ook, dat inzender gelijk heeft en dat dit gebruik van Rome is overgenomen. Daar had men niet de maaltijdgedachte, maar die van het offer en de communie met het offer, de hostie. Inderdaad komt op de persoon van de predikant een veel groter accent te liggen, als iedere Avondmaalsganger van hem persoonlijk het brood in ontvangst moet nemen. Als we van de gedachte uitgaan, dat we als gemeente om de Disch des Heeren bijeen zijn, is het een vorm van gemeente-zijn, van samen vieren, als we elkaar brood en beker doorgeven. De dominee heeft aan tafel helemaal geen extra plaats. Ik weet van ds. Boissevain, die in zijn gemeente Gelselaar in toga preekte. Maar als het Avondmaal was, liet hij zijn toga uit. Dan was hij aan tafel in een zwarte geklede jas (naar het gebruik van die dagen). Hij was één van de disgenoten. Hij gaf in naam van zijn Zender de tekenen van brood en wijn door, maar trad zelf zo veel mogelijk terug. Het doet dan ook vreemd aan, wanneer in onze tijd, waarin het volk Gods zoveel accent krijgt en de mondigheid der gemeente wordt benadrukt, de gemeente bij zulk een Avondmaalsviering zo op de achtergrond komt. Geen samen aanzitten en samen gedenken. Geen samen vieren. Geen samen luisteren naar het Woord van God of samen zingen. Maar in haast komen aanlopen, omdat de dienst niet al te lang mag duren. Even bij de predikant langs en daarna bij zijn diaken om dan weer even vlot naar zijn plaats terug te keren. Mag ik zeggen, daf ik voorlopig de wenselijkheid van zulk een viering voor mezelf en de gemeente niet inzie?
Men kan natuurlijk in een zekere oppervlakkigheid zeggen: Is dit nu principieel zo belangrijk? Toch meen ik dat Van Itterzon terecht wijst op de betekenis van de maaltijd, en op de verhouding tussen voorganger en gemeente. Persoonlijk vind ik het niet-aanzitten aan een Tafel een verarming. Al moet erkend worden, dat Avondmaalsvieringen met soms 6 tot 7 Tafels na elkaar ook niet altijd bevorderlijk zijn voor de eerbied en de orde. Het wezen van de zaak mag er niet door aangetast zijn, de stijl van onze kerkdiensten is echter geen onbelangrijk gegeven. Daarom is het goed ons te bezinnen, op welke wijze we eraan kunnen meewerken dat de viering van Woord en sacrament een stijlvol en eerbiedig verloop heeft.
Joden in Syrië
Tenslotte geven we het woord aan ds. A. A. Spijkerboer die in Hervormd Nederland van 10 maart een noodsignaal uit Syrië aan ons doorgeeft: Twee joden, die gevlucht zijn voor de geheime politie van Syrië, de Moukhabarath. De angst blijkt in Syrië te regeren. Het is goed onze ogen hiervoor niet te sluiten. Het tekent de trieste werkelijkheid waarin de joden leven in hét Midden-Oosten op onthullende wijze.
De joden in Syrië wonen bij elkaar in een soort getto's in de wijken van enkele grote steden. Hun huizen daar zijn met rode verf gemerkt en op hun identiteitsbewijs staat met rode letters aangegeven dat ze joden zijn. Op de identiteitskaarten van andere Syriërs wordt niet vermeld of ze moslim dan wel christen zijn. Het wordt de Syrische joden onmogelijk gemaakt te studeren, want wanneer ze zich aan de universiteit willen laten inschrijven, moeten ze een uittreksel uit het bevolkingsregister laten zien, en dat krijgen ze eenvoudig niet. In de joodse wijken zijn de huizen van joden die in 1948 naar de staat Israël zijn gegaan, aan Palestijnen toegewezen, en van deze Palestijnen hebben de joden heel wat te lijden.
De twee willen hun namen niet noemen en wanneer ze de volgende dag de pers te woord staan wenden ze hun hoofd af, wanneer er een foto gemaakt wordt. Ze zijn doodsbenauwd, dat hun identiteit ontdekt wordt, en dat hun vlucht op hun familieleden in Syrië wordt verhaald. Want van mishandeling en marteling heeft de Moukhabarath verstand: de Syrische joden mogen niet verder dan vier kilometer uit hun getto's gaan, een meisje, dat toch verder was geweest, werd betrapt en door de politie bont en blauw geslagen.
Een ander meisje werd verkracht en de vader ging met haar zijn beklag doen bij de politie; op het bureau werd het meisje nog een keer verkracht, door de agenten.
Joden worden willekeurig gearresteerd en enkele dagen gevangen gehouden en mishandeld; daarna worden ze bij een ziekenhuis afgeleverd, ze mogen dan achteraf de kosten van de behandeling voor het letsel, dat de politie hun heeft toegebracht, zelf betalen.
En dan zijn er de pesterijen: uit het buitenland is een zending gebedsriemen aan de joodse gemeenschap in Syrië gestuurd, ze mogen die bij de politie komen halen; daar worden de gebedsriemen voor hun ogen verbrand.
Van geldzendingen uit Amerika naar Syrische joden wordt een groot deel door de politie in beslag genomen.
De joodse gemeenschap in Syrië leeft zo goed en zo kwaad als het gaat van wat handel of van kleermakerswerk. Als er buitenlandse journalisten op bezoek komen, worden vooraanstaande joden, die de journalisten te woord mogen staan, uitvoerig geïnstrueerd. Ze moeten zeggen, dat ze het goed hebben, dat ze dezelfde rechten hebben als iedereen, dat ze best paspoorten kunnen krijgen om naar het buitenland te gaan, maar dat ze dat niet willen, omdat ze het in Syrië best hadden. Maar wee hun gebeente als ze verkeerde antwoorden geven!
De Moukhabarath heeft de Syrische joden te verstaan gegeven, dat ze hen zou executeren als ze dat kon doen zonder dat het in het buitenland bekend werd. Daarom leeft de joodse gemeenschap in Syrië voortdurend in angst voor de toekomst. Daarom ook zijn deze angstige man en deze angstige vrouw met gevaar voor hun leven gevlucht om de publieke opinie in het buitenland te waarschuwen. Ze hebben al hun moed in hun handen genomen om te komen waarschuwen, om óns te komen waarschuwen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's