De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voorbereidende genade 2

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voorbereidende genade 2

Pastorale overwegingen

7 minuten leestijd

De lezer van onze pastorale rubriek zal zich herinneren, dat wij ons de vorige keer hebben afgevraagd, of er in het hart van de mens dankzij de algemene roeping Gods door het Woord en de prediking niet algemene indrukken kunnen ontstaan, die we als een voorbereidende genade zouden kunnen waarderen, waardoor God op de genade van de wedergeboorte voorbereidt. We vragen ons nu af, wat wij van dit alles moeten zeggen. In de eerste plaats dan een vraag.

Wat is wedergeboorte?

Bavinck vergist zich natuurlijk, als hij de begeerte in Zacheüs' hart, de verslagenheid van de schare op de Pinksterdag, het ter aarde vallen van Saulus van Tarzen en de verlegenheidsvraag van de stokbewaarder tot de voorbereidende genade rekent. We zullen moeten zeggen, dat juist in deze ziele-toestanden zich de werkingen van de wederbarende heilige Geest hebben geopenbaard. Wanneer wij vast willen houden aan wat onze Dordtse Leerregels zeggen over de wedergeboorte als een verandering van verstand, hart en wil van de mens (en daar zijn bijbelse gronden voor), dan doen we er goed aan onderscheid te maken tussen een beginnend werk des Geestes in de wedergeboorte, zoals bij de personen, die we zojuist noemden en een doorbrekend werk des Geestes, waardoor het geloof zijn uitbloei krijgt en verzegeld wordt. Met andere woorden: wij moeten de wedergeboorte als een beginnend werk des Geestes niet te laat stellen. Zonder van een 'sluimerende wedergeboorte' te willea spreken, zoals soms gedaan wordt, houden we toch vast, dat Gods wederbarende heilige Geest soms al heel vroeg in een kinderhart werkzaam is, wat straks tot openbaring komt in een hartelijk treuren over de zonde en een kinderlijk geloven in Christus. Wie zal de oorsprongen van dat wederbarend werk des Geestes altijd kunnen naspeuren? Laten we ons zelf liever onderzoeken, of wij de vruchten der wedergeboorte in ons leven kennen. Verder moeten we ook bedenken, dat de wedergeboorte door een Godsdaad van de heilige Geest in de opening van het hart wel een keer begint, maar dan niet meer ophoudt. Gods Geest houdt werk aan ons tot de laatste ademsnik toe. In die zin komt de wedergeboorte, nl. als een procesmatige vernieuwing van hart en leven in de Schrift meerdere malen voor.

Gaat er iets zaligmakends aan de wedergeboorte vooraf ?

Wanneer we dit vasthouden, worden we in de tweede plaats heel voorzichtig met te spreken over voorbereidende genade, alsof God dan toch door de uitwendige roeping van wet en evangelie een mens geleidelijk aan ertoe brengt om van dood levend te worden. Alsof er door die algemene roeping in 's mensen hart een soort aanknopingspunt zou komen te liggen in allerlei overtuigingen en ervaringen, waarop de Geest straks in de wedergeboorte voortborduurt. Men zou dan zelfs nog een stap verder kunnen gaan in de positieve waardering van deze zogenoemde voorbereidende genade. Men zou kunnen menen, dat iemand toch wel zalig zal worden, ook al kent hij slechts die voorbereidende genade. Maar is het b.v. wel juist om te zeggen, dat vrees voor straf als een uitvloeisel van het algemene Geesteswerk door de algemene roeping in 's mensen hart, voorbereidt op de genade van de wedergeboorte? Gaat vrees voor straf vanzelf over in een oprechte vreze Gods, die uit de liefde geboren wordt ? ! Ik meen van niet. Luther heeft ons in zijn 95 stellingen geleerd, dat het ware berouw, in de weg van wedergeboorte gewerkt, naar straf verlangt (stelling 40) en dus door een diepe kloof gescheiden wordt van de slaafse vrees, die met God tevreden is, als Hij slechts de straf opheft. Alleen de droefheid naar God werkt volgens 2 Cor. 7 : 10 een onberouwelijke bekering tot zaligheid, maar de droefheid der wereld werkt de dood. Van deze laatste kunnen en mogen we dus niet zeggen, dat ze voorbereidt op de eerste. Er is een hemelsbreed verschil tussen beide vormen van droefheid. Daarom zou ik toch niet met Wiersinga willen zeggen, dat allerlei werkingen en ervaringen in 's mensen hart, zoals verlangen naar vrede en verlossing, bang-zijn voor straf, enz., dingen zijn, die aan het wonderwerk Gods in de wedergeboorte voorafgaan, en die van Gods zijde gezien en door Hem bedoeld zijn als de toebereiding van de akker, waarin God straks Zijn zaad laat vallen. Paulus sluit in Rom. 3 niet alleen het heidendom, maar ook het hele jodendom onder de zonde en zegt ook van de jood, ondanks al zijn vroomheid, dat er niet één is, die God zoekt.

Misleidende term

De term 'voorbereidende genade' is dus, zacht gezegd, misleidend. Ze roept allerlei verkeerde voorstellingen op en werkt verwarrend. Maar dat alles betekent nu ook in de derde plaats niet, dat we niet zouden kunnen spreken van voorafgaande genade, zoals Wiersinga tenslotte ook doet. Maar dan inderdaad helemaal van God uit. Er zijn vele genaderijke bemoeienissen van God uit met de mens, ook voordat of zonder dat de Geest der wedergeboorte in het hart werkt. Ik sprak al over de algemene openbaring van God in de natuur, de geschiedenis en het geweten. Ook over de algemene roeping Gods op het terrein van de bijzondere genade, door Woord en prediking. En dat alles laat heel wat na, waardoor het leven van de mens op aarde leefbaar wordt en het laat ook dit na, dat niemand ooit te verontschuldigen is.

En toch 'voorafgaande genade'?

En dan wil ik tenslotte in dit verband nog op één punt wijzen. Deze voorafgaande genade in het verbond, in het Woord, in de prediking en in allerlei uitvloeiselen daarvan in 's mensen hart, wordt ook als een goede zaak ervaren door allen, die in een weg van wedergeboorte tot Christus de toevlucht leren nemen. Zij cijferen alles, wat er was voor hun wedergeboorte maar niet weg. Zeker, zij kunnen daarvan niet zeggen, dat er toch wel wat was in hun hart, dat naar God vroeg. En zij kunnen al wel helemaal niet akkoord gaan met de remonstrantse opvatting, dat de onwedergeboren mens het licht der natuur maar recht gebruiken moet, vroom moet zijn, klein, nederig en ten eeuwigen leven geschikt om zichzelf aldus voor te bereiden op de genade van de wedergeboorte (zie Dordtse Leerregels, verwerping der dwalingen I, art. 4). Alleen door de wederbarende daad van Gods Geest wordt het werkelijk anders in ons hart. Maar niettemin zullen wedergeborenen het toch als een genade van God zien, dat er, ook voordat zij van dood levend werden gemaakt, het Woord was. Zij hebben zich wellicht door studiezin veel kennis verworven. Ik denk aan Paulus, die stellig door God mede tot zo'n zegen voor heel de kerk kon worden gesteld, omdat hij van zijn theologische scholing, aan de voeten van Gamaliel ontvangen, na zijn bekering groot gemak heeft gehad. Alles, wat wij via de bijbellezing, de prediking, het catechetisch onderricht, enz. aan kennis hebben opgedaan, ook al is het, dat wij nog niet wedergeboren zijn, is niet verloren tijd en moeite. God brengt het in en na de wedergeboorte terug en heiligt het in Zijn dienst, zodat we er eerst dan een recht gebruik van gaan maken.

Mede met het oog daarop is het bittere noodzaak, dat wij ook in onze tijd doorgaan met de rechte verkondiging van de leer. De duivel heeft er al velen ook na hun bekering in de war kunnen brengen, omdat ze van huisuit zo dom gehouden zijn. Laat wet en evangelie overal gepredikt worden. Want als de Geest wat toepast in Zijn wederbarend en doorbrekend werk, dan past Hij wet en evangelie toe aan het hart. En laat ons overigens niet vals rusten in wat als een soort gratia praeparans aan algemene, niet zaligmakende indrukken in het hart van de mens kan leven onder de invloed van de algemene roeping Gods. Maar laat ons God vragen, of Hij ons door Woord en Geest tot ware boetvaardigheid en tot waar geloof in Christus brengt. Alleen zo is genade werkelijk genade, die redt van de dood. En laat ons dan verder ook elke dag bij God erom verlegen zijn, dat Hij door Zijn Geest de wedergeborenen, die vaak zo benauwd en karig ervan leven tot een doorbraak in hun geestelijk leven brengt, zodat de wereld met een heilige jaloersheid naar hen zal zien.

Want al waren we doorkneed in de Schriften als Nicodemus, wij hebben ons toch allen het Woord van Christus aan te trekken: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien (Joh. 3 : 3).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Voorbereidende genade 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's