Nota van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Zendingsbond inzake het te voeren beleid
De Gereformeerde Zendingsbond heeft onder de titel Principia onderstaande richtlijnen over het te voeren beleid uitgegeven.
a. In de volheid des tijds heeft God Zijn Zoon uitgezonden, opdat Hij onder ons zou wonen tot verzoening en verlossing van zonde en dood (Gal. 4 : 4—5). Na verhoogd te zijn aan de rechterhand Gods, heeft Christus op Pinksteren de Heilige Geest van de Vader gezonden, opdat Zijn gemeente zou weten de dingen, die haar van God geschonken zijn, en zij onder de heidenen door het evangelie deze onnaspeurlijke rijkdom zou verkondigen (1 Cor. 2 : 12 en Ef. 3 : 8—12).
Zo wordt Christus' gemeente uitgezonden in de wereld om te prediken en Zijn getuige te zijn (Mare. 3 : 14, Joh. 17 : 18 en Hand. 1 : 8). Hiermee is de zendingsroeping gegeven, die van Christus wege tot de gemeente en al haar leden komt. Door de Heilige Geest wordt deze roeping levend gehouden en vervuld, waarbij het Woord en het voorbeeld van Jezus Christus tot richtsnoer zijn. De G.Z.B, mag en moet namens de gemeente een deel van deze taak, met name overzee, uitvoeren en dient daarbij tegelijk de gemeente geregeld op te wekken tot het besef van haar blijvende verantwoordelijkheidin deze..
b. In Matth. 28 : 19 beveelt de Heiland om alle volken in te onderwijzen. Dit 'onderwijzen' betekent hier het maken tot discipelen van de Christus der Schriften. Zonder bekering en geloof in Hem is het immers onmogelijk God te kennen en te behagen (Marc. 1:15, Joh. 3 : 36, Joh. 14 : 6—7 en Hebr. 11 : 6). De Woordverkondiging is hierbij fundamenteel, Rom. 10:14: En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welke zij niet gehoord hebben en hoe zullen zij horen zonder die hun predikt? '
c. Deze Woordverkondiging mag niet beknopt en oppervlakkig geschieden, Hand. 20:27. Christus wil, dat de volken geleerd wordt te onderhouden alles wat Hij Zijn discipelen geboden heeft. Dat houdt onder meer de stichting van gemeenten in en de geestelijke opbouw ervan. Voor beide is Schriftuurlijk theologisch onderwijs vereist, opdat het reformatorisch belijden waar maar mogelijk gestalte krijgt. In de zendingsarbeid van de G.Z.B, zal, waar een gelegenheid wordt geboden, de vorming van dienaren des Woords daarom een belangrijke plaats innemen. De aldus verstane zendingsopdracht wordt vervuld in een situatie, waarin steeds meer verantwoordelijkheden door jonge kerken worden overgenomen. De roeping van de zending is hierin alleen om deze kerken sterk te doen staan in de stormen van tijd en wereld. Wanneer de zending verder gaat naar andere plaatsen, moet het Woord Gods ontvangen zijn tot steun en leiding, ook bij het vervullen van de apostolaire taak van die kerken.
d. In de arbeid van kerk en zending worden armoede, ziekte, onrecht en onwetendheid ontmoet als gevolgen van de doorwerking van de zonde. Omdat Jezus Christus daaraan niet voorbijgegaan is, ligt hier ook voor zending en jonge kerken een taak. De diaconale zorg strekt zich mede uit tot de leniging van deze noden en de zending moet zonodig de jonge kerken op deze taak wijzen. Wij moeten echter bedacht zijn op de rechte verhouding tussen de verkondiging van het Woord en de daad van naastenliefde in de dingen van het dagelijks bestaan, want reeds de Heilige Schrift wijst op het gevaar, dat de dienst van het Woord verdrongen kan worden door andere vormenvan dienst:
Hand. 6:2: 'Het is niet behoorlijk, dat wij het Woord Gods nalaten en de tafelen dienen'; in Luc. 4 : 43 en 44 wordt verhaald, hoe Jezus Christus in Kapernaüm zieken genas en men daarom graag wilde, dat Hij bleef, maar hoe Hij zei: Ik moet ook andere steden het evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen, want daartoe ben Ik uitgezonden. En Hij predikte in de synagogen van Galilea';
Joh. 6 : 26 en 27 waarschuwen voor het gevaar van Christus te volgen om 'de spijze, die vergaat'.
e. In de zorg voor de sociale omstandigheden, die we aantreffen bij het verkondigen van het Woord, moeten we ons ervan bewust zijn, dat Jezus Christus geen sociaal programma bracht of wilde uitvoeren, maar dat Hij — in de liefde tot God en de naaste als vervulling van de Wet — reddend en helpend inging tot mensen in hun wezenlijke nood. Zijn wonderen, bijvoorbeeld van genezing, waren als incidentele manifestaties van het komende Koninkrijk Gods ondergeschikt en dienstbaar aan Zijn prediking. Het zijn tekenen, die slechts door het geloof gekend kunnen worden. Daarom dienen alle zendingsarbeiders met hun speciale opdracht te arbeiden in het krachtenveld van het Woord, hetgeen hen ook bemoedigt.
f. Het ligt in de aard van de zending, slechts tijdelijk ergens te arbeiden. Zij streeft ernaar zich daar, waar zij haar werk begonnen is, overbodig te maken en weer verder te gaan, zodra er een jonge kerk is geïnstitueerd onder eigen opzieners, die haar apostolaire en diaconale taak verstaat en kan uitoefenen. Zij dient duidelijk te maken, dat zij zich daarbij niet laat leiden door onverschilligheid of overdreven soberheid, maar door de begeerte vrij te zijn om met het Woord verder te kunnen gaan. Het Woord Gods mag namelijk in zijn loop niet gehinderd worden door bepaalde instituten of omstandigheden (Jes. 54:2). Zowel zending als jonge kerk moeten echter weten, dat hun inspanning nog niet de maat heeft bereik van de dankbaarheid, die zij jegens God verschuldigd zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's