De brug over de kloof 1
Het gebed
Wanneer we over het bidden wat gaan zeggen, doen we dat met schroom. Wie enigermate zijn oor leent aan de gebeden van de groten in het Koninkrijk der hemelen (in eigen ogen nietig en onwaardig), aarzelt dit terrein verder te betreden, beseffende, dat eigen gebedspraktijk zo ver achterblijft bij hetgeen deze zou moeten zijn.
De discipelen hebben reeds gevraagd: Heere, leer ons bidden. En telkens komen we in christelijke gebeden datzelfde verlangen tegen om dieper onderwezen te worden in de leerschool van het gebed. Bekend is Guido Gezelle's uitroep aan het slot van zijn gedicht:
Gij badt op enen berg alleen,
ach, leer mij armen dwaas
hoe dat ik bidden moet.
En Bilderdijk besluit ook al één van zijn gedichten Met deze woorden:
Ach, leer Gij mij hetgeen ik bidden mag!
Bid Zelf in mij, zo is mijn bêe onschuldig.
En na zijn bekering vraagt Bredero:
O, Schepper, mij tot Dij ( = U) bekeer!
Ik bid, dat Gij mij bidden leer.
Toch is dat moeilijke bidden onmisbaar.-Zelfs buiten de kring der bijzondere openbaring is vrijwel bij elke religie het gebed een wezenlijk bestanddeel van cultus en leven. De scheepslieden, die Jona omringden op het schip, riepen in de nood een ieder tot zijn God. Maar juist deze veelheid van godheden en gebedsvormen demonstreert hoezeer wij mensen buiten het licht van het Woord, zoeken en tasten en niet weten, hoe wij de onbekende God zullen bereiken.
Treffend wordt de tegenstelling openbaar in de geschiedenis van Elia op de Karmel. Hoe oneindig groot is het onderscheid tussen het hartstochtelijke geschreeuw van de honderden Baalpriesters tot hun 'vuurgod', waarbij zij zich tenslotte met messen snijden — en daartegenover het rustige, vertrouwende spreken van de profeet tot Israels God.
We denken aan Paulus' woord in Rom. 10: hoe zullen zij dan Hem aangoepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder die hun predikt?
Kennen en vertrouwen zijn de twee grote bestanddelen van het geloof (Zondag VII vs. 21). — Maar zij zijn het niet minder van het gebed. Zonder dat geloof zijn wij als mensen, die in een onherbergzame, gevaarlijke bergstreek wonen en langs een diepe en brede kloof lopen om van gene zijde hulp in te roepen. Maar — is daar iemand om ons te horen? En zo ja. Wie is Hij? Hoe kunnen wij contact met) Hem krijgen? En waar ligt de waarborg, dat wij niet vergeefs tot Hem roepen?
Bidden tot Iemand
Dat zijn inderdaad belangrijke vragen wanneer het over bidden gaat. Want in acute nood kan het niet maar gaan om een soort religieuze, ceremoniële plichtpleging, een vroom ritueel, dat in een lange traditie werd opgebouwd en waarin geslacht na geslacht zich voegt. Het gaat ook niet om een wilde angstkreet, die in de oneindigheid wordt uitgestoten, zonder adres. Ook gaat het niet om het cultiveren van mystieke gevoelens als van een koesterend vuur, waarbij, zoals bij de boeddhisten, de meditatie zelfs het bidden gaat vervangen.
Neen, wil bidden zin hebben en uitzicht geven, dan moet het zich richten op Iemand, Die niet geheel onbekend is en van Wie er enige gegronde hoop is, dat Hij ons horen kan en horen wil. Iemand, Die toegankelijk is; Iemand, Die ons niet weer verwijst naar een ander, en voor iets anders weer naar een ander, zoals dat in het veelgodendom het geval is en waartoe de aanroeping van de vele heiligen weer terugleidde. Maar het moet Iemand zijn die boven alle schepselen staat. Wiens hulp niet weer verijdeld kan worden door machten, die Hij niet controleren kan, maar Die alle dingen alzo regeert, dat zij zonder Zijn wil zich noch roeren noch bewegen kunnen.
Zo staat aan het hoofd van de geloofsbelijdenis van de christelijke kerk en als adres, waartoe haar bidden zich richt, die God, Die de Schepper is van hemel en aarde, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn.
In Zijn Zelfopenbaring treedt de eeuwige God tevoorschijn. Hij is ons bidden voor. Hij roept Zelf op iedere bladzijde van Zijn Woord ons toe: roept Mij aan; zoekt Mij en leeft; wendt u naar Mij toe, doet uw mond wijd open en Ik zal hem vervullen, bidt en u zal gegeven worden.
Nu is het land aan gene zijde van de diepe en brede kloof geen terra incognita meer, geen land, vanwaar we nooit een stem gehoord hebben. God de Heere komt het eerst zelfs van Zijn kant. Hij neemt het eerst het Woord en vraagt ons: waar zijtgij?
Afstand
Daarmee is echter tegelijk een ontdekkende vraag ons voorgelegd, die wij niet ontwijken mogen of kunnen. Want de stem van het Woord komt van de overzijde. En wij moeten constateren, dat er iets heeft plaats gehad, waardoor die kloof ontstaan en de commimicatie verbroken is. Er heeft een verwijdering plaats gehad. En hoe komen we nu van de ene zijde naar de andere?
Wat hebben we van ons woonoord in Gods grote schepping gemaakt? Een oord, dat zo onherbergzaam is, dat daarin het gezegde kon geboren worden: nood leert bidden. Maar dat wilde roepen langs de rand van de kloof is nog lang niet het vertrouwend gaan tot die Ander, Die zo hoog en zo heerlijk blijkt te zijn, zo heilig en zo vlekkeloos als het ontoegankelijk licht, dat Hij bewoont. Hij zag eenmaal al wat Hij gemaakt had en het was zeer goed. En nu klinken in ons woonoord dag aan dag de berichten van hetgeen wij van dit stukje van Gods wereld gemaakt hebben. En die berichten zijn dag aan dag slecht. Omtrent de wereld in haar geheel en wat ons persoonlijk betreft.
Dat maakt het bidden zo moeilijk. Er is zulk een oneindige afstand. Een afstand — niet omdat de hemel ik weet niet hoeveel lichtjaren misschien van de aarde verwijderd zou zijn. Dat is de afstand niet. Sommige mensen wonen vlak naast elkaar en toch onmetelijk ver van elkander. Anderen wonen aan verschillende zijden van de aardbol en leven intens met elkaar mee. Neen — het is de zonde, die de afstand geschapen heeft. Er zit in de zonde een middelpuntvliedende kracht. De verloren zoon kan in de buurt van het gebied zijns vaders niet blijven. Zijn zonde drijft hem naar een vergelegen land.
Als mensen in de bijbel bidden beseffen ze die verre afstand. Als Abraham bidt voor Sodom, zegt hij: ik heb mij onderwonden, ik heb mij verstout (N.V.) te spreken tot den HEERE. Jesaja weet van de onreinheid van zijn lippen en roept: wee mij. De tollenaar blijft van verre staan en durft zelfs de ogen niet op te slaan naar de hemel. Dit zijn allemaal uitspraken van mensen, die zich bewust zijn van de kloof, de brede en diepe, tussen Hem, Die in de hoogte en in het heilige woont, en ons, nietig en onrein stof.
De brug
Nu is het bijbelse gebedsleven gebaseerd op het wonder, dat God Zelf ons een brug wijst, een overbrugging van die ontzettende afstand.
Als op onze aarde een grote afstand overbrugd moet worden, dan komt er heel wat aan te pas. Eerst de wil en het plan daartoe. En dan de geweldige uitvoering, die bloedig zweet kost. Daartoe moeten in de diepte vaste pijlers worden aangebracht. Ze moeten de brug dragen, opdat deze een weg zal zijn, die talloze menigten en ontilbare lasten naar de overzijde brengen kan.
Dat is het evangelie van de Knecht des Heeren. Hij is de donkere diepten van de kloof ingegaan, waar de machten der duisternis heersen en de mensen elkander onder de voet lopen. Zelfs het licht van de Zon der zonnen drong daarin tenslotte niet meer door. Het heeft Hem Zijn bloedig zweet gekost.
Het plan was van God Zelf uitgegaan. Hij heeft het verre-afstandverkeer geopend. In het evangelie roept God ons toe: de brug is er. Er is een weg uit het verre land. In Bethlehem begon God aan het bruggehoofd te bouwen. In Zijn bittere lijdensweg legde Hij de grondslagen en richtte Hij de pijlers op. In Zijn opstanding kwam Hij aan gene zijde van de kloof. Het is volbracht!
En nu is de brug er niet alleen om een teken te zijn van de macht en de liefde van Hem, Die het werk beraamde en van Hem, Die het uitvoerde. Wanneer ergens een brug gebouwd wordt, dan is dat, opdat hij gebruikt zal worden.
Daartoe moeten in de harten van mensen, die wéten van de grote afstand door onze grote schuld, vele en grote aarzelingen overwonnen worden. Als we komen, dan komen we immers uit het land van de vervreemding.
In het hart van de biddende gemeente komt daarom telkens de vraag naar boven: Kan dat eigenlijk wel? Mag dat? Mag een mensenkind, schuldig en onrein als hij is, tot God gaan? Mag ik, ondanks mijn schuld, daarvan gebruik maken?
En nu is de prediking o.a. bestemd om ons telkens weer een hand van God te zijn, die ons bij de hand neemt en ons leidt over de brug. D.w.z. de prediking wil ons leren tot God te gaan door Hem, Die de Weg is. Over de brug gaan, dat is tot God naderen in de Naam Zijns Zoons Jezus Christus. Soms geven invloedrijke mensen ons verlof om van hun naam gebruik te maken bij hoge instanties. Dat zijn namen waarvoor deuren opengaan en zaken worden ingewilligd of opgelost.
Als kind leerden we al bidden: om Jezus' wil. Heel ons leven lang moeten wij hoe langer hoe beter leren verstaan, dat in die paar woorden de eigenlijke kracht van ons bidden alleen gelegen kan zijn. We moeten toezien, dat deze woorden niet een versleten, traditionele slotuitdrukking worden aan het eind van ons gebed, maar dat daarin de grond ligt van ons vrijmoedig toegaan tot de troon der genade.
Van Calvijn is het mooie woord: wie de Naam van de Zoon noemt, heeft het hart van de Vader.
Niet ons gebed slaat de brug. Christus is gekomen van gene zijde. Hij leidt naar de brug en over de brug.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's