Theologie uit de kindermond?*) 2
Hoe verbindt dr. Klink, de schrijfster van het boek Kind en leven nu haar theologische opvattingen, waarover in het vorige artikel kort gesproken werd, met kinderuitspraken en met gegevens uit de ontwikkelingspsychologie over het zich-ontwikkelende wereldbeeld bij kinderen? Ze citeert vele 'kromme' (soms koddige, soms diepzinnige) uitspraken van kinderen, die de volwassen lezer tot nadenken kunnen stemmen, omdat eruit blijkt hoe moeilijk het is om iets te zeggen over de diepste geheimen van het leven. Men kan er ook over nadenken welk een zekerheid er doorklinkt in de woorden van de kinderen; een zekerheid die ze zichzelf verschaffen door te vertrouwen op de waarheid van een verklaring die ze aangereikt krijgen of zelf ontwerpen. De schrijfster gebruikt de kinderuitspraken ook en vooral ter illustratie van één van haar hoofdstellingen (hoewel niet op deze wijze geformuleerd), namelijk 'wat blijkt toch duidelijk dat wij verkeerde schema's aan onze kinderen leren, waardoor ze zulke 'verkeerde' beelden van God, zonde, dood, geboorte, leven, verlossing gaan vormen'. Tegen deze manier van redeneren kan men protest aantekenen: het is niet zo dat alle uitingen van een kind precies weerspiegelen wat z'n ouders het geleerd hebben; het kind verwerkt het gehoorde — soms half-begrepene — op zijn eigen, vindingrijke wijze en vormt er zijn eigen theorie mee. Deze kinderlijke 'theologie' is zeker niet in de eerste plaats een weerspiegeling van de werkelijkheid; het kind heeft er geen weet van dat je denken en werkelijkheid zou kunnen scheiden. Kinderlijke uitspraken hebben vaak iets van bezweringsformules, iets van magie; het kind wil de werkelijkheid naar z'n hand zetten; het wil zich veilig voelen in een vertrouwde (desnoods: vertrouwd gemaakte) omgeving. Deze kinderlijke wijze van redeneren wordt door het kind toegepast op alle gebieden waar het de verbanden en oorzaken niet meer onmiddellijk waar kan nemen: bij natuurverschijnselen als wind, onweer, seizoen, zonsondergang; ook bij technische verschijnselen: auto, tv., radio; ook bij politieke verschijnselen (kinderen kunnen soms prachtig commentaar leveren bij het journaal of bij plaatselijke gebeurtenissen!). Het zou vreemd zijn, als deze kinderlijke logica niet ook in het religieuze zou doorwerken. Maar dan is het ook niet nodig zich erg ongerust te maken over kinderlijke verklaringen en uitspraken, die misschien theologisch niet helemaal kloppen. .. dat komt wel!
Het is m.i. ook wetenschappelijk onjuist, om rechtstreeks uit kinderuitspraken conclusies af te leiden met betrekking tot het opvoedkundige handelen van de ouders. Natuurlijk wordt dat handelen beïnvloed door de uitingen van het kind, maar het vindt z'n richtpunt niet in het kind zelf, maar in de volwassene die het kind nog moet worden en in de Schrift, waarnaar de volwassene, die-het-kind-nog-niet-is, zal moeten willen leven.
Dat wil zeggen dat de opvoeder het kind zal moeten voorhouden — dat is vooral: voorleven — wat die volwassenheid, die naar Gods Woord wil leven, is. Daarom is het terecht dat dr. Klink zoveel nadruk legt op de omgang tussen ouders en kind; er zal tijd moeten zijn voor babbeltjes, voor wandelingen, voor spelletjes, voor zingen. In die omgang kan af en toe heel duidelijk een stuk opvoeding zich aftekenen naar aanleiding van een daad van het kind (oneerlijk spel, plagen, een lelijk woord. verdriet) waar de opvoeder moet ingrijpen: dat zijn de momenten ook waar soms de theorie van het kind een schokje krijgt en plotseling aangepast moet worden. In deze momenten komt het duidelijkst naar voren dat er in de opvoedingsverhouding toch iets eenzijdigs is: iets uitgaand van de volwassene naar het kind. In de normale omgang tussen ouders en kinderen spreekt dat altijd lang zo sterk niet, maar het is er wel! Vandaar dat die omgang zo belangrijk is; daarin liggen nl. niet alleen de opvoedingskansen verborgen, maar er wordt ook het algemene klimaat door bepaald, waarin het kind zijn wereldbeeld bouwt uit bouwstenen die in die omgang voorhanden zijn!
Daarom kan men ook eigenlijk de godsdienstige ontwikkeling niet losmaken van bijvoorbeeld de ontwikkeling van het besef van tijd, oneindigheid, causaliteitsdenken (denken over het verlïand tussen oorzaak en gevolg), het gevoel voor autoriteit. Alles hangt met alles samen in de kinderlijke ontwikkeling! Bovendien is die ontwikkeling uiteraard weer nauw gekoppeld aan een bepaalde cultuuromgeving (gezinsniveau, dorp of stad, welke platen ziet het kind, enz. enz.). Van al deze dingen weet de ontwikkelingspsychologie nog lang niet genoeg; maar toch wel meer dan dr. Klink noemt en verwerkt.
Ontwikkelingspsychologisch gezien is het boek dus bepaald teleurstellend. Daarentegen staan er praktisch-opvoedkundig bezien mooie dingen in (en het boek is gericht op de praktijk!). We noemen bijvoorbeeld de grote aandacht voor de onderlinge liefde en het vertrouwen, die binnen het gezin van gelovige ouders zo belangrijk zijn (hoewel dat weer niet hoeft te leiden tot een scherp tegenover elkaar stellen van het 'inademen' van het geloof en het vormen van bepaalde gedachten, kennis inhouden, gewoonten bij onze kinderen, wat in hoofdstuk vier van het boek nogal sterk het geval is). Ook de herhaalde opwekking tot echtheid in de godsdienstige opvoeding in het ongezocht bezig-zijn met de kinderen is een goede zaak.
Het hoofdstuk over seksuele voorlichting en opvoeding is heel reëel geschreven en bevat vele waardevolle suggesties voor ouders, die zich hier op wat glad ijs voelen. Zo is er meer te noemen.
Daarom is het erg jammer dat we toch moeten stellen dat het boek voortkomt uit een theologisch-pedagogisch optimisme ten aanzien van de reikwijdte van menselijk denken en geloven, dat ik niet deel, omdat het naar mijn overtuiging niet in overeenstemming is met de realiteit-inbijbels-licht. Juist daardoor zou een dergelijk boek in gezinnen waar men wat minder kritisch zou lezen en doen wat dr. Klink schrijft, schade kunnen aanrichten.
*) Dr. J. L. Klink, Kind en leven. Ambo, Bilthoven, 299 p., ƒ 12, 50.
1) Frappant is b.v. dat in haar literatuuropgave wel Langevelds 'Studiën zur Anthropologie des Kinder' staat genoemd, maar niet zijn 'Kind en religie'; ook bij Jean Piaget noemt dr. Klink alleen zijn boek over het symboolbegrip en niet b.v. zijn werk over het causaliteitsbegrip of over het tijdsbegrip.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's